Het Salon Bleu van het koninklijk paleis in Brussel

Het Salon Bleu is een van de salons in het Koninklijk Paleis van Brussel.
Betekenis
[bewerken | brontekst bewerken]Het Salon Bleu in het Brussels koninklijk paleis heeft speciale bekendheid gekregen, omdat er het voorrecht aan verbonden was voor enkele adellijke families om er in exclusief gezelschap de leden van het koningshuis te ontmoeten. Dit voorrecht nam in de verbeelding soms mythische proporties aan. Het behoorde tot een geheel van tegemoetkomingen dat er op gericht was de leidende kringen binnen het jonge land met de nieuwe monarchie te verbinden.
Situering
[bewerken | brontekst bewerken]Tot in 2023 dacht men dat het huidige 'Salon aux Pilastres' het vroegere Salon Bleu was.[1][2] Opzoekingen door rijksarchivaris en archivaris van het koninklijke archief Baudouin D'Hoore hebben aangetoond dat dit niet juist was. Het is het huidige "Salon van de Ambassadeurs" dat vroeger Salon Bleu heette.[3]
Beschrijving
[bewerken | brontekst bewerken]
Het paleis van Brussel was de residentie van koning Willem I telkens hij in Brussel verbleef. Wanneer hij er recepties organiseerde, namen de genodigden de toenmalige eretrap (nu bekend als de Venetiëtrap) om op de eerste verdieping twee salons te betreden die uitkeken op de tuin: het 'Gele Salon' (dat onder Leopold I het 'Rode Salon' werd en later het 'Salon van de Vaas') en het 'Blauwe Salon' (nu het Salon van de Ambassadeurs).
Deze salons behoorden tot het paleisgedeelte dat de appartementen van koningin Wilhelmina bevatte. Naast het Salon Bleu bevond zich haar boudoir, dat later werd geïntegreerd in het Salon Bleu. De muren van dit salon waren bekleed met behang in blauw damast met daarop in het geel koninklijke kroontjes. De gordijnen waren in blauw satijn en de empire stoelen en zetels hadden een blauwe satijnbekleding.
Geschiedenis
[bewerken | brontekst bewerken]Na 1830 kozen de eerste twee koningen, Leopold I en Leopold II, het Salon Bleu als belangrijkste salon in hun paleis. Hun dochters trouwden er. In 1857 ging er de burgerlijke trouw door van prinses Charlotte van België met aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk. In 1875 trouwde prinses Louise, oudste dochter van Leopold II, er met prins Philippe van Saksen-Coburg Gotha.
Het Salon Bleu diende ook als decor voor de ceremonies van opname van de koningen in de Orde van het Gulden Vlies en in de Orde van de Kousenband. De nieuwjaarsrecepties werden er eveneens gehouden.
Het Salon kreeg vooral naam omdat er een politieke rol werd aan toebedeeld door er de vaste ontmoetingsplaats van te maken van de monarch met de voornaamste vertegenwoordigers van de oude adel, die weldra de naam kregen van "Princes du Salon Bleu".
De prinsen van het Salon Bleu
[bewerken | brontekst bewerken]De nieuwe hofhouding die na 1830 tot stand kwam, moest zichzelf bevestigen met regels en gewoonten die beantwoordden aan wat in andere Europese hoven in gebruik was. Men nam hiervoor voorbeeld op wat gebruikelijk was onder het ancien régime. Een van de opdrachten was er voor te zorgen dat de adel zich zou verenigen rond de nieuwe dynastie en die als zijn meerdere zou erkennen.
Een niet onbelangrijk deel van de adel, zelfs van de oude hoge adel, was niet enthousiast over de scheuring in de Nederlanden. Sommigen waren trouw gebleven aan het Huis van Oranje, zoals onder meer leden van de families de Gavre, de Limburg Stirum, de Trazegnies, de Ligne, de Lalaing, en talrijke anderen.[4] Nog andere leden van de adel bleven passief toekijken. Het kwam er op aan voor de jonge en nog zeer kwetsbare staat en voor de niet onomstreden nieuwe dynastie, om zoveel mogelijk de nog zeer belangrijke invloed die van de adel uitging, in de richting van een ondersteuning van België te stuwen.
Daarom werd, onder meer, een kleine groep van oude adellijke families uitgekozen, die het voorrecht kregen om op meer intieme manier met de leden van de koninklijke familie contacten te hebben. Om bijeenkomsten op regelmatige wijze te organiseren, koos Leopold I als vaste ontmoetingsplaats het Salon Bleu. De benaming had wel niets te maken met "blauw bloed" maar alleen met de naam die aan het salon was gegeven.
Families van het Salon Bleu
[bewerken | brontekst bewerken]Na het bestuderen van wat de geplogenheden waren onder het Oostenrijks keizerrijk en wie toen tot de bevoorrechte adellijke families behoorde, werd de lijst opgesteld van wie kon aanspraak maken op "het privilegie van het Salon Bleu". Het werden, in protocollaire volgorde de volgende families:[5]
- de hertogen en prinsen van Arenberg
- de hertogen en prinsen de Croÿ
- de prinsen de Ligne
- de hertogen d'Ursel
- de hertogen de Beauffort
- de graven de Merode Westerloo, prinsen van Rubempré
- de hertogen de Mirepoix
- de prinsen de Rheina Wolbeck- de Lannoy de Clervaux
- de prinsen de Caraman Chimay.
De hiërarchie was alleen van tel voor het familiehoofd. De overige familieleden werden volgens een ingewikkeld protocol nadien gerangschikt, wat af en toe tot hevige disputen aanleiding gaf.[6] Ook al waren de leden van deze families op gelijke voet gerechtigd om in het Salon Bleu te worden genodigd, waakten ze met jaloersheid op het eerbiedigen van de voorrangsregels die de hiërarchie onder hen bepaalden.
Er ontstonden hieromtrent problemen, omdat, buiten de hiërarchische volgorde om, koning Leopold I een bijzondere genegenheid had voor de families de Merode en de Ligne die actief hadden meegewerkt aan het tot stand komen van het Belgisch koninkrijk, daar waar de Arenbergs en de Croÿs passief waren gebleven.
Begin 1855 vernam hertog Prosper d'Arenberg dat zijn zoons voortaan in de volgorde pas na de prins de Ligne zouden voorkomen en zich dus niet zouden kunnen beroepen op de voorrang die voor het familiehoofd d'Arenberg gold. Hij protesteerde hiertegen, maar de koning bevestigde zijn beslissing. Het gevolg was dat de familie d'Arenberg op het volgende hofbal niet verscheen.
Het jaar daarop protesteerde prinses Constance de Croÿ Solre (1789-1869), echtgenote van prins Ferdinand de Croÿ (1791-1865), omdat Marie d'Arenberg die met graaf Charles de Merode getrouwd was, op haar voorrang had. Ze kreeg geen gelijk, omdat, zo werd haar meegedeeld, de koning zijn genegenheid tegenover de familie de Merode wilde uitdrukken.
In 1879 ving prins de Ligne bot toen hij een poging deed om aan zijn zoons voorrang te doen verlenen boven de hertog d'Ursel en de graaf de Merode Westerloo. In 1885 ondernamen de prinsen Antoine en Charles d'Arenberg een poging om helemaal vooraan te staan. Opnieuw weigerde de koning eender welke wijziging die ten nadele zou geweest zijn van de d'Ursels en de Merodes.[7]
Na enige tijd werden ook de ambassadeurs van bevriende naties toegelaten tot het Salon Bleu. Hetzelfde gold vanaf 1858 voor de Belgische ministers van staat. Om alle gegadigden te ontvangen bleek het Salon Bleu wat te klein. "Le cercle du Salon Bleu" verhuisde naar de ernaast gelegen 'Marmerzaal', maar de naam werd behouden.
Lange tijd behielden de edellieden die tot het Salon Bleu werden toegelaten, een bijzondere band met het koningshuis. Zo werd bij een overlijden in deze families, door de grootmaarschalk van het hof een bezoek aan het sterfhuis gebracht en was een vertegenwoordiger van de koning aanwezig op de uitvaart. De leden van het Salon Bleu vroegen vaak om een privé-audiëntie, meestal onder het voorwendsel nieuwjaarswensen te komen aanbieden. Deze gewoonte hield aan tot kort voor de Tweede Wereldoorlog. De voorrechten gingen zelfs over, naar hedendaagse normen, tamelijk onbenullige zaken.[8] Een daarvan was dat de prinsen van het Salon Bleu op koninklijke bals een zitplaats kregen terwijl alle andere deelnemers moesten blijven rechtstaan. Dit was naar analogie van wat in Versailles onder het ancien régime gangbaar was. De oude adel hield vast aan dergelijke symbolische voorrechten, die haar onderscheidde van het "gewone volk", met inbegrip van de adel die niet tot de erkende oude en hoge adel behoorde.
Onder koning Boudewijn werd komaf gemaakt met de voorrechten.[9] Bij grote manifestaties, zoals de receptie voor de tachtig jaar van koningin Elisabeth werden de leden van het Salon Bleu wel uitgenodigd, maar ook vele anderen. In 1958 werd voor het eerste sinds 1934 een groot bal gehouden op het koninklijk paleis ter gelegenheid van de opening van de Wereldexpo 58. Hier opnieuw werden de leden van het Salon Bleu, zonder bijkomende voorrechten, zoals vele anderen uitgenodigd. Het was trouwens het laatste bal dat op het paleis werd gehouden.[10]
De verwijzing naar het Salon Bleu wordt door het Ministerie van Binnenlandse zaken nog altijd gebruikt op de voorrangslijst bij plechtigheden die door dit ministerie wordt gesuggereerd. Op nr. 35 komen de familiehoofden voor van de families van het Blauw Salon en op nr. 86 de overige prinsen en hertogen van het Blauw Salon, niet-familiehoofden.[11]
Het Salon van de Ambassadeurs
[bewerken | brontekst bewerken]Na de dood van koning Albert I werden aanzienlijke werken ondernomen aan het paleis, onder impuls van koningin Astrid.[12] Het Salon Bleu werd iets kleiner en de hele muurbekleding die uit de tijd van Wilhelmina dateerde, verdween. Er bleef niets blauws meer over en men besliste het salon een nieuwe naam te geven. Het werd het "Salon van de Ambassadeurs".
Samen met het 'Salon van de Vaas' bevindt zich het vroeger Salon Bleu tussen de twee appartementen die worden aangeboden aan bezoekende staatshoofden. Koning Albert II had de gewoonte een lunch aan deze staatshoofden aan te bieden in dit salon. In 1999 was het in dit salon dat prins Filip en prinses Mathilde hun koninklijke gasten ontvingen op de dag van hun huwelijk, alvorens naar de Troonzaal te wandelen om er aan het banket aan te zitten.[13]
Bibliografie
[bewerken | brontekst bewerken]- Gita DENECKERE, De plundering van de orangistische adel in april 1834 in: Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis, 1996.
- Els WITTE, Het Verloren Koninkrijk. Het harde verzet van de Belgische orangisten tegen de revolutie 1828-1850, Amsterdam, De Bezige Bij, 2014.
- Els WITTE, L’aristocratie belge et l’Orangisme (1815-1850), in: Belgisch Tijdschrift voor filologie en geschiedenis, 2015.
- Els WITTE, De Belgische orangistische adel, deel II. De rol van de adel in het Belgisch orangisme (1830-1850) in: Virtus, Journal of Nobility Studies, 2019.
- Baudouin D'HOORE, Het Blauwe Salon van het Koninklijk Paleis, in: Museum Dynasticon, 2023, blz. 31-41.
- Baudouin D'HOORE, Le Salon Bleu du Palais Royal, in: Bulletin van de Vereniging van de Adel in het Koninkrijk België, oktober 2023, p. 23-42.
- ↑ de la Kethulle de Ryhove, Thierry, Vandewoude, Emile; Van Yperseele de Strihou, Anne (1975). Le Palais royal de Bruxelles, Brussel, p. 81.
- ↑ (fr) Molitor, A., Janssens, M.; Vermeire M. (1993). Le Palais Royal de Bruxelles. Musea Nostra, Gemeentekrediet van België, Brussel, p. 116.
- ↑ B. D'HOORE, a. w.
- ↑ Els WITTE, a. w.
- ↑ Dit is de lijst zoals ze er, volgens B. D'Hoore, in 1853 uitzag
- ↑ B. D'HOORE, a.w.
- ↑ B. DHOORE, a. w.
- ↑ B. D'HOORE, a. w.
- ↑ B. D'HOORE, a. w
- ↑ B. D'HOORE, a. w
- ↑ Coppieters, Emmanuel (1988). Protocol. Koninklijk Instituut voor Internationale Betrekkingen, Uitgeverij UGA, Heule.
- ↑ B. D'HOORE, a. w.
- ↑ B. D'HOORE, a.w.