Hortus botanicus Leiden

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Hortus Botanicus Leiden
Hortus Botanicus Leiden - De Wintertuin.JPG
Opgericht 1590
Locatie Rapenburg 73, Leiden
Coördinaten 52° 9′ NB, 4° 29′ OL
Personen
Directeur Prof. dr. E.F. Smets (Wetenschappelijk Directeur)
Dr. Paul J.A. Keßler (Prefect)
Lid van Nederlandse Vereniging van Botanische Tuinen (NVBT), Stichting Nationale Plantencollectie (SNP), Nederlandse Museumvereniging, Museumgroep Leiden, Botanic Gardens Conservation International (BGCI), League of European Research Universities (LERU), Coimbra groep Universiteiten OAM
Website Hortussite
Hortus botanicus Leiden
Hortus botanicus Leiden
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur
Hortus, gezien vanaf de Witte Singel
De Oude Sterrewacht aan de Witte Singel

De Hortus botanicus Leiden is de oudste nog bestaande botanische tuin van Nederland en is in 1590 opgericht aan het Rapenburg in Leiden. De tuin is vanaf het begin toegankelijk geweest voor het publiek, wat vooral in de zestiende en zeventiende eeuw een uitzondering was.

De tuin werkt samen met een groot aantal partijen, zoals andere botanische tuinen, herbaria, (natuurhistorische) musea, universiteiten, overheidsinstanties en verenigingen van (planten)liefhebbers op nationaal en internationaal niveau. De directeur van de hortus is tevens directeur van het Nationaal Herbarium Nederland, waarmee nauw wordt samengewerkt.

Geschiedenis[bewerken]

Na de stichting van de Universiteit Leiden in 1575 bleek het wenselijk om een 'Hortus Medicus', een tuin waarin studenten geneeskunde geneeskrachtige planten konden bestuderen, aan te leggen. Op 15 maart 1587 deden enkele bewindvoerders van de universiteit aan het gemeentebestuur het verzoek om de onbebouwde grond achter het Academiegebouw aan het Rapenburg ter beschikking te stellen voor de aanleg van de tuin voor het onderwijs in de geneeskunde. Het antwoord liet lang op zich wachten, maar uiteindelijk werd de grond van circa 1250 m² aan de universiteit overgedragen op 9 februari 1590, algemeen gezien als de stichtingsdatum van de botanische tuin.

Hierna begon de zoektocht naar een directeur. Uiteindelijk werd Carolus Clusius in 1592 gevraagd om hoogleraar aan de universiteit en directeur (praefectus horti) van de tuin te worden. In 1593 aanvaardde hij. Al in 1592 stuurde de Oostenrijkse diplomaat Ogier Gisleen van Busbeke hem tulpenzaden. Ook in dat jaar had Clusius al zaad van 251 plantensoorten vanuit Kreta naar Leiden laten zenden. In 1594 werd met de eerste beplanting van de tuin begonnen.

Omdat Carolus Clusius bij zijn aanstelling al 67 jaar oud was en bovendien invalide, werd de Delftse apotheker Dirck Outgaertsz. Cluyt aangesteld om als hortulanus de dagelijkse leiding op zich te nemen. Clusius wilde de tuin laten inrichten met alle tot dan toe bekende soorten uit het plantenrijk. Op dat moment nog onbekende planten als tulpen en in latere tijden tomaat, tabak, maïs en aardappel werden aangeplant en kregen door de botanische tuin hun bekendheid in Noord-Europa. Ook werden er planten aangeplant die door de Vereenigde Oostindische Compagnie naar Europa werden gebracht.

De Leidse Hortus anno 1610 (Woudanus)

Van 1709 tot 1730 was Herman Boerhaave directeur. Onder zijn leiding werd het aantal plantensoorten uitgebreid tot 5846. Onder het directoraat van Adriaan van Royen van 1730 tot 1754 werd het oppervlak verdubbeld en reikte de tuin tot aan de stadswal (waar zich nu de Witte Singel bevindt). Hij maakte de komst mee van Carolus Linnaeus, die in de jaren 1735-1737 regelmatig de botanische tuin kwam bezichtigen. Van 1754 tot 1786 was David van Royen directeur. Van 1752 tot 1814 was Nicolaas Meerburgh eerst onderknecht en later hortulanus. Hij publiceerde boeken met daarin tekeningen van planten die in zijn tijd in de botanische tuin groeiden.

Onder het directoraat van Sebald Justinus Brugmans van 1786 tot 1819 kreeg de tuin de grootste oppervlakte in zijn bestaan. Tijdens de Franse bezetting reisde hij naar Parijs om met de machthebbers te overleggen over hun plannen met de universiteit en de botanische tuin. Waarschijnlijk leidde dit ertoe dat de botanische tuin behouden bleef en dat de universiteit niet werd gesloten, zoals wel gebeurde met de Universiteit van Franeker en de Universiteit van Harderwijk. In 1857 werd de botanische tuin gedwongen grond over te dragen voor de bouw van de Sterrewacht. Hiermee werd de nog jonge Willem Frederik Reinier Suringar geconfronteerd, op dat moment de plaatsvervanger van hortusdirecteur Willem Hendrik de Vriese, die op reis was.

Tussen 1931 en 1939 kreeg de botanische tuin onder leiding van hoogleraar-directeur Lourens Baas Becking een groot gedeelte van zijn huidige inrichting. De broeikassen die tussen 1850 en 1890 waren gebouwd, werden gesloopt en in 1937-1938 vervangen door een groot kassencomplex, waarvan de Victoriakas deel uitmaakte. In 1931 werd de Clusiustuin aangelegd. Deze reconstructie van de tuin uit de tijd van Clusius werd niet gehuisvest op de oorspronkelijke locatie, de Voortuin. Het was een reconstructie, aan de hand van een plattegrond van de originele tuin en een lijst van de plantencollectie uit 1594, van de botanische tuin zoals die er in Carolus Clusius' tijd uitzag. In 1990 werd de Clusiustuin gerenoveerd, waardoor deze een nog beter beeld gaf van de tuin van 1594. In 2009 werd de Clusiustuin verhuisd naar de Voortuin, waardoor de reconstructie op de oorspronkelijke plek kwam te liggen.

Per 1 juli 2006 is Paul Keßler de prefect, als opvolger van de reeds in maart 2004 gestopte Jan de Koning.

Inrichting[bewerken]

De botanische tuin bestaat onder meer uit de Voortuin, de Wintertuin, de Von Siebold Gedenktuin, de Oranjerie, de systeemtuin en een tropisch kassencomplex, waaronder de Victoriakas.

De Voortuin is het oudste gedeelte van de hortus bij de ingang aan het Rapenburg en bestaat al sinds 1594. Hier staat een Libanonceder, die in 1990 is geplant ter vervanging van een beuk die hier 160 jaar stond. Deze was ten prooi gevallen aan een schimmelziekte en is toen in plakken gesneden die zijn verkocht. Ook staat in de Voortuin de oudste plant van de botanische tuin, een goudenregen die hier in 1601 is geplant. Er staat ook een tulpenboom die in 1682 is geplant. In 2009 werd de reconstructie van de tuin zoals die in Clusius' tijd eruit heeft gezien, verhuisd naar de Voortuin. In de Clusiustuin staan planten die rond 1600 in de tijd van Carolus Clusius hier groeiden. Alle planten, hekwerken en prieeltjes staan volgens een plattegrond uit 1594 op hun plaats.

De Wintertuin, een koude kas, is het jongste onderdeel van de tuin. De Wintertuin is in 2000 opgeleverd naar een ontwerp van Hubert-Jan Henket en herbergt levende steentjes van het geslacht Conophytum, palmvarens (Cycadales) en vleesetende planten als zonnedauw, vetblad en Sarracenia. In de Wintertuin is ook het bezoekerscentrum met de entreebalie, de hortuswinkel en het café gevestigd.

De Von Siebold Gedenktuin is een Japanse tuin. Deze is in 1990 aangelegd als herinnering aan Philipp Franz von Siebold die in Japan planten verzamelde en deze liet transporteren naar de botanische tuin. De tuin wordt omgeven door een rode muur. Bij het begin staat een Japans theehuis. In de tuin groeien winterharde planten uit Azië. Er staat een borstbeeld van Von Siebold.

De Oranjerie is een monumentaal gebouw dat tussen 1740 en 1744 is aangelegd naar een ontwerp van Daniël Marot. In de winter herbergt dit gebouw subtropische kuipplanten als laurier, olijfboom en granaatappel die in de zomer buiten staan.

De systeemtuin is een tuin waarin planten staan gerangschikt op verwantschap volgens de meest recente wetenschappelijke inzichten.

Victoria amazonica in de Victoriakas.

In het tropische kassencomplex kunnen onder andere Hoya, Aristolochia grandiflora, kruidje-roer-me-niet , Passiflora racemosa, Araceae (tropische aronskelken) waaronder Amorphophallus titanum, tropische varens, tropische orchideeën, Billbergia nutans, Strongylodon macrobotrys en Nepenthes worden aanschouwd. In de Victoriakas kan de imposante reuzenwaterlelie Victoria amazonica worden bezichtigd, die elk jaar opnieuw wordt uitgezaaid en op 8 juli 1872 voor het eerst bloeide in de botanische tuin.

Naast het kassencomplex groeit een lotusboom die hier in 1736 is geplant. Daarnaast staat een mannelijke Japanse notenboom (Ginkgo biloba) uit 1785.

Nationale Plantencollectie[bewerken]

De Hortus botanicus Leiden beheert de volgende Nationale Plantencollecties:

Beelden[bewerken]

Beeldengroep in Hortus Leiden

In de Hortus staan verschillende beelden, waaronder De Vier Eeuwen van Ans van Haersolte tegenover de Oranjerie.

Bibliografie[bewerken]

  • H. Veendorp & L.G.M. Baas Becking: Hortus Academicus Lugduno-Batavus, 1587-1937, 1e druk 1938, heruitgave 1990 met een toegevoegde inleiding door C. Kalkman, ISBN 90-71236-05-6
  • W.K.H. Karstens & H. Kleibrink: De Leidse Hortus, een botanische erfenis, Waanders, 1982, ISBN 90-70072-92-0
  • Gerrit de Graaff e.a.: De plantentuinen van Nederland en Vlaanderen, Boom, 1995, ISBN 90-5352-118-6
  • Hortus botanicus Leiden, uitgave van de Universiteit Leiden, 2001, ISBN 90-76606-02-1

Externe link[bewerken]