Geschiedenis van Suriname

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Verouderd Dit artikel bevat verouderde informatie en zou bijgewerkt moeten worden. U wordt uitgenodigd om dit artikel bij te werken.
Geschiedenis van Suriname

Wapen van Suriname



Portaal  Portaalicoon  Suriname
Portaal  Portaalicoon  Geschiedenis

Dit artikel behandelt de geschiedenis van Suriname.

Precolumbiaans (tot 1492)[bewerken | brontekst bewerken]

Archeologische opgravingen wijzen uit dat rond 10.000 voor Christus, en mogelijk eerder, de oudste bewoners van Amerika, de Paleo-inheemsen of Paleo-Amerikanen, zich vestigden in de Sipaliwinisavanne. Dit waren nomadische jager-verzamelaars, en het archeologisch materiaal (vuistbijl, chopper, stenen pijlpunt, etc.) komt overeen met materiaal dat in Europa uit de oude steentijd of paleolithicum wordt gevonden.

Rond 3000 voor Christus vestigden zich aardewerk producerende agrarische gemeenschappen nabij de benedenloop van de Corantijn, waar zij verbleven tot ongeveer 500 v.Chr.. In Suriname is er archeologisch bewijs dat deze gemeenschappen zich vestigden aan de Kaurikreek en aan de Maratakka. Dit waren (semi-)sedentaire landbouwers, en het archeologisch materiaal (aardewerk en landbouw) komt overeen met wat in Europa de nieuwe steentijd of Neolithicum wordt genoemd.

Terpbewoners[bewerken | brontekst bewerken]

Veel van de geschiedenis van voor de komst van de Europeanen is onduidelijk bij gebrek aan geschreven bronnen, maar de archeologie, met name in plaatsen als Hertenrits heeft toch een aantal zaken aan het licht gebracht.

West-Suriname was lange tijd het oostelijk grensgebied van eerst de Saladoïde en daarna de Barrancoïde aardewerktraditie. De vondsten in Wonotobovallen laten eerst de ene en daarna de andere cultuur zien. In het kustgebied waren er terpbewoners tussen de 4e en 13e eeuw. De oudste vondsten zijn van de terpen Buckleburg-I en II en dateren van 1845±45 BP. Deze terpen waren omgeven door vrijwel vierkante verhoogde akkers. Het aardewerk behoort tot de Barancoïde traditie. De jongste sporen daarvan zijn van ongeveer 700 AD. Even ten westen daarvan ligt Hertenrits en een aantal andere terpen met een volkomen andere traditie en lange, smalle verhoogde akkers. Het lijkt erop dat er rond 700 een nieuw volk zich is komen vestigen met een Arauquinoïde traditie die herkenbaar uit streken verder westelijk stamt (Venezuela). Zij cultiveerden vooral cassave, naast een veelheid aan andere planten. Verder oostelijk in Peruvia zijn ook vondsten van deze Vroege Hertenrits-cultuur aangetroffen, maar daar zijn ook elementen van de Kwatta Tingiholo-cultuur te vinden die eerder met Centraal-Suriname in verband staat. Mogelijk waren er handelsbetrekkingen die natuursteen vanuit het binnenland naar de steenloze kuststreken bracht. De Arauquinoïde traditie breidde zich verder naar het oosten uit, er zijn ook resten ervan op het eiland Cayenne gevonden. Deze uitbreiding dateert vooral van de periode 1000-1250.[1]

Kolonisatieperiode (1492-1975)[bewerken | brontekst bewerken]

venster van de Canon van Zeeland over de verovering van Paramaribo door Abraham Crijnssen

De eerste Europese kustverkenningen werden in 1499-1500 uitgevoerd door de Spaanse ontdekkingsreiziger Alonso de Hojeda, gevolgd door Vicente Yáñez Pinzón en Diego de Lepe die beiden de noordkust van Brazilië volgden tot aan Trinidad. De Spanjaarden toonden verder geen interesse in Suriname. Een eeuw later gingen Engelse ontdekkingsreizigers op instigatie van Walter Raleigh op zoek naar naar het mythische goudland El Dorado. Laurence Keymis zeilde in 1596 in opdracht van Raleigh de Corantijn op en Unton Fisher in 1609 in opdracht van Robert Harcourt de Marowijne.

Op 23 april 1593 kwam het gebied Guyana officieel in bezit van Filips II van Spanje door Domingo de Vera. De Britten plaatsten hun vlag namens Jacobus I in 1609. Vanaf die tijd werd er door Europese planters geprobeerd om zich te vestigen in Suriname.[2] In 1613 werd in Paramaribo, waar al een inheemse nederzetting was, een Amsterdamse factorij gevestigd.

Rond 1640 vestigen zich aan de Cassiporakreek de eerste Joden. Zij zijn voor vervolging door de Spaanse Inquisitie uit Spanje gevlucht en beginnen met de aanleg van suikerrietplantages waarop zij ook slaven houden. Rond 1650 komt een tweede groep Joden, dit keer uit Engeland onder aanvoering van Francis Willoughby. Een derde groep, onder leiding van David Cohen Nassy, komt uit Mauritsstad (Brazilië) naar Suriname. De Britse kolonie tussen de Coppename en de Marowijne krijgt in 1662 in een Charter van Karel II de naam Willoughbyland en heeft als hoofdstad Torarica. Als de Fransen in 1664 Cayenne op de Nederlanders veroveren, vestigen ook vele joden uit dat gebied zich in de Jodensavanne.

Nederlandse kolonie[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Geschiedenis van Nederlands-Guiana voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Zie ook: Suriname (kolonie) en Suriname (Koninkrijk der Nederlanden)

In 1667 rustten de Staten van Zeeland een vloot van zeven schepen onder leiding van Abraham Crijnssen uit, die Suriname met een verrassingsaanval op de Engelsen veroverde. Een jaar later zou Suriname, dat met de Engelsen werd geruild voor Nieuw-Amsterdam (het latere New York), definitief WIC-bezit worden.

Tot de achttiende eeuw waren er geen noemenswaardige nederzettingen in het westen van het huidige Suriname. Plantages daar zouden niet beschermd zijn tegen overvallen vanuit de zee en er was genoeg grond in het oosten, waar Fort Nieuw-Amsterdam voor veiligheid zorgde. De eigenlijke Surinamekolonie beperkte zich tot de Suriname- en Commewijne (rivier) en hun zijtakken.

In 1753 gaf de Amsterdamse bankier Willem Gideon Deutz een West-Indische plantagelening van een miljoen gulden uit.[3] Waarschijnlijk heeft J.J. Mauricius nog tijdens zijn gouverneurschap in Suriname dan wel tijdens zijn verblijf in de Republiek in 1751 Deutz aangespoord krediet aan de planters te verschaffen. Amsterdam stortte 30.000 gulden in het fonds. Het krediet groeide tot vier miljoen aan en stelde de planters in staat van schuldeiser te veranderen. De planters verplichtten zich al hun producten aan de "Voorschotbank", dat wil zeggen Deutz, in bewaring te geven, die ze tegen een commissieloon van 2% zou verkopen. Er meldden zich in 1758 volgens een omstreden notitie 89 planters, die voor 4.628.365 gulden bij Deutz in het krijt stonden.

De negotiatie had de vorm van een hypotheek waarvan de hoogte werd bepaald door de waarde van de grond, slaven en oogst.[4] Deutz heeft waarschijnlijk in afwachting van betere tijden de achterstallige interest uit eigen beurs aan de obligatiehouders betaald. Vermindering of uitstel van interestbetaling en aflossing aan de obligatiehouders zou immers de koers doen zakken en de negotiatie een slechte naam bezorgen.[5] De door Deutz verschafte plantagelening is nog door vele andere gevolgd, maar bij zijn overlijden bleken zijn zaken in geëmbrouilleerde staat te verkeren, zodat zijn erfenis door de erfgenamen onder voorwaarden, aanvaard werd.

Kaart van De Lavaux uit de 18e eeuw

De Sociëteit van Suriname (officieel Geoctroyeerde Sociëteit van Suriname) was een particuliere Nederlandse koloniale onderneming die verantwoordelijk was voor het beheer van de kolonie Suriname. De Sociëteit van Suriname werd in 1683 in Amsterdam opgericht.

In de koloniale periode werden vele plantages opgericht waar slaven aan het werk werden gezet om koffie, suikerriet en specerijen te verbouwen, die vervolgens in Europa werden verkocht. Jaarlijks vluchtten er ongeveer 250 slaven, wat neerkwam op ongeveer een half procent van de slavenbevolking. De grote meerderheid – zo’n negentig procent – van deze vluchtelingen was van het mannelijk geslacht. Twee derden keerde na verloop van tijd uit eigen beweging terug, omdat het harde en opgejaagde bestaan in het oerwoud toch niet vol te houden bleek. Dat neemt niet weg dat elk jaar ongeveer tachtig vrije slaven (marrons) in de oerwouden achterbleven.

In 1720 onderzocht Salomon Herman Sanders in opdracht van gouverneur Jan Coutier de bovenloop van de Corantijn naar goudvoorkomens.[6]

De Pruisische cartograaf Alexander de Lavaux kreeg in 1734 de opdracht een kaart te vervaardigen van geheel Suriname, met een correct overzicht van het grondbezit en de ligging van de plantages. In 1735 werd De Lavaux uitgenodigd om zijn kaart in Amsterdam in koper te graveren. Voor het eerst stonden alle cultuurgebieden in de omgeving op één kaart ingetekend. In de binnenlanden staan onder meer wegloopersdorpen afgebeeld, die in brand staan en andere getuigenissen van acties tegen Marrons, waarbij De Lavaux betrokken was geweest. Naast de grote nauwkeurigheid was de kaart van De Lavaux van extra importantie door de lijst met de namen en grootte van 440 plantages en de namen van hun eigenaren.

Paramaribo in 1737

In 1735 arriveerden de eerste zendelingen van de Evangelische Broedergemeente in Suriname. Dat kon gebeuren omdat Nikolaus von Zinzendorf bevriende relaties had met het bestuur van de Geoctroyeerde Sociëteit van Suriname. Kort daarna, in 1740, gaf de gereformeerde kerkenraad in Amsterdam toestemming voor de oprichting van een Lutherse gemeente in Paramaribo. Tot die tijd was de Nederduitse Gereformeerde Kerk (NG-kerk) het enige kerkgenootschap in Suriname, met tot 1700 als zetel de oude hoofdstad Thorarica. De NG-kerk was een kolonistenkerk die niet aan zendingswerk deed.[7]

Zie Marrons van Suriname voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Gevluchte marrons voerden in de 18e eeuw vanuit het oerwoud regelmatig overvallen uit op plantages. Om die reden werd het Cordon van Defensie rondom Paramaribo aangelegd. Nadat de Ndyuka op 10 oktober 1760 en de Saramaccaners in 1762 vrede sloten met de koloniale overheid, scheidde een groep onder leiding van de kapiteins Beku en Musinga zich af. Om van hun overvallen op plantages gevrijwaard te blijven, werd in 1769 een apart vredesakkoord met hen gesloten en sindsdien worden zij als een afzonderlijke stam beschouwd: de Matawai. In Oost-Suriname bleven de Boni-marrons actief, wat in 1771 leidde tot een jaar lang beleg en opvolgende inname van Fort Boekoe door het koloniale leger, hun leider Boni vluchtte naar de Marowijnerivier. Met de Boni-marrons werd pas in 1860 formeel vrede getekend.

Na de opheffing van de WIC in 1791 bleef de Sociëteit van Suriname nog vier jaar bestaan. De laatste directeur was de uit Zweden afkomstige Johannes Fåhraeus. Bij de invoering van de Bataafse Republiek werd de werkwijze van de Sociëteit niet langer aanvaardbaar geacht. In november 1795 werd de Sociëteit formeel opgeheven en overgedragen aan de Representaten van het volk.

Brits intermezzo[bewerken | brontekst bewerken]

Tijdens de Franse bezetting van Nederland verzette gouverneur de Friderici zich niet tegen de Britten die in 1799 Suriname binnenvielen, de Britten handhaafden hem als gouverneur. Tijdens deze Britse periode werd de linkeroever van Corantijn gedefinieerd als grens met het eveneens bezette Berbice. In 1802 bij Vrede van Amiens werd Suriname teruggeven aan Nederland, Berbice bleef in Britse handen.

Tweede Nederlandse periode[bewerken | brontekst bewerken]

Paramaribo in 1853, voor het begin van de verkavelingen

Op 1 juli 1863 kwam met de inwerkingtreding van de Emancipatiewet een einde aan de slavernij, en begon een tienjarige periode van Staatstoezicht. De officiële reden was, dat deze tijd nodig zou zijn om de vrijgemaakten te leren regelmatig te werken en een zedelijk leven te leiden. Maar ook het belang van de plantages speelde een grote rol: men wilde de tijd gebruiken om vervangers te vinden. Deze werden uiteindelijk gevonden in de vorm van Hindoestaanse en Javaanse contractarbeiders.

De voormalige slaven waren er tijdens het staatstoezicht slechter aan toe dan voor de emancipatie. Ze konden nu kiezen voor wie ze "wilden" werken, maar kregen voor dit werk slechts een ontoereikend loon. Naast de verplichting te werken, nam de regering ook meerdere maatregelen om te verhinderen dat de vrijgemaakten zich aan het veldwerk zouden onttrekken. Ze mochten zich enkel met toestemming van het koloniale en plantersgezag verplaatsen en er kwam een einde aan het lotsverbeteringsbeleid. Na het staatstoezicht kwamen een aantal plantages in handen van de voormalige slaven, de eigenaren konden of wilden het loon niet betalen. Ze betaalden uiteindelijk door de grond over te dragen. Dit is met name in district Para gebeurd. Daarom zijn een aantal plantages tot op de dag van vandaag in bezit van de nakomelingen en worden deze bestuurd door een plantagebestuur.

Gouddelven in Placer de Jong (1880-1900)

Toen in de jaren '80 van de 19e eeuw belangrijke goudvondsten werden gedaan in de Lawadelta, rees het probleem welke rivier beschouwd moest worden als de bronrivier van de Marowijne, de Lawa of de Tapanahony. Was het gebied van Suriname of van Frans-Guyana? De kwestie werd onderworpen aan arbitrage van tsaar Alexander III van Rusland, die in 1891 het gebied aan Suriname toewees. Nog meer Surinamers trokken nu naar dat gebied, wat ook een impuls betekende voor de stad Albina. Goudvondsten aan de Sarakreek leidde tot de aanleg van de Landsspoorweg in 1914.

In de afgelopen eeuwen waren runderen in Suriname relatief klein van stuk met een gewicht van rond de 250 kg. De dieren hadden een roodachtige tot gele kleur en kenden een kleine opbrengst van vlees en melk. Om die te verbeteren werden door plantagedirecteuren stieren uit Nederland geïmporteerd. Later, in 1935, in 1949 en in de jaren erna, volgden importen uit Nederland en verschillende landen in de Cariben en Noord-Amerika. Aan het eind van de jaren 1960 waren er circa achtduizend bedrijven waar bij elkaar bijna 40.000 runderen voor vlees en melk werden gehouden.[8]

Onafhankelijk Suriname (sinds 1975)[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Surinaamse onafhankelijkheid voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Onafhankelijkheid kwam in Suriname eerst ter sprake toen eind jaren 50 van de twintigste eeuw intellectuelen van zich lieten horen. De Partij Nationalistische Republiek sprak zich uit voor een zo spoedig mogelijke onafhankelijkheid. Volgens deze partij moest Nederland actief meewerken om het kolonialisme te beëindigen.

In 1969 kwam een coalitie van VHP en de PNP aan de macht. Deze regering vond onafhankelijkheid geen goed idee, maar wilde wel voorbereidingen treffen. Maar de ontwikkelingen gingen anders. In 1973 kwam de coalitie van VHP en PNP ten val. De NPS kwam in 1973 aan de macht. Premier Henck Arron wilde niet later dan "ultimo 1975" Suriname onafhankelijk verklaren. De VHP en VHP-voorman Jagernath Lachmon waren toen in Nederland. Zij vonden Arrons verklaring alleen geschikt voor "binnenlandse consumptie".

Toen in 1973 in Nederland het kabinet-Den Uyl aantrad, kwam de Surinaamse onafhankelijkheid in een stroomversnelling. De Nederlandse regering onder leiding van de sociaal-democraat Joop den Uyl vond het hebben van koloniën niet langer kunnen en stuurde aan op een versnelde onafhankelijkheid van Suriname. Op 25 november 1975 was het zover. Op die dag streek men de Nederlandse vlag voor het laatst en werd Suriname een onafhankelijke republiek. Later die dag werd Johan Ferrier, de laatste gouverneur, beëdigd tot president.

Behalve restanten van plantages zijn er vele houten monumenten in het centrum van Paramaribo bewaard gebleven. Tezamen zijn deze sinds juli 2002 als de historische binnenstad van Paramaribo ingeschreven op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO. Zie voor een uitgebreider overzicht onderstaande lijsten:

Sinds 1 juli 2018 zijn de digitale slavenregisters van de voormalige tot slaaf gemaakte Surinaamse voorouders in te zien. Het register kan geraadpleegd worden via het Nationaal Archief in Nederland en dat in Suriname. De registers bevatten ongeveer 80.000 namen van tot slaaf gemaakte Surinaamse voorouders die tussen 1830 en de afschaffing van de slavernij (in 1863) geleefd hebben. Zij staan met naam, geboortedatum, sterfdatum en namen van vaders en moeders in die slavenregisters genoteerd.[9] Tevens zijn de databases "Manumissies in Suriname 1832-1863" en "Surinaamse Emancipatie 1863" via de site van het Nationaal Archief Den Haag beschikbaar. Deze twee databases, de eerste van drs. Okke ten Hove en de tweede door Ten Hove in samenwerking met Heinrich Helstone, zijn onontbeerlijk om gegevens in de slavenregisters terug te kunnen vinden.

Overige onderwerpen[bewerken | brontekst bewerken]


Externe links[bewerken | brontekst bewerken]