Hubert Joseph Jean Lambert de Stuers

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Hubert Joseph Jean Lambert de Stuers
Hubert Joseph Jean Lambert de Stuers
Hubert Joseph Jean Lambert de Stuers
Geboren 16 november 1788
Roermond
Overleden 13 april 1861
Maastricht
Land/zijde Flag of the Netherlands.svg Koninkrijk der Nederlanden
Dienstjaren 1830-1835
Rang Commandant van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger
Slagen/oorlogen Onder meer de Derde Coalitieoorlog, Vijfde Coalitieoorlog, Walcherenexpeditie, Veldtocht van Napoleon naar Rusland en de Slag bij Waterloo
Onderscheidingen Ridder en Officier in de Militaire Willems-Orde, Ridder en Officier van het Legioen van Eer, Ridder en commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw en Grootofficier in de Orde van de Eikenkroon.

Hubert Joseph Jean Lambert ridder de Stuers (Roermond, 16 november 1788 - Maastricht, 13 april 1861) was een Nederlands generaal en commandant van het Indische leger.

Napoleontische tijd[bewerken]

De Stuers trad in 1805 in militaire dienst en scheepte zich in aan boord van de Drie Gebroeders, welk schip deel uit zou maken van een expeditie naar Engeland, maar die niet doorging en nam toen deel aan de veldtocht in Oostenrijk, waar hij de inname van Ulm meemaakte en daarna het legerkorps volgde, dat op Wiener Neustadt tegen de aartshertog van Oostenrijk werd afgezonden. Kort daarna werd de vrede gesloten en vertrok De Stuers met de divisie van generaal Dumonceau naar Rijn- en Münsterland. In 1806 maakte hij de veldtocht in Pruisen mee en werd bij de inname van Hamelen, door generaal Savary, om zijn verdienstelijke gedrag, tot tweede luitenant benoemd, waarbij hem tevens de eer te beurt viel de tijding aan de Keizer over te brengen.

De Stuers kreeg tijdens de Slag bij Waterloo verschillende kogels door zijn mantel.

In 1807 stond De Stuers bij het observatie-corps, dat aan de oevers van de Elbe en de Wezer onder bevel van de prins van Pontecorvo gelegerd was; hij werd benoemd tot adjudant van generaal-majoor Carteret en ging weldra in die hoedanigheid over bij de algemene staf van diezelfde generaal, toen divisie-generaal, aan wiens zijde hij, bij het Beleg van Stralsund (in 1809) streed en met deze onder de eersten behoorden die de stad binnendrongen, toen de generaal door een kogel werd neergeveld; ook het paard van De Stuers werd toen onder hem gedood. Door zijn moedige gedrag werd hij benoemd tot eerste luitenant en tot adjudant van generaal Gratien, maar De Stuers vertrok al spoedig met generaal Dumonceau naar Zeeland, om de Engelsen terug te drijven, die Vlissingen hadden veroverd en Antwerpen bedreigden. Kort daarop ging De Stuers over in het regiment kurassiers van de garde van koning Lodewijk; bij dit regiment,dat eerst in een regiment huzaren, en later, bij de inlijving van Holland in het Keizerrijk in het tweede regiment lanciers van de garde werd veranderd, werd hij benoemd tot kapitein-onderadjudant-majoor, en bleef erbij tot 1815, toen het corps werd afgedankt en hij zijn ontslag ontving. De Stuers woonde, gedurend de jaren 1810-1815 de voorname veldtochten in Rusland en Duitsland bij, en onderscheidde zich daarbij bij menige aangelegenheid, zodat hij in het begin van 1813 benoemd werd tot Ridder in het Legioen van Eer en tot escadronschef werd bevorderd. Toen bij de verdere loop der gebeurtenissen het Franse leger op Franse bodem was teruggedrongen, handhaafde hij zich ook daar zo lang mogelijk, zelfs tegen overmacht. In 1815 bevond hij zich in het Franse leger en woonde de grote slagen in juni van dat jaar bij; bij de Slag bij Waterloo kreeg hij verschillende kogels door zijn mantel. Na de ontbinding van het keizerlijk leger aan de andere kant van de Loire verkreeg hij op zijn verzoek eervol ontslag uit de Franse dienst, met de rang van majoor der cavalerie van de garde, gelijkstaande met de rang van luitenant-kolonel. De Stuers was toen pas 27 jaar oud en had het jaar tevoren het officierskruis van het Legioen van Eer verkregen.

Nederlands Indië[bewerken]

De Stuers deed nu een verzoek om in Nederlandse krijgsdienst over te gaan. Koning Willem I benoemde hem tot luitenant-kolonel der cavalerie en spoedig vertrok hij naar Oost-Indië, waar hem eerst het opperbevel over Solo en daarna in Malakka werd toevertrouwd. In 1821 werd hij tot hoofd van de generale Staf van generaal baron van Geen benoemd en in het daarop volgend jaar riep gouverneur-generaal Van der Capellen hem als adjudant tot zich.

De Stuers als aanvoerder der expeditie op Boni.

In datzelfde jaar werd hij naar de westkust van Borneo afgezonden, tegen de oproerige Chinezen. Hij wist aan het hoofd van een dappere bende zich een weg te banen door een met bossen en bergkloven doorzaaid land, dat eerder nooit door Nederland was onderworpen. Bij de aanval van de Chinese benting Koemsang, drong hij tot dicht bij het fort door en deed door vlammende takkenbossen de kruitmagazijnen van de vijand in de lucht vliegen, waarbij hij echter zwaargewond raakte, nadat hij al enige bamboesteken in de voet had verkregen. In 1824 was De Stuers aan het hoofd van de expeditie tegen Tanette en Soepa, op het eiland Celebes, waarvoor hij werd beloond met de benoeming tot officier in de Militaire Willems-orde en tot kolonel bevorderd. Hij werd nu benoemd tot resident en verkreeg het krijgsbevel van Padang en onderhorigheden opgedragen. Dit was geen gemakkelijke taak omdat hij het grootste gedeelte van zijn troepen naar de opgelaaide opstand op Java moest zenden, terwijl in de streken waar hij zich bevond de opstand eveneens dreigde. In 1829 verlangde hij, op zijn verzoek, zijn eervol ontslag als gezagvoerder op Sumatra en werd toen als chef van de algemene staf van het leger te Batavia benoemd. Ruim een jaar later keerde hij met verlof terug naar Europa omdat zijn verzoek tot ontslag niet was aangenomen. Op 16 november 1830 werd De Stuers tot generaal-majoor en opperbevelhebber van het Nederlands Indische leger benoemd, als opvolger van luitenant-generaal de Kock. Gedurende vijf jaar bekleedde hij het opperbevel en keerde toen, ten gevolge van een ernstige ziekte, naar Europa terug en vroeg zijn pensioen aan. In 1838 vestigde hij zich te Maastricht, waar hij benoemd werd tot lid van de gemeenteraad en in de Staten van Limburg werd gekozen. De Stuers werd in 1831 benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en later verheven tot commandeur van die Orde. Daarnaast was hij grootofficier in de Orde van de Eikenkroon; hij overleed, op 72-jarige leeftijd, op 13 april 1861 te Maastricht.

Volgens Kielstra was De Stuers de natuurlijke vader van de latere generaal Karel van der Heijden (bij een onbekend gebleven Boeginese vrouw).[1]

Biografie van werken van De Stuers[bewerken]

  • 1849-1950. De vestiging en uitbreiding der Nederlanden ter westkust van Sumatra, met plan en kaart 2 delen, Amsterdam;
  • 1853. Aanmerkingen op het werk: Het Ned. O.I. leger ter westkust van Sumatra door luitenant-kolonel H.M. Lange (eerst geplaatst in het Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië, later afzonderlijk uitgegeven te Zaltbommel);
  • 1854 De expeditie tegen Tanette en Soepa (op Celebes) in 1824 in: Het Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië.
Voorganger:
J. van den Bosch
Commandant van het KNIL
1830 - 1835
Opvolger:
F.D. Cochius