Geweldsmonopolie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een geweldsmonopolie houdt in dat de staat het alleenrecht heeft om fysiek geweld te gebruiken.[1] Het geweldsmonopolie is volgens de Duitse socioloog Max Weber een van de definiërende kenmerken van een soevereine staat.

Theorie van Weber[bewerken]

Weber definieert een staat als een menselijke gemeenschap die (met succes) het monopolie claimt van het legitieme gebruik van fysieke kracht binnen een bepaald gebied.[1] Staten verbieden in principe het gebruik van geweld door hun burgers en ingezetenen, en plaatsen het recht om geweld toe te passen bij instituten als de politie en de krijgsmacht, om de orde te handhaven. Met andere woorden, volgens Weber is de staat een organisatie die er in slaagt het exclusieve recht te behouden om fysiek geweld te gebruiken, ermee te dreigen of te autoriseren aan inwoners van zijn grondgebied. Een dergelijk monopolie moet volgens Weber via een legitimatieproces plaatsvinden. Het vermogen om dit monopolie te handhaven is een belangrijke maat voor de legitimiteit en stabiliteit van een staat.

Belangrijk in de theorie van Weber is dat er ook geweld gebruikt kan worden door andere organisaties of individuen dan de staat. De connectie tussen de staat en geweld is niet altijd waterdicht geweest, zo noemt hij als voorbeeld het feodalisme, waar private oorlogsvoering was toegestaan onder bepaalde condities. De staat bestaat waar een autoriteit op een legitieme manier geweld kan autoriseren. Het kan dus ook andere organisaties de bevoegdheid geven om geweld te gebruiken. Ook zelfbescherming is bijvoorbeeld toegestaan.

Er is echter ook kritiek gegeven op de theorie van Max Weber, onder andere door Robert Hinrichs Bates.[2] Hij stelt namelijk dat de staat zelf geen macht over geweld heeft. Volgens hem hebben de mensen deze macht om te zorgen dat orde en evenwicht standhoudt. De implicatie hiervan is dat er een bepaalde grens van welzijn is in staatloze samenlevingen, die alleen kan worden overtroffen als een bepaald niveau van dwang of geweld wordt gebruikt om de complexiteit van de staat te verhogen. Met andere woorden, zonder te investeren in troepen, politie of een of ander handhavingsmechanisme, kunnen vroege staten niet genieten van de wet en orde (of welvaart) van meer ontwikkelde staten.

Andere theorieën[bewerken]

Een voorloper van het begrip geweldsmonopolie is ook al terug te vinden in de filosofie van Thomas Hobbes. Aangezet door de verschrikkingen van de Engelse Burgeroorlog (1639–1651) pleitte hij voor een absolute heerser die als enige geweld mocht gebruiken om een 'oorlog van allen tegen allen' te voorkomen. De absolute heerser mocht alleen afgezet worden als hij niet in staat was de orde te handhaven.[3]

Weber kreeg navolging van onder meer Norbert Elias, die vaststelde dat in de sociogenese (ontstaan en ontwikkeling van een maatschappij, uiteindelijk staat- en natievorming) er vanuit zelfdwang een toenemende neiging bestaat tot samenwerking tussen mensen en het beheersen van onderlinge spanningen, waarbij de staat uiteindelijk als enige mag optreden bij conflicten en zo nodig als enige geweld mag gebruiken om deze te beslechten (verbod op eigenrichting). Dit komt de gezondheid van de samenleving ten goede.[4]

Referenties[bewerken]

  1. a b Max Weber, Politik als Beruf., Duncker & Humblot, 2010. ISBN 9783428534791.
  2. (en) BATES, R., GREIF, S. & SINGH, A., 2002. Organizing Violence. Journal of Conflict Resolution 46(5).
  3. Hobbes, Thomas., Leviathan., Dover Publications, 2018. ISBN 9780486831442.
  4. Elias, Norbert, 1897-1990., Über den Prozeß der Zivilisation : soziogenetische und psychogenetische Untersuchungen, Suhrkamp, 1997. ISBN 3518582453.