Hendrik Cock

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Hendrik Cock
HenricusCock.jpg
Geboren Almelo, 16 juni 1794
Overleden Leiden, 20 oktober 1866
Partij ultraconservatief
Religie Nederlands Hervormd
Titulatuur prof.mr.
Functies
1835 - 1865 lid Stedelijke Raad
1846 - 1850;
1850 - 1862;
1862 - 1866
lid Provinciale Staten van Zuid-Holland
1848 Buitengewoon lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Website
Portaal  Portaalicoon   Politiek

Hendrik Cock of ook wel Henricus Cock of Henricus Coccejus (Almelo, 16 juni 1794 - Leiden, 20 oktober 1866) was een Nederlands rechtsgeleerde en politicus.

Hij werd geboren als zoon van Conrad Cock en Bertha Lamberts in de Overijsselde tak van het Bremense geslacht Coccejus, waartoe ook Johannes en Gerardus Coccejus behoorden. Hij voltooide de Latijnse school in Deventer (1805 - 1810), en studeerde klassieke letteren en rechten aan het Atheneum Illustre te Deventer van 1810 tot 1816. Vervolgens studeerde hij rechten aan de Hogeschool te Utrecht (tegenwoordig universiteit), alwaar hij in 1821 promoveerde. Hier waren Hermann Arntzenius en Cornelis Willem de Rhoer zijn belangrijkste docenten. Hij trouwde in 1823 met Aleida Maria Engelberts te Nordhorn, met wie hij 4 dochters en 2 zoons kreeg (de tweede zoon overleed in 1856 op 26-jarige leeftijd). Zijn zoon Conraad Cock zou later ook lid van de Leidense gemeenteraad worden.

Na zijn promotie wilde hij eigenlijk een bestaan opbouwen als advocaat in Deventer, maar uiteindelijk werd hij hoogleraar in de rechten aan het Atheneum Illustre te Deventer (1821 - 1825) en in 1825 werd hij per Koninklijk Besluit benoemd tot hoogleraar publiek recht (natuurrecht, staatsrecht, volkenrecht en strafrecht) aan de Hogeschool te Leiden (tegenwoordig universiteit), wat hij tot 1864 zou blijven. Binnen de universiteit bouwde hij een invloedrijke positie op. Zo was hij in 1834/1835 Rector Magnificus. Hem werd door Koning Willem I der Nederlanden het onderwijs van de erfprins van Oranje (de latere Koning Willem III) en Prins Alexander der Nederlanden.

Van 1835 tot 1865 was hij lid van de Stedelijke Raad van Leiden. Van 1846 tot zijn overlijden was hij met enige tussenpozen lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland voor de Steden (Leiden). In juni 1862 deed zich zelfs de situatie voor dat hij verkozen werd terwijl hij al reeds een zetel vervulde in de Provinciale Staten - omdat de benoeming betwist werd, en zowel het accepteren ervan zou leiden tot weggegooide stemmen en het weigeren teleurstelling zou opleveren.[1]

In 1848 werd hij benoemd als buitengewoon lid in de Dubbele Kamer ter gelegenheid van de Grondwetsherziening van 1848. Hier was hij een tegenstander van de herziening, en met name van de rechtstreekse verkiezingen en vrijheid van vergadering. Hij voerde dan ook het woord bij de algemene beschouwingen, en stemde tegen de hoofdstukken I, II, III, IV, VI, X en de additionele artikelen. Ook was hij tegenstander van de doodstraf.

Cock werd in 1837 benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en in 1858 tot Grootofficier in de Orde van de Eikenkroon (deze laatste hoge onderscheiding ontving hij van zijn vroegere leerling, Willem III). Ook was hij lid van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden (vanaf 1826), lid van het Provinciaal Utrechts Genootschap van Kunsten en Wetenschappen (vanaf 1826) en lid van de Hollandsche Maatschappij van Fraaije Kunsten en Wetenschappen (vanaf 1827).

Externe link[bewerken]

Voorganger:
Jacobus Cornelis Broers
Rector magnificus van de Universiteit Leiden
1835-1836
Opvolger:
Nicolaas Christiaan Kist