Hudson (schip, 1939)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Hudson
Hudson (1964)
Hudson (1964)
Geschiedenis
Werf P.Smit Jr., Rotterdam
Tewaterlating 28-06-1939
In de vaart genomen 1939
Uit de vaart genomen 1989
Omgedoopt 1962 (Ebro)

1965 (Johan-Dirk)
1977 (Elisabeth)

Status museumschip
Thuishaven Maassluis
Eigenaren
Eigenaar L. Smit & Co's Internationale Sleepdienst
Algemene kenmerken
Type Sleepboot
Lengte 37,5 meter
Breedte 7,40 meter
Voortstuwing en vermogen tweetakt 5 cilinder dieselmotor van Burmeister & Wain type 535-VF-62 van 600 APK bij 180 omwentelingen per minuut
Vaart 11 mijl pu
Roepletters PEUJ
Portaal  Portaalicoon   Maritiem

De Hudson, gebouwd in 1939, is de enige overgebleven vooroorlogse zeesleeper in Nederland. Tijdens de oorlog was het schip 5 jaar in dienst van de geallieerden. Tegenwoordig ligt de Hudson als museumschip in Maassluis.

Eerste jaren[bewerken]

In 1938 bestelde N.V. Internationale Sleepdienst bij Machinefabriek en Scheepswerf P. Smit Jr. N.V. in Rotterdam een zeesleepboot die onder de naam Hudson 24 jaar zou varen. De bouwkosten bedroegen € 135.000. In juli 1939 kwam de Hudson in dienst bij L. Smit & Co’s Internationale Sleepdienst, met als thuishaven Maassluis. Op 15 juli 1939 vertrok de Hudson voor haar eerste sleep met een baggermolen naar Beira.

Tweede Wereldoorlog[bewerken]

1rightarrow blue.svg zie Nederlandse zeeslepers in de Tweede Wereldoorlog

In mei 1940 kreeg kapitein Ben Weltevreden tijdens de vierde sleepreis van de Hudson het bericht dat de Duitse troepen Nederland waren binnen gevallen. Nederland werd door de vijand bezet, daarom ging de sleepboot niet terug naar het thuisland. Gedurende de gehele Tweede Wereldoorlog heeft de Hudson op aanwijzing van de Nederlandse regering in ballingschap in opdracht van de geallieerden gevaren. De sleper en haar bemanning hebben vele huzarenstukjes op haar naam staan waaronder het wegslepen van een brandend munitieschip uit de haven van Algiers. In 1944 assisteerde de Hudson, als onderdeel van de landing in Normandië, bij de aanleg van een kunstmatige haven voor de kust van Normandië. Van hier uit werden de geallieerde troepen bevoorraad. In datzelfde jaar werd geassisteerd bij de Operatie Pluto (PipeLine Under The Ocean); het vanuit Engeland aanleggen van een pijpleiding onder het kanaal voor aanvoer van brandstof voor de geallieerde troepen.

1945 - 1963: actieve dienst[bewerken]

Na de oorlog werd de Hudson overal in de wereld ingezet. Sleepreizen naar Brazilië en Indonesië maar ook sleepopdrachten dichter bij huis. In 1963 besloot L. Smit & Co’s Internationale Sleepdienst de Hudson uit de vaart te nemen: het vermogen (600 PK) was voor die tijd niet meer voldoende. De Hudson werd voor de sloop te koop aangeboden.

1963 - 1989: schilferijsfabriek[bewerken]

Het vissersbedrijf D. de Jager uit Stellendam kocht de Hudson in 1963. De motor ging eruit en het schip werd omgebouwd tot schilferijsfabriek. Dit ijs werd gebruikt bij de visserij voor het goedhouden van gevangen vis. Na bijna 25 jaar kwam ook hieraan een einde. De vraag naar schilferijs nam af door het gebruik van nieuwe methodes in de zeevisserij. In 1989 werd het schip weer voor de sloop te koop aangeboden.

1989 - heden: museumschip[bewerken]

De heer P. de Nijs, kapitein bij L. Smit & Co’s Internationale Sleepdienst richtte “Stichting Help de Hudson” op, met als doel het schip terug te brengen in z’n oude glorie en nieuw leven in te blazen als museumschip. Met financiële steun uit de nautische wereld en bijdragen uit diverse fondsen heeft de stichting de Hudson aangekocht. Na een restauratieperiode van 14 jaar is de Hudson zo goed mogelijk in de authentieke staat teruggebracht. Een uniek stuk industrieel erfgoed was hiermee voor het nageslacht bewaard.

Bezoekers van het in Maassluis afgemeerde schip krijgen een indruk over het leven en werken aan boord van een zeesleper in de periode 1940-1960. In de stuur- en bakboord bunkerruimtes en de machinekamer is een tentoonstelling te zien over de zeesleepvaart vlak voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog, getiteld “Helden tegen wil en dank”.