Herman van den Bergh (dichter)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Herman van den Bergh (Amsterdam, 30 januari 1897 - Rome, 1 augustus 1967) was een Joods Nederlands dichter, journalist, en plagiator. Hij was in 1920 en 1921 redacteur van Het Getij (1916-1924), een tijdschrift waar De Vrije Bladen (1924) en Forum (1932) uit voortgekomen zijn. Van den Bergh wordt gezien als de eerste vitalist[1].

Levensloop[bewerken]

Van den Bergh werd geboren in een Joods gezin. Na zijn studie rechten in Amsterdam, alwaar hij in 1919 promoveerde, volgde Herman van den Bergh een muziekopleiding en speelde hij viool in het Koninklijk Concertgebouworkest. Als journalist van De Telegraaf, waar hij tot 1941 aan verbonden was, was hij jarenlang werkzaam in Rome en Parijs. Ook reisde hij rond in Zuidoost-Europa, Klein-Azië en Noord-Afrika. In april 1938 ontving hij van het Italiaans Ministerie van Buitenlandse Zaken een onderscheiding wegens verdiensten voor de Italiaanse cultuur. Na de Tweede Wereldoorlog werd van den Bergh redacteur en eindredacteur van de Winkler Prins Encyclopedie[2]. Nadat in 1950 de aandacht opnieuw op van den Berghs vitale stijl van poëzie werd gevestigd, keerde hij terug naar Amsterdam waar hij docent Italiaanse cultuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam werd. In 1963 werd hij er vervolgens lector in de Italiaanse letterkunde. In 1958 ontving van den Bergh voor Kansen op een wrak de eerste Boekenmarkt-prijs.

Plagiaat[bewerken]

In 1961 werd van den Bergh gedwongen in De Gids een ‘Verklaring’ te laten opnemen met zijn erkenning dat hij in 1959 in datzelfde tijdschrift vertalingen van gedichten van Wallace Stevens en Stephen Crane onder zijn eigen naam had gepubliceerd. Als excuus gaf hij dat hij de teksten uit een la met allerlei notities had gehaald. Van de genoemde dichters zou hij nog nooit hebben gehoord, stelde hij. Het Engels zou hij te slecht beheersen om eruit te kunnen vertalen.

In 1965 verschenen er van Kees Helsloot over dit plagiaat enkele artikelen in Maatstaf alsmede over enkele tot dan toe onbekende gevallen. In 1982 voegde August Willemsen er in datzelfde tijdschrift nog enkele gevallen aan toe: gedichten van Fernando Pessoa en Carlos Drummond de Andrade presenteerde van den Bergh als eigen werk [3].

Werken[bewerken]

Een selectie van de werken van van den Bergh.

  • De boog (1917)
  • De spiegel (1925)
  • Nieuwe tucht (1928)
  • Verzamelde gedichten (1954) (deze bevatten volgens enkele critici ook plagiaatgevallen)
  • Het litteken van Odysseus (1956)
  • Kansen op een wrak (1957)
  • Verstandhouding met de vijand (1958)
  • Stenen tijdperk (1960)

Externe link[bewerken]