Historische Bijbelkritiek

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kleitablet met het Gilgamesj-epos, de Mesopotamische versie van het zondvloedverhaal

Historische Bijbelkritiek is het wetenschappelijk bestuderen van de in de Bijbel vermelde gebeurtenissen. Omdat de eeuwenoude overleveringen in de Bijbel niet altijd met de resultaten van modern wetenschappelijk onderzoek overeenkomen, lijkt er soms een kloof te ontstaan tussen een deel van de gelovigen en een deel van de wetenschappers. Dit artikel beschrijft in grote lijnen de verschilpunten tussen moderne wetenschappers en de inhoud van de Bijbel. In het artikel schriftkritiek wordt het wetenschappelijk onderzoek naar de totstandkoming van de teksten, de eenheid, ouderdom en auteurschap van de Bijbelboeken beschreven. In het artikel over tekstkritiek wordt de wetenschap beschreven die de oorspronkelijke Bijbeltekst reconstrueert.

Doel en uitgangspunten[bewerken]

Het doel van historische Bijbelkritiek is het nagaan of hetgeen in de Bijbel staat, historisch betrouwbaar is.

In de moderne wetenschap wordt de wetenschappelijke methode als uitgangspunt gebruikt bij onderzoek en het opstellen van wetenschappelijke theorieën. De Bijbel wordt met dezelfde wetenschappelijke en rationele criteria benaderd als de Upanishads, de Tripitaka, de Koran, het Boek van Mormon en talloze andere geschriften. Aan de hand van deze criteria tracht men fictie of legende van historische feitelijkheid te onderscheiden. Hetzelfde geldt voor de beeldvorming en (re)constructie van (religieuze) historische figuren: “Ook voor gelovige onderzoekers is het sinds lang een evidentie geworden dat het historische onderzoek naar Jezus zich principieel aan precies dezelfde criteria moet houden als bijvoorbeeld het onderzoek naar Marx of Hitler. Religieuze overtuigingen kunnen dit onderzoek niet sturen. Antireligieuze evenmin”, aldus professor Peter Schmidt van de Katholieke Universiteit Leuven.[1]

Geschiedenis[bewerken]

Tot in de middeleeuwen was Bijbelkritiek een ongewenste activiteit. Het kritisch lezen van de Bijbel werd niet alleen niet op prijs gesteld; het was gevaarlijk omdat de kerken een ondermijning van hun gezag niet duldden en de overheid Bijbelkritische onderzoekers vervolgde wegens ketterij.

Sola Scriptura[bewerken]

Het zorgvuldige onderzoek naar de bronnen van het christendom onder de christenen was aanvankelijk vooral een protestantse zaak. Het uitgangspunt van de protestanten was dat het geloof uitsluitend gebaseerd diende te worden op de Bijbel, sola scriptura, met uitsluiting van de apostolische traditie zoals die overgeleverd zou zijn binnen de rooms-katholieke kerk. Luther en Calvijn stelden dat alleen de Bijbel als betrouwbare bron kon dienen voor het ware geloof, en niet de autoriteit van Rome.

De discussie richtte zich in eerste instantie op de betrouwbaarheid van de Vulgata, de katholieke Bijbel. Die was in de vierde eeuw door Hiëronymus van Stridon op last van Paus Damasus I opgesteld. Er waren toen vele van elkaar afwijkende Griekse en Latijnse varianten van het Nieuwe Testament bekend en Hiëronymus kreeg de opdracht een reconstructie te maken van het "ware" evangelie. Maar daarbij liet hij zich, volgens de protestanten, te veel leiden door de rooms-katholieke dogma's. Hiëronymus maakte een onderscheid tussen "geïnspireerde" teksten en "niet-geïnspireerde". Als criterium gold daarbij volgens hem de kerkelijke leer. Niet-geïnspireerde teksten, afwijkend van de kerkelijke leer, beschouwde hij als vervalsingen door ketters. Teksten die overeenkwamen met de kerkelijke leer, noemde hij geïnspireerd door God. De protestanten wilden terug naar de oerteksten van vóór de Vulgata.[2]

De protestantse tekstkritiek leidde tot het zogenaamde historisch-kritische onderzoek. Het historisch-kritische onderzoek omvatte in de daarop volgende eeuwen zeer uiteenlopende uitgangspunten, methoden en conclusies.

Spinoza[bewerken]

Een van de vroegste werken die een radicaal ander licht werpt op de Bijbel en het bovennatuurlijke is de Tractatus theologico-politicus. Dit werk, dat in 1670 anoniem verscheen, veroorzaakte een storm van verontwaardiging. In dit werk ontkent Baruch Spinoza (1632-1677) het bestaan van het bovennatuurlijke, het bestaan van wonderen en de volmaaktheid van de Schrift door het bovennatuurlijke als inbeelding te kwalificeren, wonderen niet als uitzondering op natuurwetten maar als enkelvoudige realisaties van natuurwetten te beschouwen en de vele contradicties en onmogelijkheden in de Schrift aan te tonen. Hij houdt vervolgens een vurig pleidooi voor de scheiding van theologie en filosofie. De titel van het werk is veelzeggend: Theologisch-politiek traktaat, bevattende een aantal uiteenzettingen, waarin wordt aangetoond dat men de vrijheid van filosoferen niet alleen kan toestaan met behoud van de vroomheid en van de vrede in de staat, maar dat men haar niet kan opheffen zonder tevens de vrede in de staat en zelfs de vroomheid op te heffen. Het gaat Spinoza om het recht op het vrije gebruik van de rede, zonder inmenging van de zijde van de theologen.[3]
Ook stelt Spinoza in dit werk dat de profeten gewone mensen waren met een uitzonderlijke verbeeldingskracht en een juiste morele gezindheid, die in staat waren het volk op eenvoudige wijze te leren over de goede levenswandel. Hij ontkent echter, dat zij namens God spraken: dit is binnen het kader van zijn pantheïstische natuurfilosofie immers onmogelijk. In tegenstelling tot de andere profeten erkent hij wel de goddelijke natuur van Jezus, als een volmaakt voorbeeld van zedelijkheid.

Andere vroege historisch-kritische ideeën[bewerken]

De censuur weerhield geleerden als Scaliger, La Peyrère en Saumaise er niet van om in brieven aan vrienden Bijbelkritiek te uiten. La Peyrère publiceerde in 1655 anoniem zijn Præadamitæ, een boek waarin hij stelde dat er vóór Adam mensen hadden geleefd. "Close reading" leerde La Peyrère dat er twee scheppingsverhalen in de Bijbel staan.

De eerste voorzichtige Bijbelkritiek in Europa vond plaats ten tijde van Hugo de Groot.[4] De Bijbelkritiek raakte vanaf de zeventiende eeuw in een stroomversnelling. Er werden steeds meer natuurwetten ontdekt en filosofen en andere geleerden voelden zich vrijer om te publiceren. Hugo de Groot publiceerde in 1644 een boek waarin hij stelde dat het Bijbelboek Prediker niet aan Salomo moet worden toegeschreven.[5] In zijn in Parijs geschreven "Dissertatio de origine gentium Americanarum" uit 1643 probeerde Hugo de Groot de autoriteit van Genesis te redden door te stellen dat het Indiaans, zoals iedere taal, terug te voeren was op het Hebreeuws. Grotius' stellingen werden al in datzelfde jaar door Johannes de Laet in zijn "Notae ad dissertationem Hugonis Grotii De origine gentium americanarum, et observationes aliquot ad meliorem indaginem difficillimae illius quaestionis"[6] weerlegd.

Het stilstaan van de zon tijdens een door Jozua uitgevochten veldslag was onverenigbaar met het heliocentrische wereldbeeld van Copernicus. De overlevering dat Jezus op het water liep (Jozua 10:12, 13; Mattheüs 14:23-34) is onverenigbaar met natuurwetten. Door de 17e-eeuwse Nederlander Gerardus Vossius en ten tijde van de Franse Revolutie werd er openlijk getwijfeld aan de zondvloed omdat het onbestaanbaar was dat er zoveel water aan de zee werd toegevoegd.

De historisch-kritische school[bewerken]

Tijdens de Verlichting in de 18e eeuw ontstond in Duitsland onder lutherse kerkhistorici het zogenaamde historisch-kritisch onderzoek. De historische betrouwbaarheid van de evangeliën als basis voor het geloof was het centrale punt in de beginfase. Tegenwoordig is het historisch onderzoek naar Jezus niet meer zo sterk gericht op het bewijzen van zijn bestaan, en op het gelijk van de protestanten, maar op de historische omstandigheden waaronder zijn boodschap wortel kon schieten en op de historische kern(en) van die boodschap.

Reimarus, Semler, Lessing[bewerken]

De opzet van het eerste historisch-kritische onderzoek was aanvankelijk om het gelijk van Luther te bewijzen tegenover Rome. Door dit academische historisch-kritisch onderzoek van het christendom, kwamen feiten boven tafel die twijfel deden rijzen aan de evangeliën als betrouwbare historische bron. Zo kwam Johann Salomo Semler (1725-1791) in zijn canon-onderzoek tot de conclusie dat de selectie van de canon toevallig zou zijn geweest. Het Woord van God en de Bijbel zijn bij hem twee verschillende dingen. Semler houdt wel nog vast aan Jezus als openbaring van God.

De Duitse deïst Hermann Samuel Reimarus (1694-1768) ging, al eerder dan Semler, een stap verder. Hij en Gotthold Ephraim Lessing (1729-1781) meenden dat de werkelijke boodschap niet aan de man te brengen was in de tijd van zijn ontstaan en daarom door het christendom was vervalst. Wonderen en andere bovennatuurlijke elementen wezen zij af, en zij stelden bovendien dat de mens geen openbaring nodig zou hebben. Zij verwezen naar het ethische karakter van de religie, in plaats van het openbaringsgeloof. In Jezus zou deze ethisch religieuze betekenis vorm gekregen hebben. Een tegenstander van deze rationalistische opvattingen was Johann Melchior Goeze (1717-1786), die vasthield aan de historiciteit van de gebeurtenissen in het Nieuwe Testament.

De voorgaanden probeerden het christusdogma op een of andere manier in rationele zin opnieuw te reconstrueren, David Hume (1711-1776) kwam echter tot de slotsom dat alles wat buiten natuurwetenschappelijk te verklaren gebeurtenissen over Jezus gezegd wordt, niet waar kan zijn. Net als Hume vond ook Reimarus dat de goddelijkheid van Jezus een ideologische projectie van de kerk was.

In de late 18e eeuw werd door geologisch onderzoek duidelijk dat de aarde zeer veel ouder was dan uit de Bijbel kon worden opgemaakt en theologen als Julius Wellhausen (1844 - 1918), verklaarden in de late 19e eeuw de oorsprong en ouderdom van de Bijbelverhalen van het Oude Testament door een methode van taalkundige deductie.

In de 19e eeuw gingen wetenschappers de Bijbelboeken bestuderen zoals zij dat met ieder boek deden.

Strauss, Weiss, Schweitzer[bewerken]

Een belangrijke en invloedrijke poging om door middel van historisch-kritisch onderzoek historische gegevens uit de evangeliën te halen is gedaan in de 19e eeuw door David Friedrich Strauss (1808-1874). Hij verwierp alle bovennatuurlijke en messiaanse elementen uit de evangeliën, echter verklaarde hij de goddelijkheid van Jezus als gevolg van een historisch mythologiseringsproces en niet als bewuste manipulatie.[7] Jezus is bij Strauss een persoon, die een boven het christendom uitstijgende oer-religie vertegenwoordigt (vgl. Semler).[8]

Het onderzoek dat in de lijn van Strauss in de 19e eeuw werd gedaan, wordt de Leben Jesu Forschung genoemd. Aan het begin van de 20e eeuw bekritiseerden de nieuwtestamentici Johannes Weiss (1863-1914), Martin Werner en Albert Schweitzer dit onderzoek omdat dit het eschatologische karakter van Jezus' prediking over het hoofd had gezien. Schweitzer erkende dat de evangeliën niet konden dienen als historisch betrouwbare bron over het leven van Jezus, maar stelde dat dit geen afbreuk hoefde te doen aan de leer van Jezus, die wel betrouwbaar zou zijn overgeleverd. Schweitzer liet bovendien zien dat in het tot dan verschenen historisch-kritische werk de visie van de auteur en de tijdgeest de uitkomsten van het onderzoek leken te bepalen.

Johannes Weiss en Martin Kähler (1835-1912) plaatsten Jezus' boodschap in de wereld van Jezus, die voor-wetenschappelijk was. Het werd voor hen belangrijk een scheiding te maken tussen de "oorspronkelijke inhoud" van het evangelie en de daaruit voortvloeiende wereldbeschouwelijke inkleding ervan. Met hen was het kerygma, de oorspronkelijke tot bekering oproepende Jezus zoals deze in de overlevering te vinden is, in het historisch-kritische onderzoek ingetreden. "De werkelijke Christus is de gepredikte Christus", aldus Kähler.[9]

Verschillen tussen de Bijbel en hedendaagse opvattingen[bewerken]

Geschiedenis en archeologie[bewerken]

De inhoud van het Oude Testament is vanaf ongeveer 900 voor Christus moeiteloos te harmoniseren met de geschiedschrijving van de omwonende volkeren. Vóór 900 v.Chr. zijn er enkele problemen. Enerzijds komen de gewoonten van bijvoorbeeld Abraham, Isaak en Jakob overeen met wat we van hun tijd weten (de inzet van slavinnen als draagmoeder bijvoorbeeld), anderzijds zijn er verschillen (volgens de archeologie hield men geen kamelen als huisdier in die tijd). Uit de tijd van voor 900 voor Christus, komen we maar zelden bekende namen tegen in buiten-Bijbelse geschriften; koning David was een machtig vorst, maar zijn naam wordt maar zelden aangetroffen. Een deel van de problemen berust mogelijk op misverstanden; volgens sommigen was de farao die het volk Israël vrij moest laten Ramses II, volgens anderen Amenhotep III of Thoetmosis IV. Wanneer men de laatsten aanhoudt, verdwijnen er een paar problemen, zoals het tijdstip van de verwoesting van Jericho. De Bijbel noemt de naam van de bewuste farao niet. Bijzondere vragen roepen de eerste twaalf hoofdstukken van Genesis op. Als de heidense wereld bijvoorbeeld een zondvloedverhaal kent (het Gilgamesj-epos) dat sterk op het Bijbelse gelijkt, zullen sommigen dat een aanwijzing voor de historiciteit van de zondvloed noemen, anderen denken veeleer dat de Bijbel een bekend verhaal heeft verwerkt.

Wereldbeeld[bewerken]

Vrijwel alle christenen zullen ermee instemmen dat het wereldbeeld van de Bijbel anders is dan het onze. Ook christenen geloven dat de aarde een bol is die rond de zon draait en nemen oudtestamentische beelden van een aarde op zuilen onder een hemelkoepel en omspoeld door een oerzee niet letterlijk. Gods spreken past zich aan aan het wereldbeeld van de mensen tot wie hij spreekt (dat wordt wel accommodatie genoemd). Gelovigen verschillen van elkaar in hoe ver men dit principe toepast. Sommigen accepteren moeiteloos de evolutietheorie. Anderen achten de evolutietheorie in strijd met wat de Bijbel ons vertelt. Sommigen van hen gaan ervan uit dat de aarde slechts enkele duizenden jaren oud is en sommigen geloven dat de aardlagen in korte tijd door de zondvloed zijn ontstaan. (Zie creationisme).

Wonderen[bewerken]

De Bijbel beschrijft wonderbaarlijke gebeurtenissen, bijvoorbeeld rond de uittocht uit Egypte en de verovering van Kanaän, rond de profeten Elia en Elisa, en toen Jezus Christus op aarde was. Wonderen dienen altijd een doel; God wil er iets mee duidelijk maken. Dat betekent dat een wonder meestal een uitzondering moet zijn op een natuurwet, bijvoorbeeld een bijl die op water drijft. Is het wonder geen uitzondering meer, dan is ze een verbijzondering van de natuurwet, in dit geval de wet van Archimedes. Het hangt van iemands wereldbeeld af of hij de mogelijkheid van wonderen in beginsel accepteert of verwerpt. Veel christenen accepteren wonderen met het argument dat wonderen het resultaat zijn van de bovennatuurlijke werking van Gods macht.[10] Men kan ze dus niet met natuurwetenschappelijke methoden onderzoeken, bevestigen of verwerpen.

Literatuur[bewerken]

Zie ook[bewerken]