Hecht en Sterk

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Hecht en Sterk was een koffieplantage aan de Commewijnerivier in het district Commewijne in Suriname. Zij lag links bij het opvaren, stroomafwaarts naast plantage Frederiksburg en stroomopwaarts naast plantage La Singularité.

In 1747 werd het Fort Nieuw-Amsterdam opengesteld. Hierdoor werd het moerasgebied aan de beneden-Commewijne beschermd tegen vijandelijke invallen, en werd het uitgegeven voor de aanleg van plantages. Hiervan werd 500 akkers uitgegeven aan Jacob Mottet. Hij overleed in 1761 en liet geen testament na aan zijn vrouw Johanna van Dooreslaar, die waarschijnlijk nog in Nederland woonde[1].

Daarna kwam de plantage in het bezit van Isaac Stolkert. Hij was burgerkapitein van de divisie Cottica en beneden-Commewijne, en commissaris van kleine zaken. Stolkert was al eigenaar van de plantages Stolkwijk en De Twee Gebroeders aan de Motkreek en Stolkertvlijt aan de Orleanekreek. Een paar jaar later overleed hij. Zijn echtgenote, Elisabeth Buys, hertrouwde met de latere gouverneur Jan Nepveu. Elisabeth bezat zelf al de plantages Courcabo en Mon Souci.

Na het overlijden van Elisabeth Buys werden haar drie zonen erfgenaam. De bekendste was Frederic Cornelis Stolkert die was gehuwd met Susanna du Plessis, de eigenaresse van plantage Nijd en Spijt aan de Commewijnerivier.

In 1770 werd de plantage, met 500 akkers uitgebreid. Dit was veel meer dan de gebruikelijke 225 akkers van veel andere plantages langs de Commewijne. In het ST heette de plantage Stolkroe, naar Stolkert. Mon Souci werd pikien (klein) Stolkroe genoemd.

Tijdens de emancipatie in 1863 was Adolf Tielenius Kruythoff de eigenaar. Hij was pakhuismeester en lid van de Raad van Justitie. Zijn vader, met dezelfde naam, was Controleur Generaal der Nederlands West-Indische Bezittingen. De plantage heeft daarna nooit contractanten aangeworven, en werd waarschijnlijk al kort na de emancipatie buiten productie gesteld.

In 1910 werd de plantage opgekocht door het Gouvernement om er, samen met Frederiksburg, een gouvernementsplantage van te maken. Zij werd ingericht voor de uitgifte van gronden aan contractarbeiders. Hun contracten liepen af en het Gouvernement wilde niet dat zij het land zouden verlaten. Vanaf 1916 werd vermeld dat er koffie, maïs, rijst, aardvruchten, banaan, bacoven en sinaasappels werd geteeld. De directeur was Wilco van Genderen. Hij was hiervoor directeur op de plantages Rijnberk en Schaapstede die enige jaren later, samen met Kroonenburg ook gouvernementsplantages werden. Daarna was hij korte tijd eigenaar van Catharina Sophia. In de jaren dertig was Reeberg hier directeur en ook op de gouvernementsplantages Nieuw-Amsterdam, Frederiksburg en Alkmaar.