Geschiedenis van de kansrekening

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

In dit artikel wordt de geschiedenis van de kansrekening of waarschijnlijkheidsrekening besproken.

De kansrekening vindt zijn oorsprong in de frivole wereld van dobbelen en kaarten. Eerst was het Girolamo Cardano die, ten behoeve van het dobbelen, het kansrekenen ontdekte. Een eeuw later bemerkte de Franse Chevalier de Méré bij het dobbelen dat het kansrijker was om in vier worpen met één dobbelsteen minstens een keer zes te gooien, dan in 24 worpen met twee dobbelstenen minstens een keer dubbel zes. Aangezien deze kansen respectievelijk 0,518 en 0,491 zijn, toont dit wel aan wat een fervent dobbelaar De Méré was. Hij schreef hierover verongelijkt aan Blaise Pascal, een 17e-eeuwse Franse wiskundige, omdat hij dit absoluut niet had verwacht.

In de achttiende eeuw werd de waarschijnlijkheidstheorie opgezet en verrijkt door Jakob Bernoulli, Abraham de Moivre, Thomas Bayes en anderen. In deze eeuw werkte ook Pierre-Simon Laplace aan de theorie en in 1812 verscheen diens monumentale "Theorie analytique des probabilites". Het valt op dat het boek van Laplace wel begint met het uiteenzetten van "principes" van de kansrekening, maar dat er nog geen sprake is van een echt axiomatische aanpak. Het kansbegrip bij Laplace is overigens epistemologisch en men zou Laplace een "Bayesiaan" kunnen noemen.

De moderne theorie is van de hand van de Russische wiskundige Kolmogorov, die in 1934 het leerboek "Grundbegriffe der Wahrscheinlichkeitsrechnung" in het Duits publiceerde met daarin een axiomatische aanpak van de kansrekening.

Externe link[bewerken | brontekst bewerken]