Gustaaf Hendrik Flamen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Gustaaf-Hendrik Flamen)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Gustavus Henricus Flamen (Brussel, 24 mei 1837 - Brugge, 26 maart 1920) was een West-Vlaamse priester, dichter, schrijver en flamingant. Hij was het tweede kind in het gezin van Charles-Julien (geboren te Ieper in 1813) en de twee jaar oudere Anne Marcus uit Gent.

Vier jaar na zijn geboorte vestigden zijn ouders zich te Brugge (Peerdenstraat 50). Een jaar later echter verhuisde het gezin naar Lier. Andere woonplaatsen van het gezin waren achtereenvolgens Antwerpen (1843), Sijsele (1844), Menen (1846), Sint-Niklaas (1849), Aalst (1850), Oudenaarde (1852) en Gent (1856).

Flamen als student[bewerken | brontekst bewerken]

In 1851 werd Flamen ingeschreven als leerling aan het Sint-Lodewijkscollege te Brugge, waar hij tot 1857 de volledige humaniora doorliep. Flamen onderging er onder andere de invloed van de jonge Tieltse priester Emiel-Eugeen Minne als principaal evenals van zijn leraar in de poësis en rhetorika, namelijk priester Leonard Lodewijk De Bo. Dankzij de leraars De Bo, wiskunde-leraar Edward Verraes, e.a. groeide er een vorm van flamingantisme aan het overigens toen verfranste 'Collège Saint-Louis'. Op aansporing van de bisschop werden er in de West-Vlaamse colleges 'Sociétés Littéraires' (lettergilden) opgericht, met als doel de leerlingen in het openbaar en bij voorkeur met eigen werk te leren optreden, liefst voor de toekomstige priesters in hun moedertaal, dus het Vlaams. Stilaan werden in deze lettergilden meer en meer Vlaamse voordrachten gehouden of gedichten voorgedragen en als het niet ander kon, Franse teksten maar waarin een Vlaams onderwerp aan bod kwam. In zijn Rhetorikajaar was Flamen ondervoorzitter van de 'Confrérie de Saint-Vincent de Paul', in 1854 opgericht in het college met als doel de studenten te leren goede werken te besteden aan de armen. Op het college onderging hij ook de invloed van priester en muziekleraar Hyacinthe Labbe, die hem de interesse voor muziek bijbracht. Flamen bezat heel wat muzikale aanleg, speelde viool en gebruikte dit instrument zelfs later bij het lesgeven.

Flamen begon zijn opleiding tot priester in 1857 aan het Klein Seminarie te Roeselare, die vier jaar zou duren. Hij had er Guido Gezelle als leraar Nederlands. Ze werden later vrienden en bleven dit tot Gezelles overlijden in 1899. In het Groot Seminarie maakte Flamen kennis met het Ultramontanisme, de pausverering en de Zoeavenbeweging.

Flamen als leraar en priester[bewerken | brontekst bewerken]

Gustaaf Hendrik Flamen werd in 1862 professor-leraar aan het Sint-Amandscollege te Kortrijk en in 1867 aan het Klein Seminarie van Roeselare, waar hij samen met collega-leraar Hugo Verriest een grote invloed heeft gehad op Albrecht Rodenbach. Hij wekte bij zijn leerlingen de belangstelling op voor de moedertaal door hen dichters zoals Guido Gezelle te leren waarderen. Onder zijn invloed en die van nog enkele leraars werd in het Klein Seminarie het romantisch Vlaams bewustzijn gestimuleerd, dat aanleiding gaf tot spanningen met het bisschoppelijk gezag en de Groote Stooringe tot gevolg had.

In augustus 1873 werd Flamen benoemd tot onderpastoor te Ruiselede, waar hij twintig jaar lang zou verblijven. Hij schreef bijdragen in Rond den Heerd en andere tijdschriften. Samen met Verriest bracht hij het bundeltje Dertig Vlaamse liederen uit. Hij schreef te Ruiselede ook heel wat toneelstukken voor het pensionaat (congregatie Zusters van Onze-Lieve-Vrouw van 7 Weeën) en nu en dan kwam Rodenbach er op bezoek in zijn onderpastorie (huidige A. Rodenbachstraat 13). Heel wat van zijn toneelwerken waren historische drama's, waarvan een aantal met zang op muziek van koster-toondichter Frans Mille. Hij was te Ruiselede ook betrokken bij de werking van de Jongelingenkring (een katholieke jeugdgroepering) en in Tielt bij de stichting van de Davidsfondsafdeling (1875). Tijdens de prijsuitdelingen van het pensionaat waren, op vraag van Flamen, nu en dan zowel Hugo Verriest als Gezelle aanwezig. In april 1893 werd hij tot pastoor benoemd te Meetkerke, waar hij 12 jaar verbleef. In 1905 verhuisde hij op 68-jarige leeftijd terug naar Brugge. In 1902 schreef hij, in opdracht van de stad Kortrijk, een mimodrama in zeven taferelen over de Guldensporenslag.

Werken[bewerken | brontekst bewerken]

(onvolledige lijst van proza, gedichten en toneelwerken)

Franstalige werken:

  • L'Avènement du Messie, trilogie:
    • La naissance du Christ, mysteriespel met zang op muziek van Frans Mille (1876)
    • Sainte Thècla d'Iconium, historisch drama (1881)
    • L'impératrice Sainte-Hélène, historisch drama (1882)
  • Une promenade (1878)
  • Le frère Jean Floreins, maître spirituel de l'hôpital Saint-Jean à Bruges, administrateur contemporain de Hans Memlinc, in: Annales de la Société d'Emulation pour l'étude de l'histoire et des antiquités de la Flandre, 1880, blz. 18-52.
  • Baudouin IX, comte de Flandre et de Hainaut, historisch drama (1883)
  • Les dix filles de Sainte-Regina, historisch drama (1889)
  • Jeanne de Flandre et de Constantinople, historisch drama (1892)
  • Les filles de Sainte-Sophie (opgevoerd in 1884, 1890, 1897 en 1905 in pensionaat te Ruiselede)
  • Machteld de Flandre, historisch drama in 4 bedrijven (1885) met 'De Sage van den Vlaamschen Leeuw' (in 3de bedrijf) op muziek van Frans Mille
  • Myriam, godsdienstig drama (1906)

Nederlandstalige werken:

  • Dertig Vlaamse liederen (samen met Hugo Verriest)
  • Onze Lieve Vrouw van Ruysselede, in: Rond den Heerd (1874)
  • Gelegenheidsgedicht bij aanstelling Leonard-Lodewijk De Bo, Ruiselede (1882)
  • Gelegenheidsrede ter ere van L. L. De Bo, te Poperinge bij onthulling van praalgraf (1887)
  • Uit ons verleden, 'Vertoog met roem van onze voorouders' (1886)
  • De weduwe van Sarepta, bijbelspel (opgevoerd in 1881, 1893 en 1900 in pensionaat te Ruiselede)
  • Op wandeling in den bosch, 'landelijk tooneel met zang' (1889)
  • De verloren zoon, bijbels mimodrama
  • De zegepraal van Lepanto, 'historisch vertoon uit het jaar 1571' (1884)
  • Hulde-cantate aan den Koning en de Koningin (1890)
  • De drie Israëlieten en den brandende oven, bijbelspel (1896)
  • Landelijk tooneel met gezang (opgevoerd in 1889, 1895 en 1914 in pensionaat te Ruiselede)
  • Herdenkingsartikel Gezelle, in: Het Burgerwelzijn, 2 december 1899.
  • Het groot vaderlandsch mimodrama van Groeninghe ofte van de gulden sporen in zeven taferelen 1302-1902, Brugge, St.-Augustinus drukkerij, 1902, 140 blz.

Referenties[bewerken | brontekst bewerken]

  • A. VAN SEVEREN, Gustaaf-Hendrik Flamen Student en seminarist / Leraar / Onderpastoor te Ruiselede / Gustaaf-Hendrik Flamen en het Pensionaat van Ruiselede / Laatste jaren te Ruiselede, in: Oud Ruysselede, jrg. 1991, blz. 3-13, 75-80, 171-178 en jrg. 1992, blz. 5-13 en 204-211.
  • A. VAN SEVEREN, Gustaaf-Hendrik Flamen Gedichten / Proza / Toneel, in: Oud Ruysselede, jrg. 1993, blz. 6-12, 119-124 en jrg. 1994, blz. 9-20.
  • A. VERSCHUERE, De Zusters van O.-L.-Vrouw van VII Weeën van Ruiselede (1688-1946), Lannoo, Tielt, 1946, blz. 50-55.
  • M. BRAET, Rusleda 900 jaar Een kroniek 1106-2006, in: Oud Ruysselede, jrg. 2006, blz. 209.