Heerlijkheid Bree

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De heerlijkheid Bree was een heerlijkheid in Opper-Gelre, behorende tot het Land van Kessel.

Geschiedenis[bewerken]

Het dorp Bree (Maasbree) wordt voor het eerst genoemd in 1240, waarbij Diederik van Altena een aantal rechten schonk aan de monniken van het pas gestichte klooster Sint Elisabethsdal bij Nunhem. Van hem kregen zij onder andere een derde deel van de korentienden en het recht om een pastoor voor te dragen in Bree. In 1673 kocht de heer van Arcen, die door erfenis in het bezit van het huis Bree gekomen was, deze rechten van de Spaanse koning.In de tweede helft van de 18e eeuw werd de koning van Pruisen heer van Bree.[1][2][3]

Het bestuur van het dorp werd, tot de komst van de Fransen in 1798, gevormd door de schepenbank. Aan het hoofd hiervan stond een schout, die door de heer benoemd werd.

Heren van Bree[bewerken]

De heerlijke rechten kwamen toe aan achtereenvolgens de graaf van Gelre (later de hertog van Gelre), de hertog van Bourgondië en de koning van Spanje.

Huis Bree[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Huis Bree voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het huis Bree wordt in de leenregisters van de hertog van Gelre voor het eerst vermeld in 1431 met als eigenaar Brant die Rover en was daarvoor een leengoed van Cuijk. Dit kwam doordat de heer van Cuijk op 15 december 1400 al zijn bezittingen aan de hertog had afgestaan. De heerlijke rechten kwamen altijd toe aan de hertog. De kasteeleigenaar van dit riddermatig goed had wel recht op een adellijke plaats in de Staten van het Overkwartier.