Henriette d'Oultremont de Wégimont

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Henriette d'Oultremont
Henriette op een foto in 1862

Henrica Adriana Ludovica Flora (Henriette) des H.R.Rijksgravin d'Oultremont de Wégimont (Maastricht, 28 februari 1792Laurensberg bij Aken, kasteel Rahe, 26 oktober 1864), gravin van Nassau (1841), was de tweede echtgenote van koning Willem I der Nederlanden.

Afkomst en opvoeding[bewerken]

Henriette was lid van de familie D'Oultremont en een dochter van de Luikse Ferdinand graaf d'Oultremont de Wégimont (1760-1799) en de Wageningse viceadmiraalsdochter Johanna Susanna Hartsinck (1760-1830). Na het overlijden van haar vader in november 1799 woonde het gezin wisselend in Brussel en Henegouwen. Henriette volgde onderwijs in Parijs. In 1817 werd zij hofdame van koningin Wilhelmina, de vrouw van koning Willem I.

Huwelijk[bewerken]

Spotprent op het vertrek van ex-koning Willem I en Henriette d'Oultremont de Wégimont naar Pruisen, 1840

In 1839, anderhalf jaar na de dood van Wilhelmina, vroeg Willem I haar ten huwelijk. Dit leidde tot opschudding in de koninklijke familie, in de regering en in het land. Henriette was geen prinses, uit het onafhankelijk geworden België en rooms-katholiek. De ophef was zo groot dat Willem in maart 1840 afzag van een huwelijk. Ook in de kringen van de hofdames leidde dit tot ophef, met name omdat hiermee hofdame Julie von der Goltz (1780-1841), immers moeder van vier buitenechtelijke kinderen van de koning, gepasseerd werd. Na het aanzoek vertrok de laatste naar Berlijn om zich in het Niederländisches Palais terug te trekken, waardoor dit paleis voor Willem en Henriette ontoegankelijk werd.

Na zijn aftreden op 7 oktober 1840 vertrok Willem in november naar Berlijn. Hij noemde zich na zijn tweede huwelijk: koning Willem Frederik, graaf van Nassau. De gelovige Henriette stond erop dat het huwelijk volgens de regelen van haar kerk zou plaatsvinden. Daarvoor diende dus pauselijke dispensatie verkregen te worden daar zij als rooms-katholiek met een protestant wilde trouwen. Dat bleek nog niet eenvoudig, maar lukte uiteindelijk na bemiddeling van haar neef Emile d'Oultremont die Belgisch vertegenwoordiger bij de Heilige Stoel was. Die dispensatie werd verkregen in januari 1841. In Berlijn vond daarna het huwelijk op 17 februari 1841 plaats, volgens protestante en rooms-katholieke gebruiken. Henriette kreeg bij haar huwelijk de titel gravin van Nassau. Op 2 oktober 1841 werd dit huwelijk te 's-Gravenhage geregistreerd in de akten van de Burgerlijke Stand zodat het wettelijk in Nederland erkenning kreeg en het echtpaar Nederland en familie kon bezoeken. Henriette en Willem woonden vervolgens in Berlijn in het Niederländisches Palais aan Unter den Linden.

De koning overleed in Berlijn in december 1843. Henriette verhuisde naar kasteel Rahe in Laurensberg bij Aken. Daar overleed zij 20 jaar later in oktober 1864, 72 jaar oud. Op haar verzoek werd ze begraven in het familiegraf bij het kasteel van Wégimont.

Verdachtmakingen en beeldvorming[bewerken]

Al in de tijd dat de koning zijn voornemen voor een tweede huwelijk kenbaar maakte, waren er geruchten in de media over "het onzedelijk gedrag van de gravin". De biograaf Roppe vermoedde met anderen dat deze werden uitgedacht om het imago van de gravin te beschadigen. De geruchten hadden betrekking op een zogenaamde voorechtelijke affaire van de koning met de gravin, maar ook op haar gedrag. Alles werd uit de kast gehaald om het huwelijk te stoppen. De oudste bronnen over onzedelijk gedrag dateren uit 1839.[1]

In 1950 dook de zaak weer op. De genealoog Julius Schatt (1896-1959)[2][3] meldde dat zijn grootvader Peter Heinrich Fitten (ca. 1836-1889) en diens zuster Elisabeth Ludovica Albertina Fitten (1808-1889) buitenechtelijke kinderen zouden zijn van de koning en de gravin. Schatt kon dit echter nooit met serieuze argumenten staven en de bronnen die hij noemde maken geen gewag van het bestaan van buitenechtelijke kinderen, zoals Schatt beweerde. Mogelijk heeft Schatt de formulering "kinderen die uit het huwelijk zouden geboren worden" verward met "kinderen die reeds zouden geboren zijn". Ook zouden de kinderen in het testament van Willem I genoemd zijn in doorgehaalde passages, maar die blijken over een ander onderwerp te handelen. Ook de vijf andere argumenten van Schatt kon Roppe weerleggen. De Nijmeegse hoogleraar geschiedenis Lodewijk Rogier, die met Schatt sprak, stelde dat "men voor het geval stond van iemand die van een idee-fixe bezeten was, iemand wiens beweringen men niet ernstig kon opvatten".

Nog in 2005 schreef de journalist Crijnen in Trouw over de situatie in de media in 1840: "Er werd zelfs het uit de lucht gegrepen gerucht verspreid dat Willem (67) drie bastaardkinderen bij Henriëtte (47) had. Ruim een eeuw later, in 1950, kreeg deze bewering onverwachts actualiteitswaarde toen een zekere Julius Schatt zich erop beriep dat hij afstamde van een van die kinderen. Het 'bewijs' dat hij aanvoerde stond echter zo haaks op de feiten dat niemand de kwestie serieus nam."[4]

De zaak rondom Julius Schatt zou volgens Roppe te vergelijken zijn geweest met die van Karl Wilhelm Naundorff, die (valselijk, bleek later) beweerde Lodewijk XVII van Frankrijk te zijn.[5] Schatt, een overtuigd nationaalsocialist, blijkt achteraf al in de periode 1930-1934 aan de journalist Ernst Michel brieven te hebben geschreven over zijn vermeende koninklijke afstamming.[6] Pas in 1950 kwam hij daar in bredere kring mee naar buiten.

Nadien bleven de beweringen over de beide kinderen echter opduiken. Met name in overzichten van buitenechtelijke kinderen van de Oranjes passeren ze nog al eens de revue, echter zonder inhoudelijke argumenten en een toelichting op het ontstaan van dit gerucht.[7]

Literatuur[bewerken]

  • Kees Middelhoff, Het omstreden huwelijk, in: Neerlandia. Jaargang 105, Algemeen-Nederlands Verbond, Den Haag / Brussel 2001
  • Nassau en Oranje in de Nederlandse geschiedenis. Alphen aan den Rijn, 1979.
  • L. Roppe, Een omstreden huwelijk. Koning Willem Frederik, graaf van Nassau, en de gravin van Nassau, geboren Henriette d'Oultremont de Wégimont. Kasterlee, 1962.