Geschiedenis van de Nederlandse visserij en walvisvaart

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Walvisvangst door Abraham Storck
Gravure uit de 18e eeuw met Nederlandse walvisvaarders jagend op Groenlandse walvissen. Op de achtergrond is Beerenberg op Jan Mayen te zien.
De Groenlandvaarder 'Zaandam' van rederij Claes Taan en Zn, Zaandam, op de walvisvangst, 1772, Jochem de Vries.
Allegorie op de bloei van de Nederlandse visserij na de Tweede Engelse Zeeoorlog (1665-67), Willem Eversdijck ~1667. Het grote belang dat gehecht werd aan de visserij blijkt wel uit dit schilderij met daarop de Nederlandse admiraals, waarvan enkele een net met vis binnenhalen. Onder andere Adriaen Banckert en Michiel de Ruyter zijn afgebeeld.
Walvis van Saaftinge uit het Visboeck van Adriaen Coenen.
Een boomkorkotter uit Ouddorp

De geschiedenis van de Nederlandse visserij en walvisvaart gaat over hoe de Nederlandse ontwikkeling van de visserij en walvisvaart is verlopen. Het belang van vooral de haringvangst, de grote visserij, was enorm. De walvisvaart werd de kleine visserij genoemd, wat duidde op het mindere economische belang, niet op de grootte van de dieren.

Walvisvaart[bewerken]

Omstreeks 1600 zochten de Nederlanders naar een alternatieve, noordelijke route naar Azië. Die vonden ze niet, maar ze brachten wel het gebied ten noorden van Scandinavië in kaart en ze berichtten over de walvissen die ze er zagen.

Zeventiende tot twintigste eeuw[bewerken]

Vanaf de 17e eeuw begon Nederland met de commerciële walvisvaart. Willem Cornelisz. van Muyden was in 1613 de eerste succesvolle walvisvaarder. Van 1614 tot 1642 had de Noordsche Compagnie het alleenrecht. Op het eiland Amsterdam bij Spitsbergen werd voor de walvisvaart de nederzetting Smeerenburg gevestigd, van waaruit 's zomers grote hoeveelheden Groenlandse walvissen tot traan werden verwerkt. Toen dit octrooi afliep, gingen ook anderen meedoen aan de jacht op de Groenlandse walvis. Dit leidde uiteindelijk tot de bijna-uitroeiing van de Noord-Atlantische populatie van deze soort. Al rond 1670 waren er bij Spitsbergen nog zo weinig walvissen, dat de schepen moesten uitwijken naar andere gebieden. Dit bleek uiteindelijk commercieel geen succes. Nederland hield de walvisvaart voor gezien in 1873.[bron?]De Rijp was actief in de walvisvaart van 1645 tot 1798. Teruglopende opbrengsten uit de haringvisserij aan het eind van de 17de eeuw stimuleerden de overgang naar de walvisvaart. De aanvankelijke bijdrage vanuit De Rijp was relatief hoog: enkele tientallen walvisvaarders. Dit was meer dan 10% van het Nederlandse totaal. Dit aantal liep geleidelijk terug. Aan het eind van de 18de eeuw werden er vanuit De Rijp nog maar zelden meer dan vijf schepen uitgerust. De Noord-Hollandse plaatsen van waaruit in de 18de eeuw walvisvaarders werden uitgereed, waren in volgorde van belang: Amsterdam, de Zaanstreek, De Rijp, het overige Noorderkwartier. Bekende Rijper walvisreders waren Boon, Vroon en Bek. Voor de walvisvaart werden fluitschepen gebruikt, later vooral bootschepen. Deze schepen werden 's winters opgelegd bij Zaandam en in het voorjaar op de Voorzaan voor de reis uitgerust. Bij het ondieper worden van het IJ verplaatsten deze activiteiten zich naar het IJ bij Amsterdam. Bij de plaatsen van herkomst van de bemanning vallen vooral Texel, Ameland, Terschelling, Den Helder en Huisduinen op. Commandeurs kwamen echter ook wel uit de eigen omgeving: Zuid-Schermer en De Rijp.

Ook Harlingen was een belangrijke haven voor de walvisvaart. Zo vertrok er in 1652 een visserij-expeditie van dertig schepen naar de noordelijke wateren. Het gebouw De Groenlandsvaarder (aan de Harlinger Voorstraat) herinnert nog aan die tijd. Hier was de "Groenlandsch- en Straat Daevids-visscherij" gevestigd. In 1864 werd deze sociëteit opgeheven omdat de walvisvaart niet langer loonde.

Twintigste eeuw[bewerken]

Het Nederlandse aandeel in de walvisvaart liep in de loop van de 20 eeuw terug naar vrijwel nihil. Daardoor miste Nederland de ontwikkeling naar de zogenaamde pelagische walvisvaart, waarbij de jacht op en vangst en verwerking van walvissen op volle zee wordt uitgevoerd door een vloot van schepen, bestaande uit een walvisfabrieksschip en diverse vangschepen. Deze ontwikkeling betekende tevens een verschuiving van het jachtgebied van de arctische wateren rond de Noordpool (de Noordelijke IJszee) naar de antarctische wateren rond de Zuidpool (de Zuidelijke Oceaan).

Andere landen, met name Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk, namen wel volop aan deze ontwikkeling deel. In 1925 werd de "slipway" ingevoerd, waarmee gedode walvissen op een snelle manier op het dek van het walvisfabrieksschip gesleept konden worden. De fabrieksschepen namen steeds meer in grootte toe, en in het seizoen 1938/39 waren er al 34 in gebruik, met een gemiddeld tonnage van 14.000 ton. Nederland speelde hierin echter geen rol.

Pas na de Tweede Wereldoorlog werd de Nederlandsche Maatschappij voor de Walvischvaart (NMW) opgericht, die zich met een aangekocht walvisfabrieksschip en enkele vangschepen op de pelagische walvisvaart richtte. De oprichting van de NMW werd vooral ingegeven door de naoorlogse schaarste aan oliën en vetten en de onmogelijkheid om deze met de schaarse buitenlandse betaalmiddelen elders in te kopen. Tussen 1946 en 1964 heeft de NMW met de walvisfabrieksschepen Willem Barendsz (I) en Willem Barendsz (II) en een vloot vangschepen achttien expedities in de wateren rond Antarctica uitgevoerd.

Toch kwam er een kink in de kabel. Het aantal walvissen was niet oneindig. Daarom richtten de landen die meededen aan de walvisvaart, in 1946 de Internationale Walvisvaartcommissie (IWC) op. Hierin spraken ze af hoeveel walvissen er gevangen mochten worden. Juist toen de Nederland met een nieuw schip meer walvissen wilde gaan verwerken, besloot de IWC dat Nederland de walvisvangst moest beperken. Nederland stapte boos uit de commissie. Maar dat hielp niets. De vangsten liepen langzaam terug en de hoge kosten konden niet worden terugverdiend. In 1964 werd de nieuwe walvisvaarder aan Japan verkocht. Dat betekende het einde van de Nederlandse walvisvaart.

Producten[bewerken]

De belangrijkste producten van de walvisvaart waren walvistraan en balein. In de omgeving van De Rijp waren nogal wat traankokerijen. Het verwerken van het stinkende spek (tot traan) en van het slachtafval (tot lijm) gaf flink wat stankoverlast. Wij woonen in een land druipende van walvisch traan... schreven Betje Wolff en Aagje Deken omstreeks 1780 over hun toenmalige woonplaats De Rijp.

Walvisolie ('traan') werd gebruikt als lampolie en bestanddeel van (stop)verf. Het werd verwerkt tot zeep en gebruikt bij het verwerken van huiden om het leer soepel te houden. In de touwslagerij en textielnijverheid werd traan benut om de vezels bij het spinnen hanteerbaarder te maken.

Walvisbotten leverden fijne smeerolie op ('knekelolie') voor machines. De resterende ribben en kaakbenen werden gebruikt als hekken, grafzerken en wrijfpalen voor het vee, wervels als hakblokken, en schouderbladen soms als uithangbord. Op het Schermereiland gebruikte men al die botten vaak om het land op te hogen en oevers te verstevigen. Aan veel raadhuizen, dat van De Rijp niet uitgezonderd, hing een enorm kaakbeen. Balein werd vooral verwerkt tot luxe gebruiksvoorwerpen. Als balein in water was verhit, kon het in allerlei vormen worden geperst. Bekend zijn dozen, snuifdozen, mesheften, maatstokken, paraplu's, waaiers, rijzwepen, schilderijlijsten, portretmedaillons, gratentrekkers en medische instrumenten. Balein werd ook gebruikt ter versteviging van korsetten en hoepelrokken.

Noordzeevisserij[bewerken]

Haring kaken[bewerken]

Aan het eind van de veertiende eeuw begonnen de Nederlanders met haring kaken. Hierdoor bedierf de haring een stuk minder snel. In Nederland geldt Willem Beukelszoon uit het dorpje Biervliet in Zeeuws-Vlaanderen als de uitvinder, hoewel de Vlamingen rond dezelfde tijd ook al hun haringen kaakten. In 1659 bezong Vadertje Cats deze Hollandse held van de haringvisserij: 'De haring die men ving en kon niet lange duuren, (...) Maar Beuckels heeft voor eerst den haring leeren kaaken'.

Bij het haringkaken verwijderden de vissers de ingewanden van de vis, behalve de alvleesklier. Dit betekende praktisch gezien dat de haring langer vers bleef, en dus voor het eerst over langere afstanden vervoerd kon worden. Tegelijkertijd werden rond 1400 grotere schepen gebruikt, de haringbuizen, waardoor het mogelijk werd de gevangen vis alvast aan boord te verwerken.

Dit zorgde voor een omwenteling in de haringvangst: de stad Amsterdam werd er groot door. In de late Middeleeuwen bloeiden ook vissersplaatsen zoals Enkhuizen en Vlaardingen op. Daarna kwam de klad erin, onder andere door handelsoorlogen met Engeland en Frankrijk in de zeventiende eeuw en de Franse bezetting van 1795. Rond 1850 trok de haringvisserij weer aan in plaatsen als Katwijk, Noordwijk en Scheveningen. In die laatste plaats wordt nog elk jaar eind mei/begin juni Vlaggetjesdag gevierd met de veiling van het eerste vaatje Hollandse Nieuwe.

De Hollandse haring was in de 16e en 17e eeuw een belangrijk exportproduct. De visserij, de handel en de diverse nevenbedrijven profiteerden van de grote afzetmarkt in het Oostzeegebied en Noordwest-Duitsland. De haringvisserij op de Noordzee bracht Holland veel welvaart. In 1567 werd het College van de Grote Visserij opgericht, een orgaan dat de kwaliteit van de bewerkte haring bewaakte, evenals de belangen van haar leden (de steden Enkhuizen, Brielle, Schiedam, Delfshaven en Rotterdam). Vanwege het grote belang werd de haringvloot gekonvooieerd. Zo was Witte de With vanaf 1630 commandeur van de Grote Visserij. Een document dat een beeld geeft van het belang van de visserij in deze tijd is het Visboeck van Adriaen Coenen uit 1577.

Enkhuizen was omstreeks 1630 de grootste vissersplaats van Holland. De drie haringen in het stadswapen herinneren aan deze bron van welvaart. Rijkdom en praal van deze periode zijn nog goed zichtbaar in kerken en andere gebouwen in de stad.

Boomkorvisserij[bewerken]

De boomkorvisserij is in Nederland ontwikkeld na de Tweede Wereldoorlog. Vanaf de jaren 60 werd dit de toonaangevende manier van visserij. De boomkor bestaat uit een sleepnet, dat wordt opengehouden door de boom - een metalen buis aan de voorkant van het net. Vroeger werd voor deze staaf een boomstam gebruikt, vandaar ook de naam boomkor. Aan de uiteinden van de boom zitten zware stalen sloffen of sleeën, die over de zeebodem glijden. Kor betekent sleepnet. De mazen zijn aan het begin groter dan aan het eind, waardoor ondermaatse vis kan ontsnappen. Aan de boomkor zijn vaak verschillende kettingen bevestigd die ervoor dienen de platvis uit het zand op te laten 'schrikken'. Deze kettingen worden daarom wekkerkettingen genoemd. Na twee uur haalt de bemanning (circa zes personen) de netten met de onderkant naar boven aan boord en leegt de inhoud in een bak. Nadat het net weer is uitgezet, gaan de vissers de vangst grof sorteren, van ingewanden ontdoen en schoonspoelen. Zo gaat het vier etmalen aan een stuk door, dag en nacht.

Ook de mosselvisserij werkt met de boomkor. Yerseke heeft er dertig, Bruinisse twintig. Ook Zierikzee, Tholen, Hontenisse en Wieringen hebben mosselkotters.

Zuiderzeevisserij[bewerken]

Bioscoopjournaal uit 1960. Vlaggetjesdag van de IJsselmeervloot in Urk, met oa het boeten van visnetten en mensen in klederdracht. Mensen gaan aan boord van de vissersschepen en varen met de schepen het IJsselmeer op.

Aanvankelijk diende de visserij op de Zuiderzee om de omwonende bevolking te voeden. Vanaf 1800 werd het afzetgebied groter en werd de Zuiderzeevisserij economisch belangrijk voor Nederland. In dezelfde periode begonnen ook de Zuiderzeevissers op de Noordzee te vissen vanuit Urk, Volendam en Huizen. Al snel veroverden de Zuiderzeevissers de bevoorrading van Amsterdam van de kustdorpen, zoals Egmond aan Zee. Een belangrijke stimulans was de opening van het Noordzeekanaal. Al snel lagen de botters uit Urk, Volendam en Huizen voor de sluizen. Vanwege deze grote belangstelling werd er in IJmuiden een visserijhaven aangelegd. Deze haven was ook bereikbaar voor de loggers en de bommen van Vlaardingen, Scheveningen, Katwijk en Noordwijk. Rond 1900 waren er circa 2000 vissersschepen op de Zuiderzee. Het betrof meestal kleine vissersbedrijfjes met één schip per gezin. De vissers gebruikten schepen die nogal in grootte varieerden, van punters tot grote botters. Volendam had qua tonnage de grootste vloot op de Zuiderzee, daarna volgden de vissersvloten van Huizen en Urk.

In de Noordzeevisserij kwamen rond 1900 kapitaalkrachtige bedrijfsvormen op, die die van de vissers van de Zuiderzee dreigden te overvleugelen. Vooral de nieuwbouw van stalen (stoom)loggers maakte het mogelijk voor een constante aanvoer van verse vis te zorgen. Hierdoor daalden de besommingen van de Zuiderzeevissers en werden ze verdreven van de Noordzee. Alleen Urk heeft zich met geweldig veel moeite en opofferingen staande kunnen houden op de Noordzee. De steeds serieuzere plannen voor afsluiting en gedeeltelijke drooglegging van de Zuiderzee weerhielden de vissers er echter van om investeringen te doen en hun schepen te vernieuwen. Toen in 1920 de Zuiderzeewerken begonnen, was het met de Zuiderzeevisserij zo goed als gedaan. De Tweede Wereldoorlog bracht nog een kleine opleving, doordat wegens de voedseltekorten vele oud-vissers met hun opgekalefaterde schepen met een noodvergunning weer gingen vissen.

Er waren veel soorten vissersschepen. De wijze van vissen, de omstandigheden in het vaargebied en de traditie in de plaatselijke scheepsbouw bepaalden het uiterlijk van de schuiten. Het bekendste type is de botter, andere types waren de bons, blazer, kwak, aak, punter, haringschuit, schouw, pluut en schokker.

Zie ook[bewerken]

Bronnen[bewerken]