Hertogdom Anhalt-Bernburg

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
Herzogtum Anhalt-Bernburg
Lid van de Rijnbond (1807-1813)
Lid van de Duitse Bond (1815–1863)

 Vorstendom Anhalt-Bernburg (1606-1806) 1806 – 1863 Hertogdom Anhalt 
Algemene gegevens
Hoofdstad Bernburg
Ballenstedt (residentie)
Oppervlakte 848 km²[1]
Bevolking 37.046 (1816)
43.305 (1830)
56.031 (1858)[1]
Talen Duits
Religie Protestants (98%)[2]
Joods (1,5%)
Rooms-katholiek (0,5%)[1]
Munteenheid Reichstaler
Politieke gegevens
Staatshoofd Hertog
Dynastie Anhalt-Bernburg (Ascaniërs)
Bondsdag 1 collectieve stem[3]
Portaal  Portaalicoon   Duitsland

Het hertogdom Anhalt-Bernburg (Duits: Herzogtum Anhalt-Bernburg) was een Duitse staat die bestond van 1806 tot 1863. Tussen 1807 en 1813 was het hertogdom lid van de door Napoleon beheerste Rijnbond en van 1815 tot 1863 was land onderdeel van de Duitse Bond. De hoofdstad van het hertogdom was Bernburg, maar het hof was gevestigd in Ballenstedt.

Anhalt-Bernburg bestond uit een aantal niet met elkaar verbonden landsdelen. Het hoofddeel lag rond de hoofdstad Bernburg en Plötzkau. Het meest westelijke deel lag in het oosten van de Harz met de residentiestad Ballenstedt en Harzgerode, Gernrode en Hoym. Daarnaast behoorde ook het amt Coswig ten oosten van de Elbe tot Anhalt-Bernburg.

Alexius Frederik Christiaan, vorst van Anhalt-Bernburg, werd in 1806 door keizer Frans II tot hertog verheven, een van de laatste beslissingen van de keizer voordat hij later dat jaar aftrad. Samen met Anhalt-Dessau en Anhalt-Köthen trad het land in 1807 tot tot de Rijnbond. In 1863 stierf hertog Alexander Karel kinderloos, zodat hertog Leopold IV Frederik van Anhalt-Dessau zijn gebieden erfde en zo heel Anhalt tot een hertogdom verenigde.

Economie[bewerken]

Landbouw[bewerken]

De landbouw was een van de belangrijkste sectoren van de Anhalt-Bernburgse economie. De bodem van het Unterherzogtum rond Bernburg was zeer vruchtbaar en werd vooral gebruikt voor de teelt van suikerbieten. Hier lagen ook de grotere landgoederen. In het Oberherzgtum werden Aardappels en rogge verbouwd. Het drieslagstelsel was nog zeer wijdverbreid in het hertogdom. Naast akkerbouw was ook de veeteelt van belang: in 1821 bedroeg de omvang van de veestapel 3613 paarden, 12.815 runderen en 88.076 schapen.

Mijnbouw en industrie[bewerken]

Het Oberherzogtum was een rijk mijnbouwgebied waar verschillende metalen, mineralen en grondstoffen gewonnen werden, waaronder zilver, lood, zwavel, vitriool, gips, leisteen, steenkool en zandsteen. In het Harzgebergte werd ijzererts gedolven. In het gebied rond Bernburg werd bruinkool gewonnen.

Anhalt-Bernburg een was aan het begin van de 19e eeuw een grotendeels agrarische samenleving, met nauwelijks industrie. Goederen voor de lokale markt werden door de bevolking thuis geproduceerd. Daarnaast waren in de Harz een aantal ijzersmelterijen gevestigd. De ijzergieterij in Mägdesprung was tot ver buiten Anhalt beroemd om de productie van gietijzeren sierornamenten.

In de loop van de tijd verspreidde de industriële revolutie zich echter ook in Anhalt. In Bernburg werden voor 1822 een Faiencefabriek en een papiermolen gevestigd en in het dal van de Selke werd een kruitmolen geopend. In de exclave Großmühlingen werd in 1835 een suikerfabriek geopend. In 1844 vestigde zich een de eerste producent van machines in de hoofdstad Bernburg, terwijl in Friedrichshöhe bij Güntersberge een Glasfabriek geopend werd.

Hertogen[bewerken]

Regeringsleiders[bewerken]

Regeringspresidenten (1810-1848)[bewerken]

  • 1810 - 1827: Johann Vollrath Ludwig, Freiherr von Salmuth
  • 1827 - 1831: Wilhelm Ernst Karl (von) Pfau
  • 1831 - 1848: Friederich Wilhelm August (von) Kersten

Staatsministers (1848-1863)[bewerken]

  • 1849 - 1850: Heinrich von Krosigk
  • 1850 - 1852: Johann Victor Andreas von Hempel
  • 1852 - 1863: Maximilian Theodor von Schätzell

Noten[bewerken]

  1. a b c 'Anhalt-Bernburg' in: Andreas Kunz (red.), eKompendium HGIS Germany
  2. In 1820 werden de gereformeerde en lutherse kerken in Anhalt-Bernburg verenigd.
  3. In de Engeren Rat deelde Anhalt-Bernburg 1 collectieve stem met Oldenburg, Anhalt-Dessau, Anhalt-Köthen, Schwarzburg-Rudolstadt en Schwarzburg-Sondershausen.
    In het Plenum had Anhalt-Bernburg 1 stem.