Houtvester

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een houtvester is een wetenschappelijk opgeleide bosbouwkundige, die is belast met het beheer van een houtvesterij. Houtvester was niet alleen de naam van die functie, maar tevens de aanspreektitel van de man die de functie vervulde. De benaming wordt in Nederland tegenwoordig niet meer gebruikt, omdat het beheer van bossen en natuurgebieden werd samengevoegd en ondergebracht bij één functionaris en de titel 'houtvester' de lading niet meer dekte.

Een houtvesterij was een bosgebied, tevens bedrijfseenheid, van één boseigenaar. In Nederland kon dat het Staatsbosbeheer, een particulier of het Kroondomein zijn. Een houtvesterij had een oppervlakte van 5.000 tot 10.000 ha en was vaak verdeeld in enkele boswachterijen. De houtvesters van het Staatsbosbeheer waren niet alleen belast met het beheer van hun houtvesterij, maar ook met publiekrechtelijke taken, zoals uitvoering van de Boswet, bosbouwvoorlichting en planologie.

Het woord houtvester is een samenstelling van de woorden hout en vester. Hout komt van het Oudnederlandse woord “holt”, wat “bos” betekent. Het tweede deel van het woord houtvester vindt zijn oorsprong in het begrip “foreest” of ”forestis” uit de Frankische tijd en hield het recht van de landsheer op alle wijzen van gebruik van bossen en woeste gronden in. Jacoba van Beieren benoemde in de 13e eeuw al de eerste houtvesters (woudmeesters) om deze rechten uit te oefenen, waaronder het jachtrecht niet het minste was.

De titel van houtvester werd bij het Staatsbosbeheer in 1985 afgeschaft. Het Kroondomein het Loo heeft nog wel zijn Koninklijke Houtvesterijen.

De Vlaamse Dienst voor Waters en Bossen kent nog wel houtvesters en houtvesterijen.

Zie ook[bewerken]