Grote Iraakse Revolutie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Grote Iraakse Revolutie
Datum Mei-oktober 1920
Locatie Brits Mandaat Mesopotamië
Resultaat Britse overwinning
Aanstelling van Faisal I als koning van Irak
Strijdende partijen
Flag of the United Kingdom.svg Verenigd Koninkrijk Flag of Hejaz 1917.svg Iraakse opstandelingen
Commandanten
Arnold Wilson Mohammed Shirazi
Verliezen
500 gedood 6.000 gedood

De Grote Iraakse Revolutie is de (patriottische) naam voor de opstand in het mandaatgebied Irak van 1920.

Voorgeschiedenis[bewerken]

In de Eerste Wereldoorlog veroverden de Britten het gebied wat nu Irak is op het Ottomaanse Rijk. Hoewel de Britten tijdens de oorlog onafhankelijkheid hadden beloofd aan de Arabieren, braken zij die belofte later. Na de oorlog werd Irak een mandaatgebied, waarbij de Britten een "mandaat" van de Volkenbond kregen om Irak te besturen. In de praktijk kwam dit neer op een kolonialistisch bestuur.

De tijd van het Britse bestuur was verre van rustig. Gedurende de hele periode braken opstanden uit en vonden (lokale) gevechten plaats. Begin mei 1920 brak een opstand uit onder de Koerden en de sjiitische en soennitische Arabieren. De aanleiding voor de opstand was het verwerpen van de roep om onafhankelijkheid door sir Arnold Wilson, de Britse gouverneur van Bagdad. Deze afgevaardigden waren het niet eens met de instelling van het mandaatgebied. Wilson noemde hen "a handful of ungrateful politicians" en verwierp het Arabische zelfbestuur wat zij voorstonden.

De oorzaken voor de opstand waren drieledig:

  • De sjiieten waren tegen het mandaatgebied omdat er christenen in de regering zaten;
  • De soennieten wilden onafhankelijkheid in de vorm van een Arabische staat;
  • Veel stammen waren gewoonweg tegen de Britse overheersing omdat deze veel efficiënter waren in het innen van de belastingen dan de Ottomanen;

Opstand[bewerken]

De weigering van de Britten om tegemoet te komen aan de bevolking leidde tot een grootschalige opstand van drie maanden die de Britten slechts met zeer grote moeite konden bestrijden. De opstand ontstond vanuit de sjiitische prominente mujtahid van Karbala imam Mohammed Shirazi en zijn zoon Mirza Mohammed Riza. Shirazi vaardigde een fatwa uit waarin hij zei dat het niet toegestaan was voor moslims om te worden geregeerd door een niet-moslim. Hij riep op tot een jihad tegen de Britse regering. Een groot deel van het gebied gaf hieraan gehoor. Alleen de zuidelijke stammen kwamen niet in opstand, omdat ze al een relatieve mate van autonomie genoten. De Britten zagen zich genoodzaakt om troepen uit Brits-Indië en Perzië over te laten komen. De bestrijding gebeurde onder andere door de inzet van grootschalige luchtaanvallen op opstandige steden en dorpen. Volgens sommige historici is hierbij ook mosterdgas gebruikt. Mogelijk heeft ook onder andere Winston Churchill een rol gespeeld hierbij. Hij zou in een geheime memo hebben geschreven: "I do not understand this sqeamishness about the use of gas. I am strongly in favour of using poison gas against uncivilised tribes." [1]. Door critici worden deze bombardementen wel vergeleken met het latere bombardement op Guernica.

De opstand zorgde voor 6.000 slachtoffers aan Iraakse zijde en 500 slachtoffers aan Britse zijde. De Britse regering drong erop aan om een oplossing te vinden, zodat de Britse belastingbetaler niet de dupe zou worden van deze dure opstand die 40 miljoen pond had gekost. Dit leidde tot de aanstelling van Faisal I als koning en de vorming van het Koninkrijk Irak. Deze werd ondersteund door Britse adviseurs en die slechts de steun van een deel van de bevolking had, mede doordat de regering uit soennieten bestond en sjiieten dus niet mochten meeregeren.

Noot[bewerken]

  1. http://www.globalresearch.ca/articles/CHU407A.html