Hendrik Borginon

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Hendrik Borginon
Hendrik Borginon
Volledige naam Hendrik Borginon
Geboren Pamel, 2 november 1890
Overleden Brussel, 2 januari 1985
Kieskring Flag of Antwerpen Province, 1928-1997.svg Antwerpen
Regio Vlag Vlaams Gewest Vlaanderen
Land Vlag van België België
Functie Politicus
Advocaat
Partij 1919 - 1923 Vlaamsche Front
1933 - 1943 VNV
Functies
1919 - 1921 Volksvertegenwoordiger
1932 - 1936 Volksvertegenwoordiger
1936 - 1939 Volksvertegenwoordiger
1939 - 1946 Gecoöpteerd senator
1968 - 1971 Voorzitter IJzerbedevaartcomité
Portaal  Portaalicoon   Politiek

Hendrik Borginon (Pamel, 2 november 1890 - Brussel, 2 januari 1985) was een Belgisch advocaat en Vlaams-nationalistisch politicus voor het Vlaamsche Front en vervolgens het VNV.

Levensloop[bewerken | brontekst bewerken]

Borginon stamde uit een katholieke burgerfamilie uit Brabant. Hij volgde humaniora aan het Klein Seminarie van Mechelen en promoveerde in 1919 tot doctor in de rechten en licentiaat in de wijsbegeerte aan de Katholieke Universiteit Leuven.

Voor de Eerste Wereldoorlog was hij actief in de katholieke flamingantische beweging en maakte hij deel uit van de groep Taalgrens wakker!, met onder meer Jozef Goossenaerts, Philip Van Isacker, Adiel Debeuckelaere, Jules Spincemaille, Ernest Claes en Staf de Clercq. Samen met Staf de Clercq voerde hij in 1912 campagne voor zijn oom Gustave Borginon, die bij de parlementsverkiezingen van 1912 kandidaat was voor het Katholieke Vlaamsche Landsbond in het arrondissement Brussel.

Hendrik Borginon volbracht zijn militaire dienst in de Compagnie universitaire. Aan het einde van zijn universitaire opleiding brak de Eerste Wereldoorlog uit. Als soldaat was hij betrokken bij een gevecht in Namen en daarna belandde hij, via Rouen en Le Havre, in de Vesting Antwerpen en aan het IJzerfront. Wegens ziekte werd hij begin november 1914 overgebracht naar Calais, waar hij zich ongeschikt liet verklaren voor militaire dienst. Hij verbleef vervolgens tot in augustus 1917 achtereenvolgens in Londen en aan de Universiteit van Cambridge en de Universiteit van Oxford, waar hij colleges in verschillende vakken bijwoonde. Toen hij in augustus 1917 terug naar het front moest, verbleef hij achter de linies en hervatte hij daar de contacten met studenten uit wier acties de Frontbeweging ontstond. Samen met Filip De Pillecyn was Borginon de adjunct van Adiel Debeuckelaere, de leider of "ruwaard" van de Frontbeweging.[1]

In oktober 1917 startte Borginon met De Pillecyn, in opdracht van de leiding, het clandestiene geschrift Vlaanderen's Dageraad aan den Yzer op, waarvan de eindredactie bij Borginon berustte. Hierin werd de ideologische grondslag van de beweging uiteengezet die ook na de oorlog invloed bleef uitoefenen, namelijk bij de bepaling van de ideologische achtergrond van de Frontpartij. Het stuk bepleitte de federalisering van België en eiste amnestie voor de activisten. Toen Frans Van Cauwelaert een bezoek aan het front bracht, kwamen meningsverschillen tot uiting, zowel over de tactiek als over de ideologie van de Vlaamsgezinden.

Begin 1918 trad Borginon op als verdediger van veertien soldaten die terechtstonden voor desertie. Zijn pleidooi baarde veel hilariteit door te stellen dat niet de veertien militairen, maar de veertien Belgische ministers in Le Havre de ware schuldigen waren. De veertien werden veroordeeld. Ook was hij de verdediger van andere soldaten die vervolgd werden. Tevens publiceerde hij zowel onder zijn naam als onder een schuilnaam scherpe bijdragen waarin de radicalisering van de Frontbeweging en de verwijdering van gematigde flaminganten zoals Frans Van Cauwelaert werd geëist.

In januari 1919 een uur gearresteerd omdat hij als soldaat in uniform op een debatavond in Gent voor Vlaams zelfbestuur was opgekomen. Begin 1919 was Borginon eveneens medeoprichter van het Verbond der Vlaamse Oud-Strijders. In juli 1920 was hij samen met Frans Van Cauwelaert advocaat van activist Lodewijk Dosfel tijdens diens geruchtmakende proces. Ook verdedigde Borginon andere activisten, zoals Albert D'Haese en Wies Moens. In de eerste helft van 1919 onderhandelden hij en andere leiders van de Frontbeweging met de gematigde flaminganten rond Frans Van Cauwelaert, maar ondanks uitzicht op verkiesbare plaatsen bleek een akkoord niet mogelijk. Borginon twijfelde echter aan de wenselijkheid van het afzonderlijke politieke optreden van de Vlaams-nationalisten omdat hij geloofde dat de Frontpartij een tijdelijk karakter had en haar doelstellingen elders kon realiseren.

Bij de verkiezingen van 1919 was Borginon kandidaat voor de Frontpartij in het arrondissement Aalst. Omdat de Frontpartij een kartel had gesloten met de Christene Volkspartij behaalde de lijst twee zetels in de Kamer van volksvertegenwoordigers en werd Borginon met 724 voorkeurstemmen niet verkozen. Wegens het afhaken van de wel verkozen Daensist Jan-Baptist De Neve, die niet wenste te zetelen kreeg Borginon ztoch een zetel. Hij vestigde zich als advocaat in Brussel, waar hij de rest van zijn leven bleef wonen. Bij de verkiezingen van 1921 stond hij op de tweede plaats van de Frontpartij-Kamerlijst in het arrondissement Brussel, maar hij raakte niet herkozen als volksvertegenwoordiger.

In 1923 nam hij misnoegd ontslag uit de partijraad van de Frontpartij en trok hij zich een tijdlang terug uit de actieve politiek. Borginon liet echter nog sporadisch van zich horen. Zo trad hij in april 1924 op als verdediger in het ophefmakende proces van Remy de Man, die tijdens een Vlaamsgezinde betoging een Franstalige tegenbetoger had doodgeschoten. Borginon stelde dat het zelfverdediging was, ofschoon het slachtoffer ongewapend was en in de rug geschoten werd. Ook was hij geregeld redevoerder bij de Leuvense afdeling van het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond. In februari 1925 publiceerde Borginon in het Rechtskundig Tijdschrift het voorstel om het gerecht in Vlaanderen radicaal te vernederlandsen. In 1926 woonde hij als toeschouwer de plechtigheid bij waarbij de eerste paal van de IJzertoren werd geplaatst.

In 1928 werd hij opnieuw politiek actief toen hij lid werd van het directorium van het Algemeen Vlaams Nationaal Verbond, een nieuwe katholieke Vlaams-nationalistische splinter partij. Om het partijpolitieke Vlaams-nationalisme weer te doen herleven eigende het directorium zichzelf dictatoriale bevoegdheden toe. De afgekallfde Frontpartij was namelijk versplinterd geraakt in verschillende regionale groepingen door de onoverbrugbare ideologische meningsverschillen tussen radicale antidemocratische Groot-Nederlanders en gematigde democratische federalisten. Borginon maakte deel uit van deze laatste groep, ook al noemde hij zichzelf een principieel Groot-Nederlander.

Omdat Borginon er niet in slaagde om het AVNV van de grond te krijgen, stond bij de verkiezingen van 1929 opnieuw op tweede plaats van de Vlaams-nationalistische Kamerlijst in het arrondissement Brussel en was hij eveneens kandidaat voor de Brabantseprovincieraadsverkiezingen. Hij raakte alweer niet verkozen in de Kamer, maar hij werd wel verkozen als provincieraadslid van Brabant, wat hij bleef tot in 1932. In 1931 vertegenwoordigde Borginon de stad Brussel in de hoofdraad van de pas opgerichte Vlaamsch Nationale Volkspartij, een poging om het democratische Vlaams-nationalisme te verenigen tegen het fascistische Verdinaso die echter mislukte.

In 1932 werd Borginon als lijsttrekker verkozen tot volksvertegenwoordiger in het arrondissement Brussel, nadat Staf de Clercq wegens een overtreding van de kieswet van de lijst was geschrapt. Hij werd onmiddellijk aangesteld tot fractievoorzitter, waardoor hij nauw betrokken was bij de onderhandelingen die in oktober 1933 tot de oprichting van het Vlaamsch Nationaal Verbond leidde. Borginon aanvaardde een principieel Groot-Nederlands partijprogramma, maar wenste dat de Vlaamse politieke zelfstandigheid als uitgangspunt van de praktische politieke werking zou gelden boven de antidemocratische programmapunten. Bij de oprichting van VNV vroeg hij tevergeefs de functie van gouwleider.

Hij nam verschillende keren misnoegd ontslag uit de partij, maar hij keerde telkens schoorvoetend op zijn stappen terug omdat hij buiten het VNV geen politieke rol kon spelen. Desondanks speelde hij een zeer actieve rol als VNV-fractieleider.

Bij de verkiezingen van 1936 was Borginon lijsttrekker van de Kamerlijst van het extreem-rechtse anti-semitische Vlaamsch Nationaal Blok in het arrondissement Antwerpen. Hij raakte deze keer net verkozen, maar de kartellijst deed het niet goed. Buiten Antwerpen haalde het VNV wel goede resultaten en bij de verkiezingen behaalde ook de andere fascistische partij Rex een goed resultaat, terwijl de Katholieke Partij zwaar verloor. In oktober 1936 sloten de twee extreem-rechtse partijen Rex en VNV een geheim samenwerkingsakkoord en in december 1936 een beginselakkoord gesloten met de Katholieke Vlaamse Volkspartij, dat in januari 1937 echter door de VNV-leiding werd getorpedeerd. In april 1938 nam hij ontslag als VNV-fractievoorzitter in de Kamer omdat hij het steeds moeilijker had met de partijkoers, maar hij bleef wel loyaal aan zijn partij. Bij de verkiezingen van 1939 duwde Borginon de VNB-Kamerlijst in het arrondissement Brussel. Omdat hij opnieuw niet herkozen werd, werd hij gecoöpteerd senator, wat hij bleef tot in 1946.

Toen Staf de Clercq op 10 mei 1940 door de Belgische Staatsveiligheid werd opgepakt, vroeg Borginon schriftelijk aan eerste minister Hubert Pierlot diens vrijlating en die van alle andere opgepakte VNV'ers. Hij kreeg geen antwoord. Op 14 mei 1940 kregen Borginon en Edmond Van Dieren op de vergadering van de Vlaams-nationale parlementsleden de opdracht de regering naar Frankrijk te volgen om de belangen van de weggevoerde VNV'ers te behartigen. Door de oprukkende Duitse troepen werden deze plannen echter verijdeld. Terug in België kreeg hij na de Franse capitulatie van een door het Comité van de secretarissen-generaal opgericht repatriëringscomité de opdracht in Frankrijk op zoek te gaan naar weggevoerden. Hij vertrok op 21 juli 1940 en zocht in Vichy vruchteloos contact met de Belgische regering die hem niet wilde ontvangen.

Tijdens de zomer van 1940 vroeg hij - nu gesterkt door steun van de bevriende bezetter - tevergeefs samen met andere collaborerende VNV'ers met het Belgische establishment om contact te krijgen met koning Leopold III. De voorwaarden hiervoor waren volgens Borginon de federalisering van het land en machtsposities voor het collaborerende VNV. Hij zou na de oorlog echter altijd stellen dat hij niet de hoogte van het feit dat VNV-leider Staf de Clercq besloten had om samen te werken met de Duitse bezetter, hetgeen erg ongeloofwaardig is; Staf de Clercq was hier herhaaldelijk openlijk voor uitgekomen, en het VNV had actief Vlamingen aangespoord om bij de Waffen-SS te gaan. Borginon was prominent aanwezig geweest tijdens speeches van de Clercq waarin dit duidelijk gesteld werd. Hij heeft er nooit tegen geprotesteerd.

Zijn houding tegenover de collaboratie was duidelijk. Hij verzette zich niet tegen het actief ronselen door het VNV van vrijwilligers voor het Oostfront, of tegen de vervolging en deportatie van Joden. Hij ijverde achter de stemmen voor de benoeming van collaborerende VNVers in het gerecht. Hierbij was de aanstelling van een secretaris-generaal van Justitie die dit wilde bewerkstelligen cruciaal. Borginon ijverde voor de benoeming van Gérard Romsée in deze functie, maar dit mislukte. Op 17 oktober 1941 aanvaardde hij op vraag van de Duitse bezetter de functie van rijkscommissaris voor de grote agglomeraties. In deze hoedanigheid ressorteerde hij onder Binnenlandse Zaken met als doel een eenmaking van een aantal Belgische steden te realiseren op basis van een plan dat door Hendrik Elias in een uitgebreid studierapport was uitgetekend.[2] Een jaar later, na de Duitse nederlaag in Stalingrad, nam Borginon ontslag.

Na de Bevrijding vluchtte Borginon niet. Hij probeerde zijn functie van senator terug op te nemen, maar hij werd tot zijn verbazing onmiddellijk gearresteerd. Het Krijgshof van Brussel veroordeelde hem op 8 februari 1946 tot twintig jaar buitengewone hechtenis en tien miljoen frank schadevergoeding vanwege zijn actieve collaboratie met de Nazi's en de misdaden tegen de Belgische en Joodse bevolking. Op 4 augustus 1949 werd hij vervroegd vrijgelaten. Enkele jaren later werd hij terug als advocaat opgenomen in de balie van Antwerpen.

Na zijn vrijlating speelde hij geen rol meer.

Van 1968 tot 1971 was hij voorzitter van het IJzerbedevaartcomité, een functie waarin hij ook ijverde voor federalisme en zich tevens inzette voor amnestie van veroordeelde VNV'ers en andere collaborateurs.

Bibliografie[bewerken | brontekst bewerken]

Biografie[bewerken | brontekst bewerken]

  • Gedenkboek Mr. Hendrik Borginon 1890-1990, Herdenkingscomité 100 jaar Hendrik Borginon, Brussel, 1991[3]
Voorganger:
Jan-Frans Fransen
Voorzitter van het IJzerbedevaartcomité
1966 - 1970
Opvolger:
Jozef Coene