Geschiedenis van de Surinamers in Nederland

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Geschiedenis van Suriname

Wapen van Suriname



Portaal  Portaalicoon  Suriname
Portaal  Portaalicoon  Geschiedenis

De geschiedenis van de Surinamers in Nederland beschrijft wanneer en hoe de Surinamers naar Nederland zijn gekomen. Bij de onafhankelijkheid van Suriname (1975) kregen de Surinamers de keuze: Nederlander blijven of Surinamer worden. Velen kozen voor Nederland en vestigden zich overzee.

Dé Surinamer bestaat niet, zowel in Nederland als in Suriname wonen Hindoestanen, Creolen, Indianen, Javanen, Chinezen en Portugese Joden (Sefardische Joden). Tot de Tweede Wereldoorlog waren er een zeer gering aantal Surinamers in Nederland, in 1935 telde Nederland zo'n 200 Surinamers. Ze waren student, sporter of jazzmuzikant.

Na de oorlog[bewerken]

Na 1945 kwamen steeds meer Surinaamse jongeren (alleen jongens) uit de Creoolse en Joodse elite in Amsterdam of Leiden studeren. Zoals de meeste studenten woonden zij op kamers, vaak bij een hospita die hen Hollandse pot voorschotelde. Na hun afstuderen keerde een aantal ex-studenten terug naar Suriname, maar er bleven ook veel Surinamers in Nederland wonen omdat Nederland hen betere carrièreperspectieven bood dan Suriname. Tot de jaren zeventig waren de meeste Surinamers in Nederland dan ook meestal hoogopgeleid, ze werkten onder andere in de medische wereld (arts of tandarts), het onderwijs en advocatuur. In die tijd kwamen er ook avonturiers en nieuwsgierigen naar het geïdealiseerde moederland, zonder daarvoor geschikte plannen of opleiding waren ze op zoek naar fortuin wat vaak resulteerde in teleurstelling. Hun aantal was echter gering.

Vanaf het midden van de jaren zestig daalden de boottarieven van Suriname naar Nederland. De wederopbouw in Nederland verliep voorspoedig en de werkgelegenheid in Nederland groeide. Vanaf 1965 arriveerden meer laagopgeleide Surinamers in Nederland die probeerden een baan te vinden, ook de uitbreiding van de verzorgingsstaat – Nederland kende in die tijd hoge uitkeringen die vrij makkelijk werden toegekend – lokte Surinaamse migranten naar Nederland. De overheid probeerde de stroom in te dammen, maar omdat sinds de invoering van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in 1954 Surinamers de Nederlandse nationaliteit hadden konden ze niet geweigerd worden. Er kwamen in die tijd vooral Surinaamse Creolen naar Nederland. Naar het thuisfront stuurden ze flinke postpakketten waarmee ze beantwoordden aan het verwachtingspatroon van de familie. In hun zondagse pak gingen ze naast een mooie auto van een ander op de foto en stuurden deze foto's naar huis. In Suriname ontstond zo een beeld alsof het iedereen in Nederland voor de wind ging. De niet geschoolde Surinaamse Creolen hadden het echter minder goed dan ze voor deden komen: als ze al werk hadden, hadden ze vaak slecht betaalde banen als kermisklant, kleermaker, portier, barkeeper en colporteur. Ook werkten een opvallend aantal Creolen als souteneur. Juist in de jaren 70 was de heroïnehandel in Amsterdam in opkomst. Deze handel was in handen van Chinezen, Creoolse Surinamers deden vaak dienst als dealer, ook waren er onder hen een groot aantal verslaafden, zij waren vooral te vinden rond de Wallen in Amsterdam[1]. Daarnaast bestond een uitgebreid illegaal gokcircuit waar veel geld gewonnen en verloren werd: pokeren in de kroeg of gokken tijdens de paardenkoersen in Hilversum. Deze groep bestond naast de nog steeds hoogopgeleide groep die almaar groeide omdat studenten bleven komen. Deze hoogopgeleide Surinamers vonden hun plek in alle takken van het onderwijs, de medische wereld en de kunst en cultuur. Etienne Robles de Medina heeft in Utrecht als hoogleraar cardiologie baanbrekend werk verricht. Zijn broer Stuart was een bekend kunstenaar. Ronald Nobrega was de populaire vrouwenarts in de veel bekeken televisieserie over de vrouwenafdeling van een ziekenhuis in 's-Hertogenbosch en op de middelbare school las men "De stille plantage" van Albert Helman.

Na de onafhankelijkheid[bewerken]

Tussen 1970 en 1980 verhuisde een grote groep Surinamers, inmiddels ook Hindoestanen, naar Nederland. [2] Het grootste aantal kwam naar Nederland rond de onafhankelijkheid van Suriname in 1975, de vluchten van Suriname naar Nederland zaten volgeboekt en er moesten extra vluchten worden ingezet. In 1975 kwamen er 40.000 Surinamers naar Nederland.[3] Voor de Nederlanders kwam dit totaal onverwacht, men ging ervan uit dat de Surinamers gelukkig zouden zijn met de onafhankelijkheid. Het journaal toonde beelden van een bontgekleurde, zomers geklede mensenmassa met grote dozen en koffers op een winters Schiphol. Vaak waren de emigranten halsoverkop en onvoorbereid vertrokken. Nu of nooit, dachten velen. Ook was er angst voor de oplopende spanning tussen Hindoestanen en Creolen. Nog afgezien van het grote aantal Surinamers dat naar Nederland trok, was het voor de Nederlanders ook even wennen aan deze groep. Men was vooral gewend aan hoogopgeleide Surinamers en nu kwam een zeer divers gezelschap het land binnen.

De grote toestroom van Surinamers zorgde voor problemen, Nederland had geen rekening gehouden met deze toestroom en er was aanvankelijk onvoldoende opvang/huisvesting. Dit leidde vanaf 1974 tot felle protesten van Surinaamse zijde. Een groot aantal Surinamers werd tijdelijk opgevangen, onder andere in kazernes. Met de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 wilde de Nederlandse regering meteen een einde maken aan het staatsburgerschap van Surinamers, om extra migratie te voorkomen. De nieuwe Surinaamse regering ging hier niet mee akkoord. Uiteindelijk werd een overgangsregeling van vijf jaar overeengekomen. Van 1975 tot 1980 bleef vrij verkeer van personen tussen Nederland en Suriname bestaan. Deze overgangsregeling leidde tot waar Nederland zo bang voor was: een grote stroom migranten. Surinamers hadden de indruk dat Nederland zijn deuren voorgoed voor hen zou sluiten. Dit deed velen besluiten van de 'laatste mogelijkheid' gebruik te maken, eerst vlak voor de onafhankelijkheid in 1975 en daarna vlak voor het aflopen van de overgangsregeling in 1980. In totaal zouden tussen 1970 en 1980 zo’n 300.000 Surinamers emigreren naar Nederland – dat was bijna de helft van de Surinaamse bevolking. Een relatief groot aantal vooral Creolen kwam in de jaren zeventig terecht in de Bijlmermeer, een vanaf 1966 gebouwde 'modelwijk' naar een concept van Le Corbusier. Op dit moment wonen er ook veel Creolen in Almere. De Hindoestanen werden meer verspreid over het land gehuisvest, later zouden deze Hindoestanen vaak naar de grote steden trekken, vooral naar Den Haag waar zich een grote Hindoestaanse gemeenschap heeft gevormd.

Vanaf de jaren 80[bewerken]

Na 1980 kwamen er nog steeds immigranten uit alle Surinaamse bevolkingsgroepen naar Nederland, als gevolg van de verslechterde algemene toestand. In februari 1980 was de democratische regering ten val gekomen door een staatsgreep van sergeants onder leiding van Desi Bouterse. Na de decembermoorden van 1982, die een tegencoup moesten verijdelen, verslechterde de algemene politieke en economische situatie nog verder. Tussen 1986 en 1989 woedde de Binnenlandse Oorlog tussen het junglecommando van Ronnie Brunswijk en het regime van Desi Bouterse. In de jaren 90 emigreerde nog steeds een aanzienlijk aantal Surinamers naar Nederland; de politieke situatie was wat verbeterd, maar economische situatie in Suriname was nog altijd slecht.

De Surinaamse gemeenschap in Nederland telde in 2008 volgens het CBS 335.779 leden. [4] Ter vergelijking: in Suriname zelf woonden in 2008 475.996 mensen. Geschat wordt dat zo'n 48% van de Surinaamse bevolking in Nederland tot de Creolen behoort en 43% tot de Hindoestanen. De overige 9% zijn Surinaamse Javanen, Chinezen, Joden etc. [5]

Het overgrote deel van de Surinamers in Nederland is goed geïntegreerd en doet het qua werk en opleidingsniveau ongeveer even goed als de autochtone Nederlanders.

Zie ook[bewerken]