Het dikke schrift

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Het dikke schrift
Oorspronkelijke titel Le grand cahier
Auteur(s) Ágota Kristóf
Vertaler Henne van der Kooy
Land Vlag van Zwitserland Zwitserland
Taal Nederlands
Oorspronkelijke taal Frans
Reeks/serie Tweelingentrilogie
Onderwerp "de tweeling" groeit op onder oorlogsomstandigheden
Genre Roman
Uitgever van Gennep
Oorspronkelijke uitgever Édition du Seuil, Parijs
Oorspronkelijk uitgegeven 1986
Medium boek
Vorige boek -
Volgende boek Het bewijs
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Het dikke schrift (oorspronkelijke titel: Le grand cahier) is de eerste roman van Ágota Kristóf, een uit Hongarije afkomstige Franstalige Zwitserse schrijfster. Het boek verscheen in 1986. Voor deze roman kreeg zij veel internationale erkenning. In de roman heeft ze veel autobiografische gegevens verwerkt. De vertelling is zeer feitelijk zonder dat er verdere oordelen worden gegeven. De roman wordt wel beschouwd als het eerste deel van de zogenoemde Tweelingentrilogie.

Het dikke schrift is vertaald in een groot aantal talen.

Achtergrond[bewerken]

Ágota Kristóf begon met het schrijven van teksten als oefening in de Franse taal. Ze schreef notities in een schoolschrift en op losse velletjes papier en verzamelde deze. De notities bevatten veel autobiografisch gegevens of gegevens die ze had gehoord van anderen. In eerste instantie waren deze bedoeld voor haar kinderen als informatie over haar leven. Voor het eerste boek verwerkte Kristóf de notities tot een roman. "Wij" in haar eerste roman Het dikke schrift staat voor Ágota zelf en de oudere broer Jenő (Janó, Yano), met wie Ágota veel optrok.

Het dikke schrift omvat 60 hoofdstukken, die bestaan uit korte opstellen van ongeveer een tot twee bladzijden. Alle hoofdstukken hebben een titel, die het onderwerp van het opstel duidelijk weergeven. In een karig woordgebruik wordt de situatie tijdens de oorlog, de bevrijding en de daaropvolgende bezetting beschreven vanuit het standpunt van een tweeling. Hoewel er gruwelijke scènes voorkomen in de roman, is deze toch gebruikt voor het onderwijs in de Franse taal, vanwege de eenvoudige zinsbouw en het gebruik van alleen de tegenwoordige tijd. Het thema is: "Hoe zou het zijn geweest, als ik niet ondraaglijk eenzaam zou zijn geweest". De verteller, de hoofdpersoon en de focalisator is "wij", een tweeling die met één stem spreekt, waartussen verder geen onderscheid is te maken. De toegesprokene (addressee) is algemeen en anoniem, volgens het verhaal de tweeling zelf.

Kristóf bewerkte en herschreef 14 maal het manuscript. Ze stuurde het op naar verschillende uitgevers, en uiteindelijk werd het uitgegeven in Parijs door Editions du Seuil, die ook de twee volgende romans uitgaf.

Het boek werd in 2013 verfilmd als The notebook.[1]

Het verhaal[bewerken]

Gedenkplaat voor Kristóf Ágota, winnares van de Hongaarse staatsprijs, aan de muur van het Kanizsai Dorottya Gimnázium, met een verwijzing naar haar eerste boek.
Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details over de inhoud en/of de afloop van het verhaal.

Een moeder brengt een tweeling uit de grote stad[2] naar hun 'grootmoeder' omdat ze niet meer voor de tweeling kan zorgen. Grootmoeder woont aan het einde van de kleine stad[3]. 'Grootmoeder' zal de tweeling leren wat leven is. 'Grootmoeder' heeft een moestuin en huisdieren en aan de overkant van de weg een wijngaard. De tweeling doet al het huishoudelijke werk voor 'grootmoeder'. De tweeling maakt een brug over de beek en vangen vis in het bos. In de kleine stad wonen ook andere kinderen uit de grote stad bij vreemden, waar ze moeten werken en slecht worden verzorgd.

De tweeling doet hardingsoefeningen voor het lichaam om pijn te verdragen als de tweeling geslagen wordt door 'grootmoeder' en andere mensen. Ze stellen zich voor dat iemand anders die pijn heeft, en dat die zich brandt, zich snijdt en lijdt.

De tweeling doet hardingsoefening voor de geest om zich te harden tegen het uitschelden door 'grootmoeder' en de andere mensen. Ze moeten de lieve woordjes vergeten die moeder tegen hen zei, omdat niemand nog dergelijke woorden tegen hen zegt en omdat de herinnering een te zware last is om te dragen. De tweeling doet bedeloefeningen, oefening in blindheid en doofheid tijdens bombardement en oefening in het vasten. De tweeling doet oefening in wreedheid: ze doden kikkers, vlinders, een kater en muizen.

De tweeling maakt opstellen, waarin ze in een dik schrift opschrijven wat er is, wat ze zien en wat ze horen. De tweeling doet dit volgens het criterium: objectieve feiten zijn goed; gevoel is fout, want het is niet de waarheid maar vaag.

Als de tweeling laarzen voor de winter wil kopen heeft te weinig geld. De schoenmaker geeft ze laarzen omdat de tweeling het nodig heeft en hij de volgende dag opgehaald en gedood zal worden. De tweeling geeft het buurmeisje Hazenlip winterhulp. De tweeling koopt en steelt eten voor de buurvrouw als oefening in vingervlugheid. De tweeling bedreigt de pastoor met een schandaal als hij niet wat meer geld geeft voor de buurvrouw en buurmeisje. De tweeling zegt de pastoor, dat het er niet toe doet of het waar of onwaar is, wat telt is de roddel. De pastoor geeft geld voor het buurmeisje en de buurvrouw uit barmhartigheid, en niet omdat de tweeling hem chanteert, zo zegt hij.

De tweeling maakt muziek in het café. De tweeling leert jongleren en goochelen en krijgt geld voor optreden. De tweeling ziet oorlogsslachtoffers in het café. De tweeling leert drinken en roken in café en hoort daar veel geheimen. De tweeling voert toneelstukjes op.

In de kleine stad is regelmatig luchtalarm wegens bombardementen. Een stoet gevangenen[4] wordt weggevoerd door de buitenlandse soldaten[5]. 'Grootmoeder' is geslagen door de soldaten omdat ze appels heeft laten vallen voor een stoet gevangenen.

De buitenlandse soldaten vluchten naar het buitenland. De tweeling ziet in het doorgangskamp[6] vier stapels met verkoolde lijken, volwassenen en kinderen. Moeder komt met de baby (naar ze zegt 'het zusje' van de tweeling) de tweeling ophalen in de jeep van de buitenlandse officier. De tweeling wil niet met moeder mee. Moeder en de baby komen door een granaatexplosie om in de tuin, waar ze worden begraven.

De nieuwe buitenlandse soldaten[7] doorzoeken de huizen in de kleine stad. De huizen in de kleine stad worden geplunderd door dieven, ook door het buurmeisje en door de tweeling, die schrijfwaren steelt.

Het buurmeisje is verkracht en gedood door de buitenlandse soldaten. De buurvrouw vraagt de tweeling haar huis in brand te steken omdat ze wil sterven, de tweeling snijdt haar eerst de keel door. De krijgsgevangenen[8] worden ver weg gebracht naar een koud en onbewoond land[9], waar ze moeten werken en zullen sterven[10].

Vader was krijgsgevangene, hij komt terug en zoekt zijn vrouw. Vader gaat ervandoor nadat hij de in de tuin begraven skeletten heeft gezien van moeder en de baby. Vader komt terug en wil dat de tweeling hem helpt vluchten over de grens. De tweeling verbrandt alle papieren van vader, behalve moeders foto en brengt hem bij de grens. Vader sneuvelt bij het overgaan van de grens. Eén lid van de tweeling gaat de grens over naar het andere land door de vader op te offeren, omdat dit de enige manier is.

Personages en locaties[bewerken]

Personages en locaties
Personages
De volgende personages, die slecht zelden een naam hebben, komen wat vaker voor:
  • de buitenlandse soldaten (de eerste)
  • de buitenlandse soldaten, de Bevrijders
  • de buurvrouw, de moeder van Hazelip
  • de deserteur
  • het dienstmeisje van de pastoor
  • de dode soldaat
  • de gevangenen
  • de grootmoeder van de tweeling, de heks
  • de grootvader
  • Hazenlip, het buurmeisje
  • de andere kinderen
  • de moeder
  • het nichtje
  • de officier
  • de ordonnans
  • de pastoor
  • de politie
  • de vader
  • wij (de "hoofdpersoon")
  • het zusje
Locaties
De volgende locaties,
die maar zelden een naam hebben,
komen wat vaker voor:
  • de Kleine Stad
  • Grootmoeders huis
  • de school
  • de grens
  • de gevangenis

Zie ook[bewerken]