Guinee-Bissau

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Republica da Guiné-Bissau
Vlag van Guinee-Bissau
(Details)
Wapen van Guinee-Bissau
(Details)
Guinee-Bissau
Basisgegevens
Officiële landstaal Portugees
Hoofdstad Bissau
Regeringsvorm Republiek
Religie traditionele religies 50%, islam 45%, christendom 5%
Oppervlakte 36.125 km² [1] (31% water)
Inwoners 1.520.830 (2009)[2]
1.660.870 (2013)[3] (46/km² (2013))
Overige
Volkslied Esta É a Nossa Pátria Amada
Munteenheid CFA-frank (XOF)
UTC +0
Nationale feestdag 24 september
Web | Code | Tel. .gw | GNB | 245
Voorgaande staten
Portugees-Guinea Portugees-Guinea 1975 (Onafhankelijkheid)
Topografie
Guinee-Bissau
Portaal  Portaalicoon   Landen & Volken

Guinee-Bissau, officieel de Republiek Guinee-Bissau, is een land in West-Afrika dat grenst aan Guinee met 386 km, aan Senegal met 338 en met 350 km aan de Atlantische Oceaan.

Geschiedenis[bewerken]

Situatie in de koloniale oorlog tussen Portugal en PAIGC van het einde van 1970

Het kleine West-Afrikaanse land, dat eerder deel uitmaakte van het Ghanese rijk en daarna van het Koninkrijk Mali, krijgt in de 15de eeuw voor het eerst te maken met Portugezen. De eerste versterkte handelsposten langs de kust, zoals Cacheu, worden door hen bestuurd vanuit de noordwestelijker gelegen Kaapverdische Eilanden, toen een strategisch Portugees koloniaal steunpunt. De inheemse bevolking verbouwt traditioneel rijst en wint zout. Guinee-Bissau en omgeving worden belangrijk voor de handel in slaven en goud, niet enkel voor de Portugezen overigens, er daagt Franse, Engelse, Nederlandse en zelfs Zweedse, Deense en Duitse concurrentie op.

De Portugezen dringen langs de vele rivieren een eind het continent in en stichten handelsnederzettingen die uitgroeien tot kleine lokale centra, zoals Farim en Ziguinchor, tegenwoordig een grotere stad in buurland Senegal. Langs de oevers van de rivieren Casamance, Cacheu, Geba en Buba ontstaat een koloniaal gebied, rond 1700 bekend als Rios da Guiné. Vanaf 1753 wordt de versterkte vesting van Bissau gebouwd door Kaapverdianen die speciaal hiervoor zijn overgebracht.

Rond 1800 maakt Engeland aanspraak op het eiland Bolama en nabijgelegen kleinere eilanden voor de kust van Guinee-Bissau. De afschaffing van de slavernij in de 19de eeuw veroorzaakt een economische crisis die de introductie van nieuwe culturen rond de handelsposten tot gevolg had, zoals aardnoten, palmolie en rubberplantages. In 1870 ziet Groot-Brittannië af van zijn claims op Bolama en omgeving na bemiddeling van de Amerikaanse president Ulysses Grant.

Vanaf 1879 wordt het land officieel een Portugese kolonie. In mei 1886 wordt de grens vastgelegd met Frans-West-Afrika, waardoor het gebied rond de Casamance definitief Frans wordt en Portugees-Guinea in het zuiden een kleine compensatie krijgt. De onderwerping van het binnenland verloopt moeizaam en gaat vaak gepaard met geweld. Er zijn bloedige veldtochten nodig tegen strijdlustige Afrikaanse opperhoofden. Bij het begin van de twintigste eeuw start de Portugese bezetter een campagne tegen stammen in het binnenland, met de hulp van de moslim-bevolking langs de kust. Pas in 1915 is er effectieve controle over het hele grondgebied, maar nog regelmatig zijn er opstanden op verschillende plaatsen. Het zal tot 1936 duren voor de Bijagós archipel, een groep kleinere eilanden in de Atlantische Oceaan, definitief onder koloniale controle komen.

Tussen de twee wereldoorlogen wordt er in en tussen de productie-centra geïnvesteerd in infrastructuurwerken -elektriciteit, wegen en vooral bruggen. Koloniale firma's leggen zich toe op de verwerking van aardnoten, het voornaamste export-product, en de distributie van consumptiegoederen over het territorium.

De Portugese koloniale wetgeving onderscheidt de bevolking in ontwikkeld en inheems, legaliseert onder dwang opgelegde arbeid, regelt de bewegingsvrijheid door middel van pasjes en opgelegde routes en regelt de betrekkingen tussen ambtenaren en de traditionele lokale gezagsdragers. Aan de top van de koloniale maatschappij staat een kleine kern van Portugese leidinggevenden en kaderleden, de ambtenaren zijn voor 75 % Kaapverdianen, ook in de commerciële sector zijn de bedrijfseigenaars en bedienden vooral Kaapverdianen. Op het laagste niveau komt de grote massa Guineeërs: huisknechten, arbeiders en landbouwarbeiders, ambachtslui en kleine boeren.

In 1942 wordt Bissau naast de economische ook officieel de politieke hoofdstad van Portugees-Guinea. In 1950 werden van de ruim een half miljoen inwoners van Guinee slechts 8230 beschouwd als geciviliseerd: 2273 blanken, 4568 halfbloeden, 1478 zwarten en 11 Indiërs. Van hen waren er 3824 geregistreerd als analfabeet (541 blanken, 2311 mestiezen en 772 zwarten).

In 1951 hervormde Portugal haar koloniaal systeem en wordt Portugees-Guinea een overzeese provincie. De jaren vijftig worden gekenmerkt door economische en politieke bewustwording. De staking van arbeiders en zeelieden in de haven van Bissau wordt op 3 augustus 1959 bloedig neergeslagen en staat bekend als de Slachting van Pindjiguiti.

In 1956 richt Amilcar Cabral de PAIGC (Partido Africano para a Independência da Guiné e Cabo Verde - Afrikaanse Partij voor de Onafhankelijkheid van Guinee en Kaapverdië) op, die vanaf 1963 tot 1974 de gewapende strijd voor onafhankelijkheid voert in Guinee-Bissau en Kaapverdië, waar de strijd wegens de omstandigheden clandestien gevoerd moet worden. De opstand in Guinee begint met een aanval op de kazerne van Tite, in 1968 is twee derde van Portugees-Guinea bevrijd door de goed georganiseerde linkse bevrijdingsbeweging, die op sympathie en daadwerkelijke steun kan rekenen in Oost en West, uit de Derde Wereld, de buurlanden (met name Guinee-Conakry) en bij jongeren van over heel de wereld. Mede daardoor kan Amílcar Cabral diplomatieke successen oogsten met zijn optreden voor de UNO-dekolonisatiecommissie en een audiëntie bij paus Paulus VI, samen met zijn strijdgenoten uit Angola en Mozambique.

De gouverneur van Portugees-Guinea, generaal António de Spínola (1968-1973), antwoordt daarop -te laat, zo zal blijken- met een strategie die de PAIGC intern in verwarring moet brengen. Zijn programma “Por uma Guiné Melhor” (Voor een Beter Guinee)" organiseert een dynamischer bestuur maar mikt tegelijk op meer rivaliteit tussen diverse bevolkingsgroepen, vaak op raciale gronden. Zo zou de (overwegend uit mestiezen bestaande) kleine burgerij geplaatst tegenover een gelijkaardige nieuwe klasse van lokale évolués (de échte zonen van het land). Dit als legitimering naar de buitenwereld toe van de aanwezigheid van Portugal als stabiliserende factor. In het zicht van de definitieve mislukking van dit beleid plegen leden van de Portugese geheime dienst PIDE op 23 januari 1973 een dodelijke aanslag op Amilcar Cabral in Conakry. Cabral zal de geschiedenis ingaan als een van de toonaangevende leiders van de koloniale bevrijdingsstrijd.

Zijn dood verhindert geenszins verder succes van de PAIGC in de gewapende strijd. Op 24 september 1973 vergadert de Nationale Volksvergadering voor het eerst in Madina do Boé, in het zuidoosten van het land en roept daar de soevereine Republiek Guinee-Bissau uit, die vrijwel onmiddellijk door 63 landen wordt erkend. De eerste, door de Volksvergadering verkozen president van het land wordt Luis Cabral, halfbroer van de vermoorde Amilcar. Geen jaar later, op 25 april 1974, breekt in Portugal de Anjerrevolutie los, die het einde inluidt van bijna 50 jaar dictatuur en het vertrek van de koloniale troepen uit alle kolonies. Portugal erkent de onafhankelijkheid van haar voormalige kolonie op 10 september 1974.

De geschiedenis van het onafhankelijke Guinee-Bissau is een aaneenschakeling van dictaturen, staatsgrepen en politiek geweld. Van 1980 tot 2009 was João Bernardo Vieira een aantal keren president. Op 2 maart 2009 werd hij door opstandige militairen gedood.

Het leger van het landje wordt ervan verdacht een rol te spelen in de georganiseerde smokkelroutes die lopen van Zuid-Amerika via West-Afrika naar Europa. De onrust zou vaak te maken hebben met geschillen en afrekeningen in de onderwereld.

Geografie[bewerken]

Ooit was er meer reliëf in Guinee-Bissau, maar dit is verdwenen door erosie. Landinwaarts bevinden zich grassavannen en bij de grens met Guinee is het land heuvelachtig. Aan de zuidoostelijke grens ligt het Fouta-Djallon gebergte met een hoogte tot 300 m. De sterk verbrokkelde kustvlakte wordt gekenmerkt door brede trechtervormige riviermondingen en door overstroomde rivierdalen. De belangrijkste rivieren zijn de Cacheu, de Buba, de Géba en de Corubal. De riviermondingen bevatten zout water. Door de vloed kan het water wel 100 km landinwaarts opstuwen en een getijdenverschil van 7 m veroorzaken. Als gevolg hiervan komen verschillende gebieden regelmatig onder water te staan. Ondanks deze mogelijke wateroverlast is het kustgebied dichtbevolkt. Tussen de kust en de savannen in het oosten bevindt zich tropisch regenwoud.

De hoofdstad is Bissau (355.000 inwoners, 2004). De andere steden zijn klein, tellen minder dan 20.000 inwoners, en liggen meestal bij of langs een rivier.

Bestuurlijke indeling[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Regio's van Guinee-Bissau voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Guinee-Bissau is verdeeld in acht regio's (regiões) en één autonome sector (sector autónomo), de hoofdstad Bissau. De 8 regiões zijn op hun beurt onderverdeeld in 37 sectores.

Bevolking[bewerken]

Demografie[bewerken]

  • Levensverwachting: gemiddeld 46.87 jaar, mannen 45.05 jaar, vrouwen 48.75 jaar (gegevens 2006[4])
  • Analfabetisme: gemiddeld 57.6%, mannen 41.9%, vrouwen 72.6% (gegevens 2003[4])

Bevolkingsgroepen[bewerken]

Balanta 25%, Fulbe 20%, Mandingo 12%, Manyako 10%, Papéis 10% , Mestiezen (meestal van Kaapverdiaanse afkomst): naar schatting 10 000.

Talen[bewerken]

Portugees (officiële taal), Crioulo of Kriol (lingua franca), Fulfulde (Fulani), Mandingo

Religies[bewerken]

Van de bevolking hangt ca. 50 tot 54 % animistische stamreligies aan. Ca. 38 tot 45 %, waaronder met name veel Fulani en Mandingo, behoort tot de islam. Christenen (voornamelijk katholieken) maken 5 tot 8 % van de bevolking uit (zie: Katholieke Kerk in Guinee-Bissau).

Politiek[bewerken]

Politiek systeem[bewerken]

De grondwet dateert uit 1984 en is voor het laatst gewijzigd in 1999. Het voorziet in een parlement, bestaande uit één kamer, de Nationale Assemblee, met 102 leden die elke 5 jaar gekozen worden. De president wordt elke 5 jaar rechtstreeks gekozen en kan maximaal 1 maal herkozen worden.

Sinds een staatsgreep op 12 april 2012 staat het land onder leiding van een militaire junta. Op 11 mei 2012 werd Manuel Serifo Nhamadjo benoemd tot interimpresident van Guinee-Bissau.

Nuvola single chevron right.svg Zie ook de lijst van staatshoofden van Guinee-Bissau

Politieke situatie[bewerken]

In 1980 wordt Luis Cabral door een staatsgreep afgezet. De verslechterde economische situatie, waarbij de droogte een rol speelt, maar ook het zwakke beleid van Cabral worden verantwoordelijk gehouden. João Bernardo Vieira wordt voor de eerste maal president. Deze staatsgreep maakt ook een eind aan de gemeenschappelijke plannen met Kaapverdië.

Tot in 1984 wordt Guinee-Bissau geregeerd door een Revolutionnaire Raad van militairen met een PAIGC-stempel. Er worden dat jaar verkiezingen gehouden met door de PAIGC voorgeselecteerde kandidaten voor een parlement dat een grondwet goedkeurt.

Onder druk van in Portugal verblijvende oppositie worden in 1989 de eerste wetten geratificeerd waardoor meerdere partijen mogelijk worden, en vakverenigingen, persvrijheid en stakingsrecht gegarandeerd zijn.

In 1991 begint een democratiseringsproces. De eerste meer-partijen verkiezingen voor president en parlement worden gehouden op 3 juli 1994 en gewonnen door de PAIGC, voornamelijk door de onderlinge verdeeldheid van de oppositie.

Vanaf 1995 groeit de kritiek op de regering, die verantwoordelijk gehouden wordt voor het slechte economische beleid, corruptie, stijgende prijzen en de achteruitgang van de sociale omstandigheden.

In 1997 sluit Guinee-Bissau aan bij een groep overwegend Franstalige Afrikaanse landen die de CFA-frank als munt hanteren.

De sociale onrust neemt hand over hand toe en op 7 juni 1998 breekt een militaire opstand uit, geleid door de ontslagen opperbevelhebber van de strijdkrachten, Asumane Mané. Deze opstand wordt breed door de bevolking gesteund. Elf maanden lang bevindt het land zich in een staat van burgeroorlog, mensen vluchten naar het binnenland en naar de buurlanden. De PAIGC bestuurt het land tot 7 mei 1999, wanneer een militaire junta de macht overneemt.

Na definitieve beëindiging van het conflict in april 2000, waarbij Nino Vieira na asiel in de Portugese ambassade in Bissau uitwijkt naar Portugal, worden in november 1999 en januari 2000 parlements- en presidentsverkiezingen gehouden. Deze leveren een overwinning op voor de Partido da Renovacao Social (PRS) die een coalitie vormt met de RGB/Bafata partij en enkele onafhankelijken.

Kumba Yalá (PRS) wordt de nieuwe president. Ansumane Mané probeert echter zijn functie als Supremo Comandante van de militaire junta in stand te houden. Gesteund door een kleine entourage, tracht Mané in november 2000 een coup te plegen maar het leger blijft achter de president staan. Mané komt enkele dagen daarna om.

De binnenlandse politiek blijft sindsdien erg instabiel. In 2001 dreigt president Kumba Yalá het parlement te ontbinden en als alleenheerser op te treden; het parlement op zijn beurt verklaart Yalá handelingsonbekwaam te achten.

De verkiezingen in 2004 brengen de PAIGC in het parlement als sterkste partij (45 van de 102 zetels). De presidentsverkiezingen van 2005 brengen Nino Vieira terug aan de macht.

Op 16 november 2008 worden de parlementsverkiezingen gewonnen worden door de PAIGC, die 67 van de 100 zetels bezet.

Toenemende armoede en te hoge staatsuitgaven zijn de belangrijkste problemen in het land. Ook worden er herhaalde schendingen van de mensenrechten gemeld, en is het land recent een belangrijke draaischijf geworden in de doorvoer van drugs uit Zuid-Amerika naar Europa.

Op 2 maart 2009 wordt president João Bernardo Vieira omgebracht door militairen wanneer hij probeert zijn huis te ontvluchten. De aanslag vindt plaats enkele uren na een granaataanval op het legerhoofdkwartier, waarbij zijn rivaal, stafchef Batiste Tagmé Na Waié, om het leven komt.

op 12 april 2012 wordt een militaire staatsgreep gepleegd waarbij de interim-president en een belangrijke presidentskandidaat worden gearresteerd. De voormalige vice-stafchef, generaal Mamadu Ture Kuruma, wordt aangesteld als tijdelijke leider en er worden gesprekken met oppositiepartijen gehouden over de politieke toekomst.

Economie[bewerken]

Guinee-Bissau wordt tot de allerarmste landen ter wereld gerekend. De economie is voor meer dan 90% afhankelijk van de export van cashewnoten.[5] De verhoogde productie heeft de wereldmarkt-prijs doen kelderen.

De kleinschalige landbouwsector stelt ongeveer 85 % van de bevolking tewerk. Guinee-Bissau is een van de grootste cashew-producenten ter wereld. De inkomsten van de cashew-oogst zijn noodzakelijk om de moeilijke periode aan het einde van het regenseizoen te overbruggen, wanneer het wachten is op de nieuwe oogst van de gewassen. De wereldmarktprijzen van cashewnoten zijn ondertussen gekelderd, wegens de sterk stijgende export door Brazilië en India.

Er is geen openbare elektriciteitsvoorziening. Maar liefst 79% van de bevolking heeft geen toegang tot drinkbaar water en sanitair. In Guinee-Bissau is drinkbaar water zelfs in de steden geen vanzelfsprekendheid, overal kan men vrouwen en kinderen met bidons water van 20 liter zien rondzeulen. Tijdens het regenseizoen teisteren epidemieën -voornamelijk cholera- de bevolking. Het aantal ondervoede mensen steeg van 24% in 1990 tot 37% in 2003. Die ondervoeding loopt gelijk met een dalende binnenlandse rijstproductie in dezelfde periode. Ontbossing, bodemerosie, dalende neerslag en uitputting van de meest vruchtbare landbouwgronden zijn enkele van de pijnpunten. Tegelijk is er een sterke bevolkingsgroei in het land. Rijst is het basisvoedsel bij uitstek. De zelfvoorzieningsgraad wat betreft rijstproductie is echter sterk dalend sinds 1990.

Een burgeroorlog in 1998 tussen door Senegal gesteunde regeringstroepen en een militaire junta leidde tot een daling van het bnp van 28%, waarvan het land nooit hersteld is. Functionerende overheidsinstellingen zijn nagenoeg onbestaande. De jongste jaren leek het land echter voorzichtig op weg naar een min of meer stabiele democratie.

Het begrotingstekort van de staat is zeer hoog; slechts ongeveer een derde van de uitgaven worden door inkomsten gedekt. De zeer lage prijs voor cashewnoten op de wereldmarkt werkt ook sterk nadelig voor het land. Vele jongeren beproeven hun geluk als gastarbeider in Portugal.

  • Munteenheid: CFA-frank (XOF), koers 1 euro = 655.957 CFA-frank - 1 Franc CFA = 0,00152 Euro
  • BNP: $ 316 miljoen (2005), $ 223 per inwoner
  • Ontwikkelingshulp: Ontvangst $ 59 miljoen

Armoede[bewerken]

Volgens het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties leeft in Guinee-Bissau 65,7% van de bevolking onder de armoedegrens. [6]

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Bronnen