Groenland (Noorse kolonie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Grønland
Noorse kolonie (vanaf 1397 binnen de Kalmarunie)
1261 – 15e eeuw
Kaart
Eirik-Raudes Groenland.jpg
Algemene gegevens
Hoofdstad Brattahlíð (Oostelijke Nederzetting)
Bevolking ±5000
Talen Oudnoords, Groenlandnoors
Religie(s) Germaans heidendom, christendom
Regering
Staatshoofd Koning van Noorwegen

Groenland was vanaf 1261 een kolonie van Noorwegen. Het begon toen Noorwegen het gebied in bovengenoemd jaar annexeerde en een handelsmonopolie afkondigde. Hierdoor konden Noorse handelaren vaker en zonder last van concurrentie handel drijven met het eiland. Op het hoogtepunt woonden er ongeveer 5000 mensen en waren er zo'n 500 boerderijen. Deze mensen woonden echter enkel in het zuiden van Groenland, verdeeld over de Oostelijke Nederzetting, de Middelste Nederzetting en de Westelijke Nederzetting, waardoor niet geheel Groenland als kolonie gezien kon worden.

Voorgeschiedenis[bewerken]

Vóór de Noorse machtsovername bestuurden de bewoners zichzelf; Erik de Rode, vanaf 985 de stichter van de nederzettingen, was de hoofdman, en daarna bleef zijn nageslacht de leiding dragen. Met de Noorse inlijving werd de koning van Noorwegen heerser over Groenland. Het IJslands Gemenebest waarmee contacten werden onderhouden werd spoedig daarna ook Noors bezit. Rond het jaar 1000 werden de Groenlanders gekerstend in navolging van de Noren.

Leven in de Noorse koloniën in Groenland[bewerken]

Er bestonden drie nederzettingen, waarvan de Oostelijke Nederzetting in het uiterste zuiden met ongeveer 4,000 inwoners veruit de grootste was, en de Westelijke Nederzetting in het noordwesten ongeveer 1,000 inwoners had. Hiertussen lag de Middelste Nederzetting met hooguit een paar honderd inwoners.

De bewoners waren afhankelijk van de landbouw, de jacht op zeehonden en kariboe's, en veeteelt. Aan visvangst deden ze om onbekende reden niet (wellicht een voedseltaboe). Landbouw en veeteelt waren zeer moeizaam vanwege het korte groeiseizoen en de kwetsbare bodem. Slechts beperkte beschutte plekken waren geschikt voor landbouw en veeteelt. Hierdoor waren de verschillende boerderijen gedwongen samen te werken. Vanuit de Westelijke Nederzetting werd iedere zomer een jachtexpeditie naar meer noordelijk gelegen wateren georganiseerd om daar op walrussen en ijsberen te jagen. Verder werden de zomers benut voor het maken van hooi om het vee tijdens de lange winters te voeden, en voor het verbouwen van landbouwgewassen waar dat mogelijk was. Walrusivoor en ijsberenpels (soms zelfs levende ijsberen) waren een gewild Groenlands exportproduct.

De kolonie had een chronisch gebrek aan hout en daarmee ook aan ijzer doordat voor smederijen houtskool nodig is. Op Groenland groeiden echter vrijwel geen bomen en bovendien hadden de bewoners vrijwel al het hout gekapt of verbrand. Het meeste hout en ijzer werd verkregen door handel met Noorwegen en IJsland, en tochten naar Labrador ('Markland') om daar hout te kappen. Hout en ijzer waren hierdoor zo zeldzaam dat houten en ijzeren voorwerpen intensief hergebruikt werden. Ook hadden de Groenlanders hierdoor geen militair voordeel in confrontaties met de Inuit.

De cultuur was uiterst conservatief, mede in stand gehouden door hoofdmannen die weinig waarde hechtten aan veranderingen die hun positie zou kunnen aantasten. Bovendien voelden ze zich Europees en vooral christelijk. De Inuit werden geringschattend aangeduid als Skraelingen (vrij vertaald 'ellendelingen'). Ondanks het feit dat de Inuit zich met hun technieken (kajaks, harpoenen) veel beter in de Arctische streken konden handhaven, namen de Groenlanders geen enkele van deze technieken over. Er zijn hooguit bewijzen die kleinschalige handel suggereren, maar er zijn geen aanwijzingen voor gemengde huwelijken.

De nederzettingen waren erg kwetsbaar door de korte groeiseizoenen en door de ecologische beschadigingen die de bewoners zelf onwetend hadden aangericht, onder andere door alle bomen te kappen. Strenge winters en koele zomers leidden bij de slechter gelegen en kleinere boerderijen al snel tot hooi- en voedselgebrek, waardoor voorraden moesten worden aangesproken of hulp van andere boerderijen moest worden gezocht. Gedateerde overblijfselen suggereren dat op het laatst de bewoners jonge dieren slachtten en opaten in de lente en koeien tot hun hoeven toe opaten; een teken dat de honger zo groot was dat niet meer aan de toekomst werd gedacht.

Verval en ondergang[bewerken]

Vanaf het einde van de dertiende eeuw veranderde het klimaat waardoor het kouder werd en de gletsjers oprukten. Als gevolg hiervan stierven de meeste dieren en werd de zee bezaaid met ijs waardoor scheepvaart vrijwel onmogelijk was. Daarnaast verergerde de toestand toen Noorwegen in 1349 door de pest werd getroffen en de haven van Bergen werd vernietigd in de oorlog tegen Hanze in 1392. Daardoor stopte de toevoer van goederen en voorraden naar Groenland. De vorstenhuizen van Denemarken, Noorwegen en Zweden werden verenigd in de Unie van Kalmar en de koningen richtten zich vooral op het rijkere Denemarken en hadden weinig belangstelling voor Noorwegen, laat staan Groenland. Bovendien kreeg Europa door de Kruistochten opnieuw toegang tot de markten voor olifantsivoor en was walrusivoor dus minder gewild. Er was na 1400 geen enkel contact meer met Groenland en de kolonisten stonden er dus alleen voor.

Een eeuw later was er van die kolonisten niemand meer over. Hoe deze bevolking precies is verdwenen is tot op de dag van vandaag een raadsel. Er zijn verschillende theorieën over wat er gebeurd kan zijn. De Inuit hebben ze waarschijnlijk niet uitgeroeid, aangezien zij er de middelen niet voor hadden. Wel stonden de vijandige relaties met de Inuit aan eventuele handelsbetrekkingen die de Groenlanders hadden kunnen redden in de weg, bovendien namen ze hun veel efficiëntere technieken niet over. Daarbij ontzegden de Groenlanders zich ook de visvangst, en hadden ze in tegenstelling tot de Inuit geen jachttechniek ontwikkeld om op ringelrobben te jagen, de enige zeehondensoort die overbleef nadat de rest door het oprukkend poolijs was verdreven. Een andere theorie gaat uit van erg grote klimaatsveranderingen (de Kleine ijstijd). Ook zou het gebeurd kunnen zijn door een rupsenplaag of massale emigratie naar Noord-Amerika. Uit geschriften is gebleken dat de Noormannen ook zouden kunnen zijn ontvoerd door piraten uit Engeland.[bron?] Het is goed mogelijk dat een samenloop van al deze factoren de kolonie uiteindelijk de das heeft omgedaan. Er zijn aanwijzingen dat de met name de kleinere kwetsbare boerderijen stuk voor stuk aan voedselgebrek ten onder gingen en werden verlaten. Hierdoor weken steeds meer mensen uit naar de grotere rijkere boerderijen die het zelf al niet breed hadden en nu steeds meer mensen moesten voeden. Uiteindelijk bezweken de grotere rijkere boerderijen ook onder de druk.

Hoe dan ook, de kleinste Middelste Nederzetting werd het eerst verlaten, gevolgd door de noordelijker gelegen en kwetsbare Westelijke Nederzetting rond 1350. De Oostelijke Nederzetting hield het nog 50 tot 100 jaar langer uit.

Nieuwe kolonisatie[bewerken]

Na de afscheiding van Zweden uit de Kalmarunie maakte de Deense koning in 1536 een einde aan de formele onafhankelijkheid van Noorwegen en degradeerde dit tot een Deense provincie met enig zelfbestuur. Noorse overzeese bezittingen, (IJsland, Groenland en de Faeröer-eilanden) werden het bezit van de Deense kroon. In 1605 claimde de Deense koning Christiaan IV op grond hiervan Groenland als kolonie. Er werden expedities uitgerust om de ruïnes van de Oostelijke Nederzetting terug te vinden, maar vanwege de misleidende naam werd tevergeefs langs de oostkust van Groenland gezocht. Het duurde tot 1721 tot er permanente vestiging kwam. Met het Verdrag van Kiel in 1814 werd Noorwegen zonder overzeese bezittingen aan Zweden overgedragen, Groenland bleef dus bij Denemarken. Toen Noorwegen in 1905 onafhankelijk werd, legde het in de jaren '30 een claim op delen van Groenland (Eirik Raudes Land), gedeeltelijk vanuit de wens ook koloniën te bezitten, en gedeeltelijk gebaseerd op de gedachte dat Noorwegen een zeker recht op Groenland had en Denemarken onrechtmatig jegens Noorwegen had gehandeld. Pas nadat Denemarken in 1940-1945 door de Duitsers bezet was tijdens de Tweede Wereldoorlog, kon Groenland de koloniale status in 1953 afwerpen en kreeg het autonomie.

Literatuur[bewerken]

  • Niels Lynnerup, The Greenland Norse. A Biological-Anthropological Study, 1998, ISBN 8790369246
  • Knud J. Krogh, Viking Greenland, 1967