Hemellichaam

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Saturnus, een hemellichaam
Deel van een serie artikelen over

Jonge sterren in Messier 42, gefotografeerd door de Spitzer Space Telescope van NASA
Stervorming in de Orionnevel
––– Algemeen –––

Eclips · Exoplaneet · Heelal · Hemellichaam · Magnitude ·
Messier · Oerknal · Supernova · Sterrenstelsel · Telescoop


––– Objecten en fenomenen –––

Donkere materie · Gammaflits · Komeet · Maan · Nevel · Neutronenster · Planeet · Quasar · Roodverschuiving · Ster · Zwart gat


––– Vakgebieden –––

Astrobiologie · Astrochemie · Astrofysica · Astrometrie · Kosmologie · Planetologie · Radioastronomie


Portaal Portaalicoon Astronomie

Een hemellichaam of astronomisch object is een natuurlijk voorkomende fysieke entiteit, samenstelling of structuur die voorkomt in het waarneembaar heelal.[1] In de astronomie worden de termen object en lichaam vaak door elkaar gebruikt. Een hemellichaam is echter een enkelvoudige, samenhangende, begrensde entiteit, terwijl een astronomisch object een complexe, meervoudige, minder samenhangende structuur is, die uit meerdere lichamen of substructuren kan bestaan.

Voorbeelden van hemellichamen zijn asteroïden, manen, planeten en sterren. Voorbeelden van astronomische objecten zijn planetenstelsels, sterrenhopen, nevels en sterrenstelsels. Een komeet kan worden geïdentificeerd als een lichaam en als een object: het is een lichaam wanneer men verwijst naar de bevroren kern van ijs en stof en een object wanneer wordt verwezen naar de hele komeet inclusief zijn diffuse coma en staart.

Buiten sterrenstelsels[bewerken]

De opbouw van het universum kan worden gezien als een hiërarchisch systeem.[2] Gezien vanuit de grootste schalen is het universum opgebouwd uit componenten van sterrenstelsels. Sterrenstelsels zijn georganiseerd in groepen en clusters, vaak binnen grotere superclusters, die samen een web vormen en het hele waarneembaar universum overspannen.[3]

Sterrenstelsels komen voor in een verscheidenheid aan morfologieën: in onregelmatige, elliptische en schijfachtige vormen, afhankelijk van hun formatie en evolutionaire geschiedenis.

Binnen sterrenstelsels[bewerken]

Alle bestanddelen van een sterrenstelsel worden gevormd uit gasachtige materie die zich op een hiërarchische manier samenstelt door zijn eigen zwaartekracht. Op deze schaal zijn sterren de fundamenten, die meestal in clusters voorkomen en ontstaan uit de verschillende condensatienevels.[4] Alle vormen die een ster kan aannemen worden vrijwel volledig bepaald door de massa, samenstelling en evolutionaire geschiedenis van deze sterren.

De verschillende soorten sterren kunnen worden weergegeven in een grafiek waarin absolute stellaire helderheid is uitgezet tegen de oppervlaktetemperatuur: zoals in het Hertzsprung-Russell diagram (H-R diagram). Elke ster volgt een bepaald evolutionair spoor in dit diagram. Afhankelijk van de oorspronkelijke massa van de ster en de aanwezigheid of afwezigheid van een ander hemellichaam die meebeweegt, kan een ster het laatste deel van zijn levensduur doorbrengen als een compacte ster; een witte dwerg, een neutronenster of een zwart gat.

Benaming[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook Lijst van betekenissen van namen van hemellichamen voor een verklaring van niet-systematische benamingen.

Hemellichamen kregen en krijgen namen van godheden (zoals de planeet Jupiter, naar de Romeinse god Jupiter), van astrologische concepten als sterrenbeelden (zoals 61 Cygni, naar het sterrenbeeld Zwaan), van beroemde mensen (zoals de Magelhaense wolken, naar ontdekkingsreiziger Ferdinand Magellaan) of van degene die ze ontdekt of intensief bestudeerd heeft (zoals de Ster van Barnard, naar sterrenkundige Edward Emerson Barnard).

Om enige ordening te brengen in alle ontdekkingen zijn na verloop van tijd standaarden opgezet om hemellichamen systematisch aan te duiden.

Manen

Voor manen worden Romeinse cijfers gebruikt. Dit gebruik ontstond in 1610 toen vier manen rond Jupiter werden ontdekt door de Italiaanse astronoom Galileo Galilei, die daarop Jupiter I, II, III en IV werden genoemd. De Duitse astronoom Simon Marius ontdekte de manen rondom dezelfde tijd, maar publiceerde er pas in 1614 over, waarbij hij ze –naar de suggestie van Johannes Kepler– de namen van vier figuren uit de Griekse mythologie gaf die bemind werden door Zeus, het Griekse equivalent van de Romeinse god Jupiter. Hiermee ontstond de conventie om de planeten naar Romeinse goden te vernoemen, maar hun manen naar Griekse goden.

De zesde maan van Saturnus, ontdekt door Christiaan Huygens in 1655 en in 1847 door John Herschel omgedoopt tot Titan werd geclassificeerd als Saturnus VI.

Sterren

Voor sterren wordt de Bayer-aanduiding gebruikt, opgesteld in 1603, bestaande uit een letter van het Grieks alfabet (zoals alfa (α), beta (β), en gamma (γ)), gevolgd door het genitief van de Latijnse naam van het sterrenbeeld waar de ster deel van uitmaakt (bijvoorbeeld: Aldebaran is α Tauri (alfa Tauri of alpha Tauri)). Het sterrenbeeld kan daarbij afgekort worden tot 3 letters (bijvoorbeeld: Tau is "Tauri" (stier)). De sterren binnen het sterrenbeeld werden meestal in volgorde van helderheid genaamd, beginnende met alpha voor de helderste, maar dit was niet altijd het geval.

Dubbelsterren

In 1650 werd het bestaan van dubbelsterren ontdekt door de ster Mizar (zeta Ursae Majoris, de 6e helderste ster in het sterrenbeeld Grote Beer), die werd begeleid door Alcor (later bleken dit in totaal zes sterren te zijn). Om de twee sterren (componenten) van een dubbelster te onderscheiden, wordt een hoofdletter gebruikt (dit is belangrijk omdat een kleine letter een exoplaneet aanduidt), bijvoorbeeld bij Alpha Centauri, waarbij de sterkere component A wordt genoemd (Alpha Centauri A/α Centauri A) en de zwakkere B (Alpha Centauri B/α Centauri B) en het geheel AB (Alpha Centauri AB/α Centauri AB). Bij een meervoudige ster met meer dan twee componenten gaat men verder met C, D enz. Zo bleek in 1915 dat Alpha Centauri nog een derde ster bezat, Proxima Centauri, en het dus eigenlijk een drievoudige ster is. Proxima Centauri wordt daarom als Alpha Centauri C/α Centauri C geclassificeerd.

Exoplaneten

In 1992 werd het bestaan van exoplaneten bewezen door twee planeten rond de pulsar PSR B1257+12, die daarop PSR B1257+12A en PSR B1257+12B werden genoemd. Dit schiep echter de verwarring dat PSR B1257+12 een dubbelster zou zijn en de twee net ontdekte exoplaneten haar componenten, wat niet het geval is. Dit probleem werd acuut toen in 1999 een exoplaneet om de dubbelster Upsilon Andromedae (specifiek om component Upsilon Andromedae A) werd ontdekt. Sindsdien wordt een exoplaneet met een kleine letter aangegeven achter de sterrenbeeldnaam, beginnende met b (a is de ster zelf), en zo kreeg de nieuwe planeet de naam Upsilon Andromedae b (soms geschreven als Upsilon Andromedae Ab ter onderscheid van de zwakkere component Upsilon Andromedae B). Sindsdien wordt PSR B1257+12 A ook wel PSR B1257+12 b genoemd, maar de oude naam bestaat nog.
In 2011 werd rond de dubbelster Kepler-16 een exoplaneet ontdekt, die om beide componenten A en B cirkelt. Voorlopig heeft deze planeet nog de naam Kepler-16b, maar mocht er een planeet ontdekt worden die slechts om een van beide componenten cirkelt, dan zal de naam veranderen in Kepler-16 ABb.

Voorbeeld

In het hypothetische geval dat men ooit een 4e maan vindt rond een 2e planeet van de zwakke component van de op 12 na helderste dubbelster in het sterrenbeeld Andromeda, dan zal deze ν And Bc IV oftewel Nu Andromedae Bc IV heten. (Nu Andromedae bevat echter tot op heden bekend geen planeten en er zijn ook nog geen manen buiten het zonnestelsel gevonden).

Tegenwoordig dragen de meeste hemellichamen namen bestaande uit een catalogusnummer (bijvoorbeeld NGC 7000 of 3C 273), een code die de auteur(s)/ontdekker(s) aangeeft met een volgnummer (bijvoorbeeld Shapley 1 of SS 433), of een catalogusaanduiding met daarin de hemelcoördinaten van het object (bijvoorbeeld IRAS 17163-3907 of 2MASS J04414489+2301513).

Zie ook[bewerken]