H-II-gebied

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
NGC 604, een reusachtig H-II-gebied in de Driehoeknevel

Een H-II-gebied is een wolk van gloeiend gas, van enkele tot soms honderden lichtjaren in diameter. Jonge, hete, blauwe sterren die zich in het gas bevinden, stralen scheutig ultraviolet licht uit waarmee ze de nevel rondom ioniseren.

Soms bevatten H-II-gebieden enkele sterren, maar in andere H-II-gebieden kunnen over verscheidene miljoenen jaren duizenden sterren ontstaan uit de geassocieerde moleculaire wolken. Uiteindelijk worden de gassen van het H-II-gebied door supernovaexplosies en sterrenwinden van de meest massieve sterren verspreid, waarbij een open sterrenhoop zoals Plejaden overblijft.

H-II-gebieden zijn genoemd naar de hoeveelheden geïoniseerde atomaire waterstof die ze bevatten, aangeduid als H-II (uitgesproken als "Ha Twee") door astronomen (H-I is neutrale atomaire waterstof, en H2 is een waterstofmolecuul). Voor de ionisatie van een H-II gebied moet het een of meer sterren met spectraalklasse vroeger dan ongeveer B3 bevatten. Latere typen sterren zenden niet voldoende ultraviolet licht uit om voldoende waterstof te ioniseren.

H-II-gebieden kunnen tot op behoorlijke afstanden in het heelal waargenomen worden en de bestudering van H-II-gebieden buiten ons eigen melkwegstelsel is belangrijk bij het bepalen van de afstand en chemische samenstelling van andere melkwegstelsels.

Waarnemingen[bewerken]

Donkere regio's waar stervorming plaats vindt in de Adelaarsnevel.

Enkele van de helderste H-II-gebieden zijn zichtbaar met het blote oog. Het lijkt erop dat er tot de komst van de telescoop in de 17de eeuw niet één opgemerkt is. Galileo Galilei keek over de Orionnevel heen toen hij de sterrenhoop (M42, het Trapezium) erin bekeek (dat voorheen als één enkele ster was gecatalogiseerd, θ-Orionis), door Johannes Bayer). De Franse astronoom Nicholas-Claude Fabri de Peiresc wordt toegeschreven de Orionnevel in 1610 ontdekt te hebben. Sinds die observatie zijn H-II-gebieden ontdekt in zowel het onze als in andere spiraalvormige melkwegstelsels.

William Herschel observeerde de Orionnevel in 1774 en beschreef deze als "een niet gevormde vurige waas, het chaotisch materiaal van toekomstige zonnen". Het duurde nog honderd jaar voordat dit vermoeden bevestigd kon worden door William Huggins en zijn vrouw Mary Huggins, toen zij hun spectroscoop op verscheidene nevels richtten. Sommige, zoals de Andromedanevel, hadden spectra die redelijk overeenkwamen met die van sterren en bleken melkwegstelsels te zijn die op hun buurt weer uit miljoenen individuele sterren bestaan. Andere zagen er heel anders uit. In plaats van een sterk continuüm met daarop absorptielijnen, vertoonde de Orionnevel een paar emissielijnen[1]. Eén van helderste hiervan (de sterkste lijnen zijn de Balmerlijnen van het waterstofspectrum) was een lijn met een golflengte van 500,7 nanometer, hetgeen niet correspondeerde met een lijn van een bekend chemisch element. Aanvankelijk werd gespeculeerd dat de lijn veroorzaakt werd door een onbekend element dat nebulium werd genoemd; een gelijkaardig idee had in 1868 geleid tot de ontdekking van helium door middel van analyse van het spectrum van de zon.

Terwijl helium na de ontdekking in het spectrum van de zon al snel werd geïsoleerd, gebeurde dat niet met nebulium. Begin 20ste eeuw stelde Henry Norris Russell voor dat de lijn op 500,7 nm in plaats van door een nieuw element wel eens veroorzaakt kon worden door een bekend element in onbekende omstandigheden.

Natuurkundigen toonden in de jaren '20 aan dat bij gas in extreem lage dichtheden het mogelijk is dat elektronen aangeslagen metastabiele energieniveaus in atomen en ionen kunnen bevolken die in hogere dichtheden door botsingen weer snel uit hun aangeslagen toestand raken[2]. Elektronentransities tussen deze niveaus in zuurstof veroorzaken de lijn op 500,7 nm. Deze spectraallijnen, die alleen in gassen met zeer lage dichtheid gezien kunnen worden, worden verboden lijnen genoemd. Spectroscopische observaties toonden dus aan dat nevels uit zeer speciaal gas zijn gemaakt.

Gedurende de 20ste eeuw toonden observaties aan dat H-II-gebieden vaak hete en heldere sterren van spectraalklasse O en B bevatten. Deze sterren zijn vele malen massiever dan onze Zon en zijn de sterren die het kortst leven, met een totale levensduur van een paar miljoen jaar (vergeleken met sterren zoals de Zon, die vele miljarden jaren leven). Daarom werd verondersteld dat H-II-gebieden regio's waren waarin zich nieuwe sterren vormen. Dat is niet correct gebleken: sterren worden gevormd uit moleculaire wolken. Een H-II-gebied is meestal ijler gas dat in de moleculaire wolk nabij jonge sterren geïoniseerd wordt. Over een periode van miljoenen jaren kan zich uit een moleculaire wolk een open sterrenhoop vormen (als die wolk massief genoeg is), voordat stralingsdruk van de hete, jonge sterren de nevel uiteendrijft. Het Zevengesternte (Plejaden) is een voorbeeld van een sterrenhoop dat het H-II-gebied waaruit het gevormd is heeft 'weggekookt'. De reflectienevel bij de Plejaden is geen restant van dit H-II-gebied, maar een toevallig voorbijkomende gaswolk.

Ontstaan en levensloop[bewerken]

Een klein deel van de Tarantulanevel, een reusachtig H-II-gebied in de Grote Magellaanse Wolk.

De voorganger van een H-II-gebied is een reusachtige moleculaire wolk (RMW). Een RMW is een koele (10–20 K) en dichte wolk die voor het merendeel bestaat uit moleculaire waterstof. RMW's kunnen lange tijd in een stabiele toestand blijven bestaan. Schokgolven ten gevolge van supernova's, botsingen tussen wolken of magnetische interacties kunnen echter de ineenstorting van een deel van de wolk bewerkstelligen. Als dit gebeurt via een proces van ineenstorting en fragmentatie van de wolk, ontstaan sterren (zie ontstaan van een zonnestelsel voor een uitgebreidere beschrijving).

Daarbij zullen de meest massieve sterren temperaturen bereiken die hoog genoeg zijn om het omringende gas te ioniseren. Na de vorming van een ioniserend stralingsveld, scheppen energetische fotonen een ionisatiefront dat met supersonische snelheden door het omringende gas raast. Op alsmaar grotere afstanden van de ioniserende ster daalt de snelheid van het ionisatiefront, terwijl de druk van het nieuw-geïoniseerde gas het geïoniseerde volume doet uitdijen. Uiteindelijk remt het ionisatiefront af tot subsonische snelheden en wordt het ingehaald door het schokfront, veroorzaakt door de uitdijende nevel. Dit is het moment waarop het H-II-gebied geboren is.[3]

De leeftijd die een H-II-gebied bereikt, is in de orde van een paar miljoen jaar. Stralingsdruk vanuit de hete jonge sterren zal het meeste gas weg doen drijven. Feitelijk is het hele proces erg inefficiënt, doordat minder dan tien procent van het gas van het H-II-gebied zich tot sterren vormt en de rest weggeblazen wordt. Supernovaexplosies van de meest massieve sterren dragen ook bij aan het gasverlies, en deze vinden voor de meest massieve sterren al plaats na zo'n 1-2 miljoen jaar.

Kraamkamers voor sterren[bewerken]

Bolwolken in H-II-gebied IC2944.

De eigenlijke geboorte van sterren binnen H-II-gebieden blijft verborgen binnen de dichte gas- en stofwolken die de sterren in wording omringen. In eerste instantie zijn deze compacte H-II-gebieden alleen waar te nemen in het infrarood of door middel van radiostraling. Op het moment dat de stralingsdruk vanuit een ster zijn 'cocon' uiteendrijft, wordt deze optisch zichtbaar. Voordien worden de dichte gebieden die de nieuwe sterren bevatten vaak gezien in een silhouet tegen de rest van de geïoniseerde nevel - deze donkere plekken staan bekend als bolwolken of Bokglobules, naar Bart Jan Bok, die in de 'jaren 40 voorstelde dat dit plaatsen waren waar sterren werden geboren.

De bevestiging van het vermoeden van Bok moest wachten tot 1990, toen infraroodobservatoria door het dikke stof waaruit bolwolken bestaan konden doordringen en jonge sterachtige objecten onthulden. Tegenwoordig wordt gedacht dat een typische bolwolk een gewicht heeft van ongeveer 10 zonnemassa's, zich uitstrekt over een gebied van ongeveer een lichtjaar in doorsnede en dat bolwolken meestal leiden tot de vorming van dubbele of meervoudige sterrensystemen. [4][5][6]

Naast dat ze plaatsen zijn waar sterren worden geboren, vertonen H-II-gebieden bewijzen dat ze planeetstelsels bevatten. De ruimtetelescoop Hubble heeft honderden protoplanetaire schijven ontdekt in de Orionnevel. Op zijn minst de helft van de jonge sterren in de Orionnevel lijken omringd te zijn door schijven van gas en stof, waarvan het er op lijkt dat ze veel meer materie bevatten dan nodig is om een zonnestelsel als het onze te vormen.

Kenmerken[bewerken]

Natuurkundige kenmerken[bewerken]

H-II-gebieden variëren in hun natuurkundige kenmerken. Ze variëren in grootte van zogenoemde ultra-compacte gebieden die veelal een lichtjaar of minder in doorsnede zijn (dit zijn de jongste gebieden), tot H-II-gebieden die honderden lichtjaren groot zijn. Hun dichtheden variëren van meer dan een miljoen deeltjes per cm³ in de ultracompacte H-II-gebieden tot enkele deeltjes per cm³ in de grootste en meest uitgestrekte gebieden. De temperaturen H-II-gebieden zijn ongeveer 10.000 Kelvin.

Afhankelijk van de grootte van een H-II-gebied kunnen zich er enkele tot duizenden sterren in bevinden. Dit maakt H-II-gebieden gecompliceerden om te begrijpen dan planetaire nevels, die één centrale ioniserende bron hebben.

Chemisch gezien bestaan H-II-gebieden voor zo'n 90% uit waterstof. De sterkste waterstofemissielijn op 656,3nm geeft H-II-gebieden hun karakteristieke rode kleur. De rest van een H-II-gebied bestaat voor het grootste deel uit helium, met enkele sporen van zwaardere elementen. Het aandeel zware elementen in H-II-gebieden neemt af met toenemende afstand van het centrum van de Melkweg. Dit is het geval omdat de mate van sterrenvorming groter is in de dichte centrale gebieden, hetgeen daar leidt tot grotere verrijking van het interstellair medium met de producten van nucleosynthese in vergelijking met de buitengebieden.

Aantallen en distributie[bewerken]

Ketens van rode H-II-gebieden in de spiraalarmen van de Draaikolknevel

H-II-gebieden worden alleen in onregelmatige en spiraalvormige melkwegstelsels zoals het onze gezien. Ze worden nooit waargenomen in elliptische melkwegstelsels. In onregelmatige melkwegstelsels worden ze door het hele melkwegstelsel waargenomen, in spiraalvormige melkwegstelsels worden ze vrijwel alleen in de spiraalarmen gevonden. Een groot spiraalvormig melkwegstelsel kan duizenden H-II-gebieden bevatten.

Men denkt dat de reden dat H-II-gebieden niet in elliptische melkwegstelsels worden gezien, is dat elliptische melkwegstelsels gevormd worden door versmeltingen van melkwegstelsels. In clusters komen zulke versmeltingen vaak voor. Als melkwegstelsels met elkaar in botsing komen botsen individuele sterren hoogst zelden, maar de RMW's en H-II-gebieden raken zeer verroerd. Onder deze omstandigheden worden uitbarstingen van stervorming gestart, zo snel dat het meeste gas omgezet wordt in plaats van de normale 10% of minder. Melkwegstelsels die deze snelle stervorming ondergaan staan bekend als starburststelsels. Het elliptisch melkwegstelsel dat na de versmelting ontstaan is heeft een erg lage gasinhoud en aldus kunnen H-II-gebieden zich niet langer vormen.

Recente observaties hebben aangetoond dat er zich een zeer klein aantal H-II-gebieden geheel buiten melkwegstelsels bevindt. Deze intergalactische H-II-gebieden zijn vermoedelijk overblijfselen van getijdenverstoringen van kleine sterrenstelsels.[7]

Morfologie[bewerken]

H-II-gebieden komen voor in een enorme variëteit van grootten. Iedere ster binnenin een H-II-gebied ioniseert een ruwweg bolvormig gebied van gas eromheen, maar de combinatie van ionisatiebollen van meerdere sterren binnen een H-II-gebied en de uitdijing van de verhitte nevel in omringende gassen met sterke dichtheidsvariaties hebben complexe vormen tot gevolg. Dit is het geval voor NGC 604, een reusachtig H-II-gebied in de Driehoeknevel.

Opmerkelijke H-II-gebieden[bewerken]

Binnen ons melkwegstelsel is het meest bekende H-II-gebied de Orionnevel, die zich op een afstand van 1500 lichtjaren bevindt. De Orionnevel is onderdeel van een RMW die, als hij zichtbaar zou zijn, bijna het hele sterrenbeeld Orion (Jager) zou opvullen. De Paardekopnevel en de lus van Barnard zijn twee andere oplichtende delen van deze gaswolk.

De Grote Magelhaense Wolk, een satellietstelsel van onze melkweg, bevat een groot H-II-gebied genoemd de Tarantulanevel. Deze nevel is veel groter dan de Orionnevel en vormt momenteel duizenden sterren, sommige met massa's van 100 maal die van de zon. Als de Tarantulanevel net zo dicht bij de aarde stond als de Orionnevel, dan zou deze ongeveer net zo helder schijnen als de maan.

NGC 604 is nog groter dan de Tarantulanevel en ongeveer 1300 lichtjaar in diameter, alhoewel deze wat minder sterren bevat. Het is één van de grootste H-II-gebieden in de lokale groep.

Huidige problematiek in de bestudering van H-II-gebieden[bewerken]

Optische foto's vertonen wolken van gas en stof in de Orionnevel; een infraroodopname (rechts) onthult jonge sterren die er binnenin schijnen.

In H-II-gebieden zijn bepalingen van het voorkomen van chemische elementen onderhevig aan enige onzekerheid. Er zijn twee verschillende manier om de hoeveelheid metalen in nevels te bepalen (dat is, elementen anders dan waterstof en helium), die op verschillende spectraallijnen gebaseerd zijn. Tussen deze twee methoden worden soms sterk strijdige resultaten gezien. Sommige astronomen verklaren dit met de aanwezigheid van kleine temperatuurfluctuaties binnenin H-II-gebieden, andere claimen dat de strijdigheden te groot zijn om met temperatuureffecten verklaard te kunnen worden, en speculeren op het bestaan van koude knopen die zeer weinig waterstof bevatten om de observaties te verklaren.[8]

De volledige details de vorming van massieve sterren zijn nog niet goed bekend. Twee belangrijke problemen belemmeren onderzoek in deze richting. Allereerst is de afstand van de aarde tot de grotere H-II-gebieden aanzienlijk, waarbij het dichtstbijzijnde H-II-gebied meer dan 1000 lichtjaar ver weg is. Andere H-II-gebieden staan een veelvoud van die afstand van de aarde. Ten tweede wordt de vorming van deze sterren volledig aan het oog onttrokken door stof, waardoor observatie in zichtbaar licht onmogelijk is. Radiogolven en infrarood licht kunnen door het stof heendringen, waardoor het H-II-gebied rond de gevormde sterren bestudeerd kunnen worden.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]