Het Jodendom en de Nederlandse koloniën

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jodensavanne, nederzetting van Sefardische Joden aan de Surinamerivier. (ca. 1830)

Het Jodendom en de Nederlandse Koloniën. Ten aanzien van de plaats, die de Joden in de koloniale geschiedenis van Nederland innemen, bestaat een opmerkelijk verschil tussen Oost en West. In het voormalige Oost-Indië vervulden zij nimmer een eigen rol; in Suriname zowel als in Curaçao daarentegen vormen zij nog steeds een groep van betekenis.

Joden in Suriname[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook: Geschiedenis van de Joden in Suriname

In Suriname dateert de eerste vestiging van wat zou uitgroeien tot een betrekkelijk talrijke Joodse bevolking van een tijdstip dat vermoedelijk een dertigtal jaren vroeger ligt dan 1667. In dat jaar werd de tot dan toe Britse kolonie door een eskader van Zeeuwse oorlogsschepen veroverd en vervolgens bij de Vrede van Breda definitief aan Nederland toegewezen. Eind 17e eeuw telde Suriname meer dan 90 Portugees-Joodse families en zo'n 40 à 50 Hoogduitse Joden. De totale joodse bevolking kwam op ongeveer 600 zielen. Zij hadden op dat moment meer dan 40 plantages in eigendom en hielden zo'n 9000 slaven. Een eeuw later, in 1788, telt de stad Paramaribo 1119 huizen waarvan er 213 eigendom zijn van Joden. De totale Europese bevolking van de stad bestond toen uit zo'n tweeduizend personen, daarvan was meer dan de helft van Joodse afkomst. Er bestond een Portugees-Israëlietische gemeente en de Joden hadden ruime vrijheden die waren samengevat in een Engels charter van 1665, dat handvest was een navolging van oudere Hollandse bepalingen omtrent Joodse kolonisten in Amerika. De Surinaamse gemeente vormt waarschijnlijk de oudste blijvende vestiging van Joden op Amerikaanse bodem. In de loop der 18e eeuw werd naast de Portugese ook een Hoogduitse gemeente gesticht.

Joden op Curaçao[bewerken]

Op Curaçao waren onder de eerste kolonisten uit Nederland die zich daar na de verovering in 1634 vestigden, reeds enkele Joden, evenals de Surinamers Portugezen. Legden de Surinaamse Joden zich voornamelijk op de plantagelandbouw toe, op Curaçao waren zij meest kooplieden en ook nu is een goed deel van de handel in hun handen. De Joden kwamen overwegend uit Nederlands-Brazilië enige tientallen jaren onder Nederlands bestuur had gestaan. Toen dit gebied door de Portugezen was heroverd, vluchtten vele Joden naar Curaçao, omdat ze daar een vrijer bestaan verwachtten. De eerste Joodse gemeente op Curaçao werd in 1651 gesticht. Een kleine groep Joodse kolonisten afkomstig uit Amsterdam noemde zich Mikvé Israel (Hoop van Israel). In 1674 werd er een derde synagoge gesticht. De Joden op Curaçao hebben tegenwoordig twee synagogen: een liberale en een orthodoxe. De orthodoxe synagoge staat in de wijk Mahaai in Willemstad. De liberale synagoge staat aan de Hanchi di Snoa in Punda en is de oudste nog functionerende synagoge op het westelijk halfrond. Een andere liberale groepering bouwde een synagoge aan het Wilhelminaplein, de Tempel Emanu-El geheten. In 1964 zijn de twee liberale gemeenten weer bij elkaar gekomen. In de voormalige tempel zetelt nu het Openbaar Ministerie. Beide Joodse gemeenten hebben behalve een synagoge, ieder een Hebreeuwse school (jesjiva) en een mikwe (ritueel bad).

Joden in Indië (Indonesië)[bewerken]

In het toenmalige Oost-Indië heeft voor zover bekend nooit een Joodse gemeente bestaan; het aantal Joden was er in verhouding tot de Europese bevolking nooit zo groot als in de West-Indische koloniën. Ze vervulden wel een niet onaanzienlijke rol bij de eeuwenlange Europese overheersing van Oost-Azië. Men vond Joden in alle kringen van de Europeanen: in het bestuur, de rechtspraak, balie, handel, landbouw en nijverheid. Men vormde echter geen min of meer afzonderlijke groep, zoals in Suriname en op Curaçao onder de invloed van de bijzondere plaatselijke omstandigheden en historische tradities wel het geval was. De verhouding tussen Joden en de rest van de bevolking in Oost-Indië liet niets te wensen over.

Na het koloniale tijdperk[bewerken]

In en na de Tweede Wereldoorlog deelden de meeste Joden in Indonesië het lot van de Europese ingezetenen: niet alleen de Japanse bezetting maar ook de anarchie na die periode en de onafhankelijkheidsstrijd van de Indonesiërs maakten veel slachtoffers. Velen verloren hun bezittingen en vertrokken berooid naar elders.

Volgens tellingen waren er in 1957 nog 450 Joden in Indonesië, in Jakarta Hoogduitse Joden en in Surabaya Sefardische Joden van Iraakse afkomst. In het begin van de jaren 60 emigreerden een aantal Joden naar de Verenigde Staten, Australië en Israël. Her en der verspreid over de archipel leven nog enkele joodse families. In 1969 waren er nog 20 Joden in Jakarta en in Surabaya 25. De laatste synagoge op Java, die in Surabaya, is in 2013 om onduidelijke reden gesloopt.[1] Er resteert nog een Joods gebedshuis in Indonesië, gevestigd te Manado op Sulawesi.