Hallstatt-cultuur

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Drieperiodensysteem
Holo-
ceen
Historische Tijd
La Tène-periode   Proto-
historie
Hallstatt-periode
IJzertijd
  Laat  
Midden
Vroeg
Bronstijd
Neolithicum Kopertijd  
Laat Pre-
historie
Midden
Vroeg
Mesoli- thicum of
Epipaleo-
lithicum
Laat
Midden
Vroeg
Pleisto-
ceen
Paleo- lithicum Laat
Midden
Vroeg
Steentijd
Expansie van de Hallstatt-cultuur
Oudste tekeningen van opgravingen bij Hallstatt
Ton armbanden


De Hallstatt-cultuur, genoemd naar het dorpje Hallstatt in Opper-Oostenrijk, is een beschaving die vanaf de vroege ijzertijd (ca. 800 - 500 voor onze jaartelling) in Centraal-Europa (Zuid-Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Noord-Italië, Tsjechië en Hongarije) vele vondsten heeft nagelaten.

Deze archeologische cultuur is voortgekomen uit de Proto-Keltische Urnenveldencultuur waarna ze zich ontwikkelde tot een Keltische stam.[1]

Omdat er geen directe schriftelijke bronnen zijn is onduidelijk in hoeverre er sprake was van een Keltische eenheidsstam. Archeologische opgravingen van aardlagen uit de Hallstatt-periode vertonen echter geen culturele onderbrekingen met aardlagen uit de La Tène-periode. En naar sommige vindplaatsen uit de laatste periode wordt al in de Klassieke Oudheid verwezen als 'Keltoi, Celtae, Galli' en 'Galatae'. De Keltische taal is met behulp van de vergelijkende methode door taalwetenschappers in belangrijke mate gereconstrueerd.

Onderzoekingen[bewerken]

In 1734 werd in de steenzoutmijn in Hallstatt in de Salzberg een gemummificeerde mijnwerker gevonden, die dateert uit de zesde tot vierde eeuw voor onze jaartelling. Deze mijnwerker is ooit om het leven gekomen doordat de mijn overstroomde. Helaas werden deze vondsten vernietigd voor ze door de moderne wetenschap onderzocht konden worden.

Bergmeister Johann Georg Ramsauer (1795-1874) was de eerste die systematische opgravingen deed in het grafveld bij Hallstatt, in opdracht van het kaiserlich königliches Münz- und Antikenkabinett. Hij legde in totaal 980 graven bloot. Dit resulteert in 1868 in een monografie door Eduard Freiherr von Sacken (1825-1883), de beheerder van het Kabinett. Het begrip Hallstatt-Kultur werd in 1876 geïntroduceerd door de archeoloog Hans Hildebrand. Omdat het onderzoek van de Hallstatt-cultuur zo vroeg is begonnen, is de naam niet alleen in gebruik voor de cultuur zelf, maar ook en voornamelijk om de vroege ijzertijd aan te duiden. De Hallstatt-Kultur is dus niet per se hetzelfde als Hallstatt-zeitlich (Hallstatt-periode), hetgeen nogal eens voor verwarring wil zorgen.

Sinds de jaren zestig van de 20e eeuw worden de prehistorische zoutmijnen gedetailleerd onderzocht en zijn op vele plaatsen grafheuvels, grafvelden en nederzettingen gevonden. Niet alleen in Hallstatt, maar verspreid over heel centraal-Europa. Met name de aanleg van het ICE-traject heeft vele vondsten uit deze tijd opgeleverd.

Kenmerken[bewerken]

De Hallstatt-cultuur kenmerkt zich door zeer grote grafheuvels, waarvan sommige een stenen kern hebben. De graven zijn voorzien van vele grafgiften, zoals wapens, gebruiksvoorwerpen en in enkele gevallen grote bronzen schalen, ook wel kraters genoemd, waarvan het doel niet helemaal duidelijk is.

Uit sommige van de graven bij Hallstatt zijn indrukwekkende houten wagens bekend, in één geval zelfs een geïmporteerd Etruskisch exemplaar. De meest vierwielige wagens zijn met veel oog voor detail gebouwd, ze zijn licht en comfortabel door een ijzeren vering. In sommige gevallen zijn er aanwijzingen dat de dode zittend op de wagen begraven werd, iets dat ook in de La Tène-periode gebruikelijk was.

Maar niet alleen wagens, ook kleine, symbolische wieltjes van klei worden veel gevonden. De reden waarom ze werden meegegeven is niet geheel duidelijk, maar waarschijnlijk had de wagen een religieuze betekenis. Ook kleimodelletjes van handen (en soms andere voorwerpen) komen regelmatig voor.

1rightarrow blue.svg Zie ook Vorstengraf (Hochdorf)

Standenmaatschappij[bewerken]

Uit het beschikbare onderzoeksmateriaal komt het beeld van een sociaal gedifferentieerde maatschappij naar boven. Mensen waren niet elkaars gelijken; sommigen hadden het veel beter dan anderen. Dit blijkt onder andere uit vondsten van zogenoemde koningsgraven, die gekenmerkt worden door, gerekend in arbeid en materiaal, zeer kostbare graven met zeer rijke bijgiften, niet alleen lokale producten, maar ook ingevoerde luxe-artikelen.

Uit de verschillende grafvelden blijkt dat er een aanmerkelijk verschil in begraafwijze is. Sommige krijgen rijke grafgiften en een grafheuvel, andere moeten het doen met een eenvoudige begrafenis en een paar symbolische giften of helemaal geen.

Mijnbouw[bewerken]

De mijnbouw in het gebied rond Hallstatt en Dürnnberg dateert al van de midden-bronstijd. Dit werd aangetoond door vondsten van gereedschappen in de zoutmijnen. In de 18e eeuw werden zelfs de mummies van verongelukte prehistorische mijnwerkers gevonden, maar deze zijn later vernietigd. Er werd in die mijnen voornamelijk zout gewonnen, wat in die dagen een zeer waardevol handelsgoed was. Deze zoutwinning was wellicht de bron van de rijkdom die in zovele grote graven tentoon wordt gespreid.

Door de bijzondere omstandigheden in de zoutmijnen zijn ook leer en textiel bewaard gebleven. Zodoende is bekend dat de mijnwerkers veelal gekleed waren in een leren overkleed, met daaronder wollen onderkleding. Deze kleding was niet nieuw, maar heeft kennelijk een tweede leven als 'werkkleding' gekregen. Hierdoor zijn ook enkele voormalige 'pronkstukken' bekend. Aan de hand van de schoenmaten van het veelvuldig gevonden schoeisel is af te leiden dat niet alleen volwassenen in de mijnen gewerkt hebben, maar ook kinderen van verschillende leeftijden.

Uit onderzoek is bekend dat het om min of meer professionele mijnbouw ging, bedreven door een groep die door zouthandel in zijn levensonderhoud voorzag, waarbij omliggende land- en bosbouwgebieden voor de nodige ondersteuning in de vorm van hout, leer en voedsel zorgden.

Ook werd ijzer gedolven, met name in de Kalkalpen, maar aangezien ijzer vrij wijdverspreid voorkomt (als rood- en bruin-ijzer in gebergten en als ijzeroer in de vlakten) is dit waarschijnlijk nooit handelswaar geweest. Voor het koper en tin dat voor de productie van brons noodzakelijk was, was men op import aangewezen.