Herman Kruyder

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Herman Kruyder
1917 Zelfportret met penseel
1917 Zelfportret met penseel
Persoonsgegevens
Volledige naam Herman Justus Kruyder
Geboren Lage-Vuursche, 7 juni 1881
Overleden Amsterdam, 29 april 1935
Beroep(en) Kunstenaar, schilder
RKD-profiel
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur

Herman Justus Kruyder (Lage Vuursche, 7 juni 1881Amsterdam, 29 april 1935) was een Nederlands schilder, tekenaar en glazenier.[1]

Jeugd en opleidingen[bewerken]

Herman werd met zijn tweelingbroer Willem geboren als zoon van Herman Justus Kruyder sr. (1831-1918) en diens tweede vrouw Anna Maria Geertruida Klokke (1843-1931). Het gezin verhuisde in 1884 naar Baarn, waar zijn vader z'n functie als schoolhoofd in De Vuursche verruilde voor hoofd van de nieuw gebouwde Oosterschool in Baarn. Na zijn pensioen op 1 maart 1901 verhuisde zijn vader naar Haarlem.

Herman Kruyder volgde de middelbare school in Baarn en kreeg daarnaast tekenlessen bij Carel van Dapperen, die zelf leerling was van August Allebé. Hij koos daarna voor een beroep van huisschilder in Wormerveer, en werd er bij een familielid opgeleid tot huis- en decoratieschilder. In de avonduren volgde hij lessen aan de avondtekenschool. Rond 1900 kreeg hij de gelegenheid een opleiding te volgen aan de Haarlemse School voor Kunstnijverheid; in 1903 behaalde hij zijn einddiploma. Direct daarna begon Kruyder als glasschilder en later als schilder-ontwerper van gebrande glazen bij het bekende glasatelier 't prinsenhof van Schouten in Delft - de fabriek waar ook Jan Mankes heeft gewerkt.[2]

Leven en werken[bewerken]

Begin[bewerken]

In 1907 ging hij terug naar Haarlem om er landschap te tekenen en te schilderen; hij ging erweer bij zijn ouders wonen. Daar werd hij ook lid van de vereniging 'Kunst zij ons doel', maar ontevreden met het behoudende karakter van die kunstenaarsvereniging richtte hij samen met o.a. de schilder Henri Boot de Haarlemse Kunstkring op. Hier had hij ook contact met de beeldhouwer J. Bronner en de schimmenspeler Ko Doncker; ze richtten het tekengezelschap De Vijfhoek op. Vanaf circa 1910 wijdde hij zich geheel aan de schilderkunst en maakte talloze portretten, figuurstudies, stillevens en bloemen.[2] Ook werkte hij vaak buiten in de natuur en maakte daar schetsen en studies in olieverf van landschappen, in de stemmige kleuren van de Haagse en Amsterdamse School.[3]

In 1912 werd Kruyder toegelaten tot de Amsterdamse kunstenaarsvereniging St. Lukas, waar het luminisme als kunststroming heerst, maar er ook al aandacht werd besteed aan het Fauvisme van een Kees van Dongen. Hij exposeerde er met vijf tekeningen op de leden-tentoonstelling; Leo Gestel is één van zijn mede-exposanten. Hij zou tot 1918 meedoen met de exposities van St Lukas, die twee keer per jaar werden gehouden in de ruimtes van het Stedelijk Museum, Amsterdam.[2] Kruyder werd later meer geïnspireerd door het kubisme en het Expressionisme, en zou van daaruit zijn eigen stijl gaan ontwikkelen: een schilderkunst met intense kleuren.

Wereldoorlog 1.[bewerken]

Rond 1914 bevond Kruyder zich in het vooruitstrevende kunstenaarsmilieu van Haarle; via publicist Job Steynen die veel buitenlandse kunstenaars ontving kwam Kruyder in contact met het gematigde kubisme van de uit Frankrijk uitgeweken schilder Henri le Fauconnier en met het Vlaamse Expressionisme van de naar Nederland uitgeweken Belgische schilder Gustave de Smet en Frits van de Berghe, die zich beiden hier verbonden met de Bergense School. Kruyder maakte zelf dat jaar een serie aquarellen met enkele aangrijpende oorlogstaferelen, waaronder De dood als Voerman die een tafereel laat zien, waarin de Dood gewapend met een zeis op een boerenkar door het ontredderde Belgische land rijdt en de gesneuvelde soldaten verzamelt.[3]

In 1916 trouwde hij met Jo Bouman, die zelf ook een verdienstelijk kunstschilder was; ze verhuisden daarna samen naar Heemstede. In zijn atelier aldaar gaf hij ook schilder- en tekenlessen Tot die tijd was hij nog min of meer bezig met een impressionistisch schilderen, maar omstreeks 1916-17 kwam er andere sfeer in zijn schilderkunst. Hij zwierf door de bossen van Vogelenzang en schilderde daar bos-gezichten in een zonnige toon. Soms nam hij ook bloemen of takken mee naar huis om ze daar te schilderen of schetsen. Zo ontstond daar een aquarel van een tak met grote sparappels, geschilderd in een moderne vormgeving. In 1917 schilderde hij Paradijs 2., van Adam en Eva tussen rechtopstaande beukenstammen; het geheel is heel dun in verf opgebracht en is vol van een licht en kleurig leven.[3] In 1917 had Kruyder ook een solo-tentoonstelling bij galerie De Bois in Haarlem; een jaar later was zijn expositie in het Amsterdamse filiaal van J.H. de Bois. kunsthandelaar De Bois had veel vertrouwen in het talent van Kruyder en sluit voor de jaren 1918-1922 een contract op jaarbasis, zodat hij ongestoord kon werken.[4]

Heemstede[bewerken]

In 1919 verhuisde het stel naar Heemstede, waar Kruyder veel met waterverf begon te experimenteren. Hij neemt o.a. bloemen en stillevens nu tot onderwerp, om daarin die fijne architectonische en coloristische omvorming aan te brengen die hij voor ogen heeft. Maar ook geven ze de achtertuintjes weer en de boeren op hun kleine boerderijen, of tuinders aan het werk Nu ook krijgen de kleuren een voor hem persoonlijke betekenis en wordt het kleurpalet zijn eigen karakteristieke eigendom: meerdere violette kleuren, branderige roden, een feestelijk karmijnblauw en een massief blauw; ze gaan samen maar kennen ook een zekere onderlinge schrilheid in zijn gebruik.[5] /[4] Jos de Gruyter vond deze series aquarellen van Kruyder getuigen van een nauw contact met Leo Gestel die vanaf 1917 in Bergen ging wonen en in de jaren daarna veel weides met koeien en sloten begon te schilderen. De Bois was erg enthousiast over deze werken.[2]

Bennebroek[bewerken]

Kruyder en zijn vrouw vertrokken in 1922 samen naar Bennebroek, waar zij een huis lieten bouwen door de architect John Wildeboer. Zij leefden in hun huis aan de Kleine Sparrenlaan 22 samen met hun honden; hun grote liefhebberij en bovendien bron van inkomsten was het fokken van honden. Ze leefden samen tamelijk teruggetrokken in de natuur, aldaar. In zijn zoeken naar een veilige plek voelde hij zich beschermd en afgeschermd door het bos.[6] Hij en zijn vrouw Jo kregen daar echter te maken met ernstige inzinkingen en hij bovendien lichamelijke kwalen die zijn depressie versterkte. Van januari tot maart werd Kruyder daarom opgenomen in het Provinciaal Ziekenhuis en zijn vrouw gedurende dezelfde periode in de Valeriuskliniek in Amsterdam. Jo schreef januari 1927 in een brief aan hun vriend Henk Albers: 'We zijn blij dat 1926 in 't kerkeputje ligten we een nieuw blaadje kunnen opslaan. Och God wat een jaar was dat'.[2]

Tegelijkertijd werden zijn werken juist uit deze periode door o.a. Gruyters en Jan D. Voskuil gezien als de uitingen van een persoonlijke gedachten- en gevoelswereld, uitgevoerd in een heel eigen geworden schildersstijl. Kruyder maakte toen zijn bekende schilderijen als De brief, De werkstaking en Het vogeltje. Zijn beroemde schilderij Varkensdoder wordt nog steeds gezien als uitgesproken voorbeeld van het Nederlandse Expressionisme.[2] Hij schilderde dit doek naar aanleiding van het slachten van varkens in het dorp; de 'varkensdoder' was de man die het primitieve leven verstoorde en er de dood bracht. Voskuil herinnerde zich nog dat Kruyder hem vertelde:

'..hoe de kreet van het dier dat geslacht wordt, als een schelle noodkreet de vredige dorpssfeer verscheurt. Dit afschuwelijke moment heeft hij getransponeerd in een compositie met felle kleuren, waarin de dood als een bliksemschicht het varkenslijf treft. Alles moet voor hem [Kruyder] op dit moment een benauwende nachtmerrie voor hem zijn geweest.'[7]

Over Kruyder's gedurfde schilderstijl en kleurgebruik schreef zijn galeriehouder De Bois in 1926, ter verdediging van de schilder die met een karikatuur was vereerd door de toenmalige tekenaar Bielkine:

'..een man die een kat giftig groen schildert en ze op een kaasgeel weggetje in een blauw weiland laat zitten koekeloeren, of die een pot met bloemen niet op maar langs de tafel neerzet.. ..is een te goedkoop voorwerp voor spotternij.. ..Zooals hij innerlijk-ongedeerd door Haarlem's gapige straten wandelt, met zijn fluweelen jasje aan en een verfromfaaid peluche hoed kwieks op het hoofd - zo wandelt hij ook door het leven, precies zoo. Niets of niemand deert hem.. ..zo'n knappe schilder toch, die zulke vreemde dingen maakt.. En de laatste jaren werd hij al maar abstracter, al maar vreemder.. .De reactie die, door geheel schilderend Europa , op den hoogste bloei van het impressionisme gevolgd is, heeft hem geboeid en heeft zich van hem meester gemaakt en hij was.. ..een te zeer levend mensch om dat niet met volle instemming te ondergaan.'[8]

Blaricum[bewerken]

In maart 1927 ging Kruyder en zijn vrouw Jo in Blaricum wonen.[1] In zijn voormalige atelierwoning aan de Mosselweg 3 bevindt zich nu nog een door hem vervaardigd gevelsteentje.[9] Dat jaar maakte hij litho's, grote tekeningen zoals De konijnenverloting, en aquarellen; geld voor olieverf was er nog niet! De enkele schilderijen die hij te Blaricum maakte dat jaar, laten een andere schilderstijl zien; Kruyder-biograaf P.C.J. Reyne beschreef in 1953 dat deze werken dunner in de verf zijn geschilderd en minder uitgesproken van kleur zijn, met minder contrasten; de tussentonen en halftinten begonnen vanaf 1927 een overheersende rol te spelen.[2]

Rond 1927 werd het werk van Kruyder ontdekt door de progressieve kunstverzamelaar P.A. Regnault, die tot 1935 elf schilderijen kocht en zeven tekeningen/ aquarellen. Ze bezochten elkaar ook regelmatig, vaak in gezelschap van Leo Gestel, die na de brand van zijn atelier in Bergen ook in Blaricum was komen wonen. Kruyder schreef ook regelmatig brieven naar Regnault, warin hij zijn plannen en voornemens meedeelde zoals het maken van een map met een serie litho's. Ook zijn vrouw schreef Regnault, zoals in het voorjaar van 1930 waarin ze berichtte over Kruyder's welbevinden en labiele situatie. In de zomer van 1929 werd Kruyder inderdaad weer enige tijd opgenomen na een inzinking, evenals trouwens zijn vrouw. Dit zal zich bijna jaarlijks, na een creatieve periode blijven herhalen. Kruyder schreef Regnault hierover in 1930:

'Ik vindt mijzelf een stoere bergbeklimmer die steeds als hij de top in zicht heeft er weer afgestoten wordt, maar eens lukt het.. .Toch moet ik, ik kan niet anders. 't Is zoo jammer dat mijn vrouw altijd zo gauw instort, anders vond ik de zaak niet zo heel erg.'

Kruyder beschreef zelf in 1930 heel kenmerkend zijn schilderwijze van die tijd - in het blad Palet:

'Het is mijn bedoeling, nooit ervan uit te gaan direct te modeleeren. Mijns inziens is dit de taak van de beeldhouwer. Ik modeleer "de vlakken". Niet alleen in de volumen, maar ook in de vlakke tinten, waarin ik dan de fijnste nuanceeringen probeer te krijgen. Uiterlijke effecten laten mij koud. 't Zijn steeds de hooge waarden van de vlakken die het schilderij doen ontstaan. Steeds krijg ik daardoor een onnoemelijke wisseling van facetten. Niet alleen de kleuren, die daardoor haar kracht bewaren, ook de toonen worden, zonder in facetten te zijn geslepen, duidelijk van elkander onderscheiden, door geen ander middel dan door den [verf]toets. De toets rythmeert het licht. - Herman Kruyder' [10]

De depressies waar Kruyder regelmatig last van had lieten hun invloed op zijn schilderijen en tekeningen achter. De werken hebben vaak een beangstigend karakter. De poëtische onderwerpen van het dorp en de mensen, de dieren, de bomen en de bloemen werden in de loop van de jaren twintig steeds beklemmender. De afgebeelde dieren zijn somber en dreigend, de dramatische tekeningen voorspelden zijn zelfgekozen dood, zoals velen na zijn dood meenden te kunnen opmerken.[bron?] Toch genoot hij in deze periode grote bekendheid en het werk uit deze tijd werd zeer gewaardeerd. Een van zijn bekendere werken is de schildering van een angstaanjagende hond met een touw rond zijn nek. In de ogen van de doodsbange hond brandt een groen licht. Zijn realistische zelfportret toont een kop met grote achterdochtige ogen, waarbij de gelijkenis met zijn vader opvalt.[bron?]

Eind 1931 bezocht Kruyder de tentoonstelling van Permeke bij kunsthandel Buffa te Amsterdam. Volgens Regnault maakte zijn schilderijen grote indruk op Kruyder, met name de kleurstellingen, het monumentale van de figuren en de fysieke vervormingen. Begin 1932 deed Kruyder mee aan een tentoonstelling van de Hollandsche Kunstenaarskring, in het Stedelijk Museum van Amsterdam. Zijn recente werken daar werden in een recensie van kunstcriticus Albert Plasschaert heel lovend besproken, waar Kruyder erg mee ingenomen was; hij schreef Regnault 'mij is recht gedaan'.

Amsterdam[bewerken]

Kruyder en Jo verhuisden samen in november 1934 naar Amsterdam, waar ze waren geselecteerd voor het betrekken van een van de gloednieuwe atelierwoningen in de Zomerdijkstraat. Na een zelfmoordpoging overleed hij op 29 april 1935.[2] Zijn vrouw Jo Bouman bleef tot 1940 nog in Amsterdam wonen en verhuisde daarna naar Amersfoort, waar ze nog leefde tot 1973.[11]

Galerij van werken[bewerken]

Werk in openbare collecties (selectie)[bewerken]

Tentoonstellingen[bewerken]

In 1980 werd in het Singer-Museum te Laren een grote overzichtstentoonstelling van zijn werk gehouden. In 2004 was een tentoonstelling in De Hallen in Haarlem.[14]