Graafschap Bruningerode
| Bruningerode | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Graafschap in het Heilige Roomse Rijk | |||||
| |||||
Het graafschap Bruningerode (Frans: Brugeron) was een graafschap dat onder andere Heverlee, Tienen en Graven omvatte.
In 987/988 bevestigde keizer Otto III dat de prins-bisschop van Luik grafelijke bevoegdheden mocht uitoefenen over Brunengeruuz. Het gebied was dus kort voordien aan het prinsbisdom geschonken, mogelijk bij de herverdeling van de Haspengouw in 977.
De hoofdplaats droeg een Nederfrankische benaming: Bruninge-rode betekent "het bos dat gerooid werd op initiatief van Bruno en zijn familie". De evolutie van Bruninge-rode naar Bruninge-ruuz suggereert dat de omgeving verfranste. Uiteindelijk verkortte de naam tot Ruuz. Als mogelijke locatie wordt Roux-Miroir genoemd. Deze plaats lag in een gebied dat vroeg verfranste en bovendien aan de rand van het Kolenwoud lag, wat het suffix -rode verduidelijkt. In 1036 werd Incourt gesitueerd in het comitatum Brunengur(u)t.
In 1099 gaf prins-bisschop Albert van Cuyck Brunengerus in leen aan Albert III van Namen. Het is niet bekend wanneer het leenrecht van de graven van Namen beëindigd werd ten voordele van de graven van Leuven. Mogelijk gebeurde dit ten tijde van Alberon I van Leuven, prins-bisschop van 1123 tot 1128. Bruningerode kwam hierdoor in een personele unie met het graafschap Leuven. De schepenbanken bleven nog enige tijd in beroep gaan te Luik, maar deze appelgang werd omgebogen aan het einde van de Luikse Oorlogen.