Geschiedenis van de Nederlandse slavernij

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Bioscoopjournaal uit 1963. Viering van de Emancipatiedag op het Oranjeplein te Paramaribo ter gelegenheid van de afschaffing van de slavernij 100 jaar eerder.

De geschiedenis van de Nederlandse slavernij gaat over de slavernij in Nederland zelf, maar ook over de totstandkoming van de slavernij buiten Nederland en de rol van Nederland daarin.

Juridische kwestie[bewerken]

Slavernij is een maatschappelijk verschijnsel waarin personen eigendom zijn van een ander persoon. Slaven vallen dus onder het eigendomsrecht. Uiteraard heeft niet iedere samenleving dat eigendomsrecht op eenzelfde manier vastgelegd, maar de benadering is hetzelfde. Slavernij is overal op de wereld voorgekomen. Dat slaveneigenaren het recht hadden om tot slaaf gemaakten op een bepaalde manier te behandelen, betekende niet noodzakelijk dat dit ook werd geaccepteerd door de samenleving. Brandmerken in het gezicht werd bijvoorbeeld door de Romeinen wettelijk toegestaan, maar als immoreel ervaren.

In (middeleeuws) Europa onderscheidden slaven zich van lijfeigenen, horigen en vrijen. Elk van deze kan gezien worden als een volgende stap op een schaal naar wat tegenwoordig een vrij persoon genoemd wordt. Het is niet zo dat deze stappen ook zo gemaakt werden. Het is meer zo dat een persoon afhankelijk van zijn rechten in een van deze groepen werd ingedeeld.

Slavernij in de Lage Landen[bewerken]

Zowel de Kelten als de Germanen kenden een maatschappij van edelen, vrijen, halfvrijen (laten) en slaven en ook gedurende de Romeinse tijd werden er slaven gehouden. Ook de Friezen handelden in slaven, die vooral bestemd waren voor de slavenmarkten in Spanje en Caïro. Slavernij zou blijven bestaan tot in de late middeleeuwen, toen pauselijke decreten het tot slaaf maken van Christenen verboden.

Tijdens de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was het houden van tot slaaf gemaakten in de Lage Landen een grijs gebied. In de zestiende eeuw werd, volgens de zestiende eeuwse Leuvense professor Petrus Gudelinus, in Mechelen een ontsnapt tot slaaf gemaakt persoon bevrijd, onder de redenering dat slavernij niet erkend werd in de Lage Landen.[1] In de praktijk werd deze uitspraak vaak genegeerd: plantage-eigenaren namen met regelmaat tot slaaf gemaakten naar Nederland. Alhoewel zij zich tot de rechtbank konden wenden om hun vrijheid op te eisen, gebeurde dit zelden. Zelfs in gevallen waar tot slaaf gemaakten hun vrijheid probeerden op te eisen lukte dit niet per definitie. In 1736 ontsnapte een tot slaaf gemaakte genaamd Claes uit Curacao, als verstekeling op een schip naar Nederland. De Hoge Raad stelde echter dat hij eigendom van slavendrijver Paulina Meyer zou blijven omdat hij een dief van zichzelf (fur sui ipsus) en gestolen eigendom (res furtiva) zou zijn.[1]

In 1776 publiceerde de Staten Generaal een resolutie die wettelijk vaststelde dat tot slaaf gemaakten in Nederland niet automatisch hun vrijheid kregen, omdat "de eigenaren van de slaven (..) vaak tegen hun wil en dank worden ontzet van hun goederen die hun wettelijk toebehoorden. Hetgeen tegen de aangeboren en daadwerkelijke vrijheid van bewoners van deze Republiek ingaat." Zo lang eigenaren niet de intentie hadden om hun eigendom te bevrijden, en hun verblijf in Nederland of korter dan zes maanden was, of zij een verlenging van die periode kregen van de rechtbank, bleven de tot slaaf gemaakten onvrij.[2]

Nederlandse slaven[bewerken]

"Turkse slaverny en Gevanknis" door Pieter van der Aa, gemaakt te Leiden, circa 1725

Nederlanders werden na de middeleeuwen ook tot slaaf gemaakt.[3][4] Met name Noord-Afrikaanse kapers en handelaren, ook bekend als Barbarijse zeerovers, die onder de vlag van het Osmaanse Rijk opereerden, hadden het gemunt op Europeanen voor onder andere bouwprojecten en als galeislaaf. Ook werden ze niet zelden gevangen gehouden met het oog op het verkrijgen van losgeld van familie of geloofsgenoten. Deze christenslaven werden zowel gevangengenomen bij het kapen van zeeschepen, alsook geroofd van de Europese kusten, waaronder de Nederlandse. Zelfs uit IJslandse en Noord-Amerikaanse kustgemeenschappen zijn aanvallen gemeld.

Het probleem van de roof van Europese slaven was met name groot in de zeventiende en achttiende eeuw. Onder de naar schatting 1 à 1,25 miljoen personen die in die periode als slaaf gevangengenomen zijn, waren ongeveer 10 à 12.000 Nederlanders.[5]

Atlantische slavenhandel[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Trans-Atlantische slavenhandel en Gouden Eeuw (Nederland) voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.
Canon van Zeeland, venster 32 Slavenhandel en Slavernijmonument, 1731

Het aandeel van de Republiek in de Atlantische slavenhandel was gemiddeld zo’n vijf procent, ongeveer 500.000 mensen. De slavenhandel door de West-Indische Compagnie (WIC) heeft vooral in de beginjaren bijgedragen aan de status van de Nederlanden als economische wereldmacht.

Al in 1528 werd een asiento of contract afgesloten tussen de Spaanse kroon en de waarschijnlijk Zuid-Nederlandse kooplieden Willem Sailler en Hendrik Eynger, om gedurende vier jaar vierduizend slaven van Afrika naar het Caraïbische gebied te brengen. De slavenhandel werd echter aanvankelijk immoreel gevonden in de Nederlanden. Het was tegen de christelijke normen en waarden en aanvankelijk hield men zich hier buiten.

In de strijd tegen de Spanjaarden en de Portugezen was de kaapvaart legitiem. Dit was na de oprichting in 1621 de voornaamste doelstelling en inkomstenbron van de West-Indische Compagnie (WIC). Tussen 1623 en 1636 werden 547 Spaanse en Portugese schepen gekaapt. Daarna werd het Groot Desseyn ontwikkeld, het grote plan. De Portugese suikerhandel vanuit Brazilië moest ondermijnd worden door de slavenhandel over te nemen. Met de verovering van de Zilvervloot in 1628 was er voldoende geld beschikbaar. Tussen 1630 en 1634 werd Recife met een groot deel van de Braziliaanse kust veroverd, dit werd Nederlands-Brazilië. In 1637 werd het fort te Elmina aan de Goudkust veroverd, het grote Portugese slavenhandelbolwerk. De eeuwen erna zou dit fort een van de centra van de slavenhandel van de WIC vormen. In 1641 werd ook Luanda veroverd op de Portugezen. Rond 1700 bezat de WIC een twaalftal handelsforten aan de West-Afrikaanse kust.

De Nederlandse slavenhandel nam grote vormen aan, waarbij men in het Bijbelboek Genesis 9 - waarin de nakomelingen van Cham tot slavernij vervloekt worden - de rechtvaardiging vond. Om de suikerproductie in stand te houden, konden veel Portugese plantagehouders in het veroverde deel van Brazilië hun plantage behouden. Hiervoor waren particuliere slaven nodig. De opvattingen over de slavenhandel bleken rekbaar veranderd; niet-christenen mochten als slaaf worden verkocht.

Vanaf 1640 begon de slavenhandel met Brazilië in te zakken en werd de handel verlegd naar de Spaanse koloniën in Amerika. Aanvankelijk vervoerden Nederlandse handelaren slaven naar Buenos Aires en Rio de la Plata in het huidige Argentinië, later werd ook het Caribische gebied doel van de slavenhandel.

Toen in 1654 Brazilië werd heroverd door Portugal, waren er al zo’n 25.000 slaven aangevoerd. De suikerrietteelt werd na deze herovering overgebracht naar het Caribisch gebied en het in 1634 veroverde Curaçao werd toen het Nederlandse verzamelpunt voor slaven. Na de Engelse verovering van Jamaica in 1655 werd het een belangrijke doorvoermarkt van slaven voor de Spaanse kolonies. Er werden ook nieuwe afnemers gevonden in de Engelsen en Fransen die tabak verbouwden op de door hen veroverde eilanden in de Caraïben en in Virginia, maar de meeste slaven gingen naar Suriname, dat vanaf 1668 definitief in Nederlandse handen was.

Curaçao[bewerken]

In 1662 sloot Spanje een asiento met Domingo Grillo en Ambrosio Lomelino om slaven uit Afrika te verhandelen. Grillo en Lomelino huurden de WIC in om slaven van de Afrikaanse kust naar Zuid-Amerika aan te voeren. In het contract met de WIC werd vastgelegd dat de Hollanders gedurende 7 jaar 24.000 slaven zouden aanvoeren, circa 3500 slaven per jaar, waarbij Curaçao de tussenhaven zou zijn. Die aantallen werden echter lang niet gehaald: het gemiddelde aantal aangevoerde slaven lag eerder in de buurt van 700 per jaar.

In Curaçao werden de slaven aan een kwaliteitscontrole onderworpen. Slaven werden ingedeeld naar een zogenaamd pieza de Indias, een maatstaf voor het arbeidsvermogen van een slaaf. Daarna werden de slaven aan Spaanse handelaren verkocht en naar de Spaanse koloniën vervoerd. Ook met de volgende eigenaren van het asiento sloot de WIC leveringscontracten. Door deze asiento-handel verkreeg de Republiek tussen 1660 en 1690 zo’n 30% van de slavenhandel. De totale aantallen waren echter nog beperkt; in de periode van 1658 tot 1674 werden naar schatting in totaal 45.700 slaven naar de West vervoerd.

Een belangrijke factor in de Nederlandse slavenhandel werd het Coymans asiento. Balthasar Coymans leidde een filiaal van het Nederlandse handelshuis Coymans in Cádiz. Hij startte een lastercampagne om de Venetiaan Nicolas Porcio, die op dat moment de eigenaar van het asiento was, in een kwaad daglicht te stellen. Dat lukte en Coymans verkreeg in 1685 zelf het monopolie op de slavenhandel voor de Spaanse overzeese gebiedsdelen. Hij schakelde eveneens de WIC in om de slaven vanuit Afrika aan te voeren, zodat de Spaanse slavenhandel nu een volledig Nederlandse aangelegenheid was geworden. Coymans was verplicht ieder jaar 3000 piezas af te leveren, maar in de eerste drie jaar van het contract werden in totaal slechts 4896 piezas van de verwachte 9000 afgeleverd. Coymans overleed in 1686, de Spanjaarden verloren het vertrouwen in zijn opvolger en bleven achter met hun betalingen. In 1688 ging het alleenrecht terug naar de vorige eigenaar, Nicolas Porcio.

In 1689 verklaarde de WIC Curaçao tot een open markt. Kooplieden van alle nationaliteiten waren nu welkom, maar omdat de handel nu slechts op de vrije markt kon plaatsvinden, was handel met de Spaanse koloniën niet meer mogelijk. De WIC sloot in 1689 en 1691 nog wel enkele contracten met Porcio, maar aantallen waren beperkter dan voorheen. In 1697 werd nog een contract gesloten met de Real Compañía de Cacheu, de opvolger van Porcio, voor de levering van 2500 tot 3000 slaven per jaar, maar Curaçao was voor dat contract geen doorvoerhaven meer. In 1699 werd het contract nog eens voor twee jaar verlengd.

In de achttiende eeuw groeide de slavenhandel enorm. Er waren jaren dat er meer dan honderdduizend slaven werden vervoerd. Frankrijk en Engeland namen echter de positie over van de Republiek, zoals dat ook ging met de overige handel. De slavenhandel bleek ook niet erg winstgevend voor de Nederlanders, in tegenstelling tot de Engelsen. Dit kwam mede door de hoge sterfte onder de slaven op de overtocht. Het kwam voor dat 30% van de slaven stierf aan boord van de schepen. De ellendige omstandigheden die al uit dit cijfer spreken, werden verwoord in een anoniem citaat van een opvarende:

"Vochtig weer en sterken wind belet hebbende de luchtgaten te openen begonnen koortzen en roode loop de negers te plaagen…hun vertrek was zoo ondraaglijk heet, dat ik er maar een oogenblik in konde verblyven. De hitte alleen maakte dit niet onmogelyk; de planken waren zoo met bloed bevlekt dat deze arme menschen als het ware daarin zwommen... Als zy door de ziekte door hun vel en hun vleesch komen, kwynen zy nog enige tyd in die toestand; door het liggen op de planken, waardoor de uitstekende knoken, vooral by de zieken, dikwijls ontveld worden, treedt dikwijls koud vuur in, totdat de barmhartige God hen den dood toezend, om dit leven van ellende te eindigen".

Einde centrale positie Curaçao als slavenmarkt[bewerken]

Het duurde tot 1708 voordat opnieuw een toeleveringscontract aan de WIC werd aangeboden. Gedurende de Spaanse Successieoorlog, toen Nederland weer in oorlog raakte met Spanje en Frankrijk, verkregen de Franse bondgenoten het asiento van Spanje. Deze benaderden de WIC, maar de opdracht vond geen doorgang omdat de WIC bang was dat Curaçao door Fransen onder de voet zou worden gelopen. Toen in 1713 het asiento aan Engeland werd verleend betekende dat het verval voor de handel via Curaçao. Engeland had zijn eigen marktplaats. Aanvankelijk had de WIC het monopolie op de slavenvaart. In 1730 gaf de WIC echter het monopolie op het vervoer van slaven van Afrika naar Zuid-Amerika op en in 1738 ook het monopolie op de slavenhandel. Wel dienden de anderen recognitiegelden te betalen aan de WIC. Vooral de Zeeuwen namen daarna de slavenvaart over, waarbij de Middelburgse Commercie Compagnie een belangrijke rol had.

In 1713, direct na de Spaanse Successieoorlog kwam er abrupt een einde aan de centrale positie van Curaçao als regionale slavenmarkt. Er arriveerden gedurende de daaropvolgende jaren nog wel slavenschepen, maar de verkoop stagneerde. In 1716 liep het aantal onverkochte negotieslaven (slaven die onder het WIC-contract waren aangevuld) op tot boven de 800. Eind dat jaar brak een opstand uit onder negotieslaven op de WIC-plantage Santa Maria. Deze werd snel onderdrukt en de opstandelingen werden gevangengenomen en geëxecuteerd.

Na de Zevenjarige Oorlog van 1763 droogde de slavenhandel met de Spanjaarden op Curaçao grotendeels op. Dat de slavenhandel ondanks de lage winstmarges werd voortgezet, kwam onder andere doordat veel handelaars ook belangen hadden in plantages in Suriname. Hiervoor hadden zij de slaven nodig. Het was dus voldoende als er winst werd behaald met de plantage.

Slavenopstand op Curaçao[bewerken]

Op 17 augustus 1795 weigerden enkele tientallen slaven onder leiding van Tula om aan het werk te gaan op de plantage Knip. Slaven van naburige plantages sloten zich bij de opstand aan. Een eerste gewapend treffen met koloniale troepen, waaronder ook eenheden van de vrije marrons en de vrije slaven, werd door de opstandelingen gewonnen. In onderhandelingen eisten de slaven hun vrijheid. De daarop volgende confrontaties werden in het nadeel van de slaven beslecht. Na een laatste gevecht op 31 augustus was de opstand neergeslagen. De twee leiders Tula en Karpata werden door medeslaven opgebracht en vervolgens door het lokale gezag terechtgesteld, evenals 29 andere opstandelingen. Het is niet onmogelijk dat de opstand op Curaçao was geïnspireerd door de opstand in Frans Saint-Domingue (Haïti) of de opstand die kort daarvoor in Coro in Venezuela plaatsvond. Na de opstand werd een beschermende slavenwetgeving op Curaçao uitgevaardigd, waarin onder meer de verstrekking van voedselrantsoenen en kleding alsmede werk- en rusttijden werden geregeld.

Slavernij in Suriname[bewerken]

Nederlandse slavenhouders in Suriname stonden als wreed bekend. In 1797 schreef de Schot in Nederlandse dienst, John Gabriël Stedman, het boek Narrative of a five years expedition against the Revolted Negroes of Surinam. Dit door Johannes Allart als Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana vertaalde boek (verschenen in 1799-1800), werd door de beschrijving van de mishandelingen door Nederlandse slavenhouders in Suriname en door de afbeeldingen van William Blake daarvan een belangrijk wapen voor de vooral Britse voorstanders van afschaffing van slavernij.

De Sociëteit van Suriname streek een percentage op van de inkomsten verkregen uit de binnenlandse slavenmarkt. Om daar onderuit te komen was het stiekem aan land brengen van slaven niet ongewoon, deze clandestiene handel werd "lorredraaierij" genoemd.[bron?]

Marrons in Suriname[bewerken]

Vanaf de aankomst van de eerste slaven uit Afrika in Suriname lukte het sommigen van hen om het binnenland in te vluchten. Zij leerden het oerwoud en de moerassen kennen, en stichtten er ministaatjes. Van daaruit overvielen zij plantages, plunderden deze en bevrijdden slaven. De Nederlanders konden hier weinig tegen beginnen. Uiteindelijk sloot het koloniaal bestuur vanaf 1760 vredesverdragen met groepen Marrons. Bekende aanvoerders van de Marrons waren Adyáko Benti Basiton (ook bekend als Boston Bendt), Adoe, Alabi, Boni en Broos.

Slavernij in Nederlands Oost-Indië[bewerken]

Tussen 1621 en 1665 vervoerden 131 Nederlandse slavenschepen 38.441 slaven van Pulicat in India naar Batavia. Pulicat was in 1610 door de Nederlanders veroverd op de Portugezen. De Nederlanders kochten de slaven in tijden van rampspoed (droogte, mislukte oogsten, honger, natuurrampen) van hun ouders of namen hen gevangen. De prijs van een slavenkind kon zakken tot slechts 4 gulden als de oogst mislukt was. Was de oogst goed, dan kon de prijs vertienvoudigen. In dat geval vonden de Nederlandse slavenhandelaren dat niet winstgevend genoeg en ronselden Indiërs om op slavenjacht te gaan. De doodsbange jeugd vermeed markten en andere drukke plaatsen waar de kans op kidnapping groot was, en vluchtte zelfs naburige bossen in. In de droogteperiode van 1673-1677 werden er 1839 slaven verscheept van Madura naar Batavia. Jongens en meisjes werden van Thanjavur naar Ceylon, Batavia en Malacca overgebracht. Tussen 1694 en 1696 bedroeg alleen al het aantal slaven vervoerd van Thanjavur naar Ceylon 3859. Veel van de getransporteerde slaven waren katholiek, een gevolg van de evangelisatie ten tijde van de ongeveer honderd jaar Portugese periode voorafgaand aan de Nederlandse bezetting van de Coromandel.[6][7]

Einde van de slavenhandel[bewerken]

Door de economische recessie van 1773 was er een neergang van de gehele koopvaardij en daaronder ook de slavenhandel. Toen de Republiek wapens en munitie via de kolonie Sint Eustatius aan de rebellen in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog leverde, wekte dit de woede van de Britten. Toen dezen vervolgens in 1780 de zojuist benoemde Amerikaanse ambassadeur Henry Laurens oppakten, op weg naar de Republiek, grepen ze een geheim verdrag tussen de stad Amsterdam en de rebellen in zijn bagage aan om de Republiek de oorlog te verklaren. Engeland vreesde bovendien dat de Republiek zich zou aansluiten bij het Verbond van Gewapende Neutraliteit, waardoor de handel met de Amerikanen nog meer beschermd zou worden. De Vierde Engels-Nederlandse Oorlog mondde uit in een nederlaag voor de Republiek en had grote gevolgen voor de Nederlandse koopvaardij en daarmee de slavenvaart. De Britten kaapten veel Nederlandse schepen, waardoor de slavenhandel sterk terug viel. In 1784, na de oorlog, werd de slavenhandel weer opgenomen. Dit was echter van korte duur, doordat de Fransen in 1795 Nederland binnenvielen. De Britten kwamen weer in oorlog met de Bataafse Republiek, die nu bondgenoot van de Fransen was. In 1802 werd door de Vrede van Amiens een hervatting van de handel mogelijk, maar toen de Britten de Fransen weer de oorlog verklaarden in 1803 kwam het einde van Nederlandse slavenhandel. Zoals in de periode van 1799 tot 1802 kwamen de Nederlandse plantages onder Brits protectoraat. Deze werden ook voorzien van slaven door Britse slavenhandelaars.

Argumenten[bewerken]

Tegen het einde van de 18e eeuw begon er steeds meer protest te klinken tegen de slavernij. De lange zeereizen onder slechte omstandigheden zorgden voor veel slachtoffers. Regelmatig werd er schipbreuk geleden. Vooral christelijke groeperingen vestigden de aandacht op de slechte leefomstandigheden van de slaven. Maar er was ook protest over de ontberingen die de militairen leden die toezicht moesten houden op de slaven. Zowel in Afrika als in Midden-Amerika werden militairen geveld door tropische ziekten.

Op economisch gebied werd de slavenhandel minder interessant door opkomst van de Europese suikerbietencultuur. Afrika veranderde van een gebied waar 'grondstoffen' werden gehaald (slaven) in een potentiële afzetmarkt voor Europa. Daarvoor was stabiliteit en rust op het continent belangrijk. De ontwikkeling van landbouwmachines zorgde voor een extra reden om de slavernij af te schaffen. Door het gebruik van machines werden slaven overbodig.

Afschaffing in etappes[bewerken]

Ondertussen had het Verenigd Koninkrijk de slavenhandel verboden. Toen Willem I terugkeerde uit ballingschap, stemde hij de Britten gunstig door geen toestemming te geven voor een voortzetting van de Trans-Atlantische slavenhandel. Hierdoor waren ze bereid om de Nederlandse gebieden die tijdens de oorlogen onder Brits protectoraat waren gekomen, weer terug te geven, al behielden de Britten de Kaapkolonie. Uiteindelijk werd de Nederlandse Trans-Atlantische slavenhandel in juni 1814 afgeschaft. De legale slavenhandel binnen het Caraïbisch gebied ging echter nog gewoon door.[8]

Nederland schafte de slavernij in etappes af, eerst in de onder direct bestuurde staande delen van Nederlands-Indië met ingang van 1 januari 1860 (Wet vaststelling van het Reglement op het beleid der regering van Nederlandsch Indie), vervolgens in Suriname en de Nederlandse Antillen per 1 juli 1863 (Stb. 164, 1862). Op deze dag, ruim dertig jaar na het voorbeeld van de Britten, klonken 21 kanonschoten in Paramaribo en werden de slaven vrije mensen.[9] Op die dag kregen zo’n 35.000 slaven in Suriname en 12.000 slaven op de Nederlandse eilanden in het Caribisch gebied hun vrijheid.[10] In sommige delen van Nederlands-Indië bleef de slavernij bestaan tot in de 20e eeuw.

Ketikoti is een jaarlijks terugkerende feestdag in Suriname, en ook onder Afro-Surinamers en Afro-Antillianen in Nederland, ter viering van de afschaffing van de slavernij.

Schadevergoeding voor de slavenhouders, niet voor de ex-slaven[bewerken]

De afschaffing van de slavernij werd aangeduid met de term 'emancipatie'. Er werden feesten georganiseerd waarbij koning Willem III als sleutelfiguur en weldoener van de vrijgemaakte slaven werd gepresenteerd. De Nederlandse regering betaalde een schadevergoeding van 300 gulden per slaaf aan de eigenaar ter compensatie voor het verloren eigendom. (In Indië 50 tot 350 gulden al naargelang de leeftijd van de slaaf). In totaal bedroeg de tegemoetkoming bijna 12 miljoen gulden, ongeveer 10% van de rijksuitgaven in 1863.[10] Deze maatregel was des te wranger, omdat slavenhouders vlak voor de afschaffing extra jacht gingen maken op gevluchte slaven om zo veel mogelijk compensatiegeld op te kunnen strijken. Als alternatief voor de inzet van slaven werden door de voormalig slaveneigenaren contractarbeiders geworven in Nederlands-Indië (zie Javanen (Suriname)), India (Hindoestanen) en Chinezen (zie Chinese Surinamers). In Suriname werden de voormalige slaven voor een periode van tien jaar onder staatstoezicht geplaatst en bleven ze dus veelal op dezelfde plantages werken. Uiteindelijk waren deze slaven pas echt vrij in 1873, in plaats van het zo vaak genoemde jaartal 1863. In deze periode waren vrijgelatenen tussen de 15 en 60 jaar verplicht een arbeidsovereenkomst af te sluiten. Deze maatregel was vooral bedoeld om te voorkomen dat de voormalige slaven massaal de plantages zouden verlaten, waardoor de plantage-economie zou instorten. Pas na de periode van staatstoezicht verwierven de voormalige slaven het volledig burgerrecht.[11]

In de onder indirect bestuur staande delen van Nederlands-Indië bleef de slavernij nog voortbestaan. Op het eiland Soembawa duurde dit zelfs tot 31 maart 1910.

Tijdsverloop afschaffing slavernij Nederland[bewerken]

  • 1814Trans-Atlantische slavenhandel afgeschaft.
  • 1860Nederlands Oost-Indië – alleen in de rechtstreeks bestuurde gebieden (Ind. Stbl. 46).
  • 1863Nederlands West-Indië – slaveneigenaars ontvangen een schadeloosstelling; vrijgelatenen komen tien jaar onder staatstoezicht met verplichte arbeidsovereenkomst op de plantages (Stbl. 164 en 165).[12]
  • 1872Nederlandse Goudkust – kolonie verkocht aan Groot-Brittannië, waar de slavernij al eerder was afgeschaft.
  • 1873 – Nederlands West-Indië – staatstoezicht en verplichte arbeidsovereenkomst afgeschaft.
  • 1877 – Nederlands Oost-Indië – eiland Bali
  • 1910 – Nederlands Oost-Indië – eiland Soembawa31 maart
  • 1914 – Nederlands Oost-Indië – eiland Samosir – waarschijnlijk laatste deel van het Nederlandse koloniale rijk waar de slavernij werd afgeschaft.

Route[bewerken]

Uit Nederlandse havens vertrokken schepen naar de westkust van Afrika. Het fort Elmina (in het huidige Ghana) was een belangrijk doorvoerpunt voor de Hollanders. Daar werden de slaven ingekocht en ingescheept voor een lange reis over de oceaan. Als het schip nog niet vol was, voer men voor aanvulling nog door naar wat thans Angola is. Het grootste deel van de slaven was bestemd om als werkkracht in Suriname en de Nederlandse Antillen dienst te doen. Een kleiner deel werd doorverkocht. Dit gebeurde voornamelijk op Curaçao.

Aantallen[bewerken]

Nederland verkocht en verscheepte tussen de 550.000 en 850.000 tot slaaf gemaakten in het Atlantische gebied: eerst naar Brazilië (zie: slavernij in Brazilië), later vooral naar Suriname en de Antillen.[13] Op het hoogtepunt was Nederland de een-na-grootste slavendrijver van Afrika naar Amerika. Ook in Azië maakte de VOC en daarmee Nederland mensen veelvuldig tot slaaf. Matthias van Rossum schat dat Nederlanders zo'n 1,135.000 tot slaaf gemaakten in Azië verhandelden en misbruikten.[13]

Nationaal monument slavernijverleden[bewerken]

Het Nationaal Monument Nederlands Slavernijverleden werd op 1 juli 2002 in het Amsterdamse Oosterpark onthuld in het bijzijn van Hare Majesteit Koningin Beatrix en vele andere genodigden uit zowel binnen- als buitenland. Het monument herdenkt met name het slavernijverleden in Suriname, de Nederlandse Antillen, Aruba en de westkust van Afrika, onder andere Ghana. In 2013 werd er ook een monument voor de herdenking van de slavernij opgericht in Rotterdam. Er is nog geen gedenkteken voor de slaven die in Nederlands Oost-Indië werden gehouden.