Huon de Bordeaux

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Huon de Bordeaux is een legendarische ridder uit het Karolingische tijdperk en de titel van een gelijknamige chanson de geste (ridderlied), geschreven tussen 1216 en 1268. Rond 1540 werd het door John Bourchier, Lord Berners, in het Engels vertaald,[1] waarna Shakespeare er kennis van nam en rond 1595 zijn toneelstuk A Midsummer Night's Dream schreef. Het was tevens de basis voor het episch gedicht Oberon van Christoph Martin Wieland.

Het Verhaal[bewerken]

Huon is in 796 de vierentwintig-jarige zoon van graaf Seguin van Bordeaux en zijn echtgenote Aclis. Hij is de oudere broer van Gerard. De twee broers worden opgeroepen om in Parijs voor Karel de Grote te verschijnen. Maar graaf Amaury, familie van de verrader Ganelon, zet Charlot (Karel de Jongere), de zoon van Karel de Grote, tegen de twee broers op. Ze overvallen hen tijdens hun reis naar Parijs. Charlot verwondt Gerard, maar wordt zelf door Huon gedood. Huon weet niet dat hij Karel's zoon om het leven heeft gebracht.

In Parijs leggen zowel Huon als Amaury uit wat er is gebeurd. De keizer is woedend op Huon, omdat zijn zoon Charlot dood is. Een tweekamp tussen Huon en Amaury moet uitwijzen wie de waarheid spreekt. Huon wint, maar Karel is niet tevreden en verbant Huon. Huon moet naar Gaudys, de Admiraal (emir) van Babylon reizen, bij wie aan zijn tafel zit het hoofd afslaan, drie maal Claramond, de dochter van de Admiraal, kussen en vier tanden van Gaudys en zijn baard mee terugnemen. Anders hoeft Huon niet terug te komen en naar Bordeaux gaan vóór hij Karel onder ogen is gekomen is helemaal verboden.

Met tien ridders gaat Huon op weg. Zijn broer Gerard blijft achter. Via de paus in Rome ontmoet Huon in Brindisi diens broer Garin de St. Omers. Hij is de broer van Aclis, Huon's moeder. Samen nemen ze het schip naar Jaffa en reizen door naar Ramah, Jeruzalem en de Rode Zee. In de woestijn ontmoeten ze de oude Gerames, die al dertig jaar in het land van de Saracenen verblijft en de taal en de weg kent. Hij zal hen bijstaan op hun reis naar Babylon. Maar dan moeten ze door het land van Oberon, de koning van Feeënland.

Oberon is drie voet hoog, zo groot als een driejarig kind, met een stralend gezicht en heer van de stad Montmure (Momur). Hij is veertig jaar vóór Christus geboren. Hij is de zoon van Julius Caesar en Vrouwe van het Geheime Eiland. Anectanabus, destijds de koning van Egypte is zijn halfbroer. Eerst wordt het Huon verboden met Oberon te spreken, maar later blijkt Oberon een helper in nood te zijn. Oberon geeft hem een beker en een ivoren hoorn. In de beker verschijnt wijn in overvloed mits de beker in handen is van een zuiver mens. In de handen van een zondig mens droogt de inhoud gelijk op. De ivoren hoorn is door vier feeën in Cephalonia gemaakt: Gloriande, Transeleyne, Margale en Lempatrix. Met de hoorn kan Huon mensen laten zingen en dansen en bovendien Oberon oproepen, die met een groot leger direct ter plaatse kan verschijnen.

Het gezelschap trekt verder naar de stad Tormont van de tiran Macaire, de broer van Seguin en dus Huon's oom. Macaire had een moordaanslag op Karel de Grote beraamd, geloofde nu in 'Mahound' en was moslim geworden. Hij wordt door Huon gedood. In zijn toren Dunother verblijven de zeventien voet lange reus Angolafer en de maagd Sebylle, dochter van Guinemer, graaf van St. Omers en familie van Seguin. Huon verslaat de reus Angolafer, neemt Oberons' stralende harnas mee en de ring van de reus. Hij huwt Sebylle later uit aan een bekeerde admiraal. Dan gaan ze verder naar Babylon. Ze passeren de vier poorten met de ring van de reus, maar Huon belandt in de gevangenis, nadat hij Claramond driemaal heeft gekust, haar verloofde heeft onthoofd en Gaudys' neef om het leven heeft gebracht. Claramond houdt hem daar in leven door hem voedsel te brengen. Agrapart heeft intussen gehoord, dat zijn broer Angolafer is gedood en komt verhaal halen bij Admiraal Gaudys. Alleen Huon kan het tegen hem opnemen en daarom vertelt Claramond aan haar vader dat hij nog leeft. Ze strijden en Agrapart geeft zich tenslotte gewonnen. Als Oberon wordt opgeroepen en hij met zijn leger verschijnt wordt de Admiraal verslagen en slaat Huon hem het hoofd af. Hij trekt hem vier grote tanden uit en neemt zijn witte baard mee. Claramond wil intussen Christen worden en met Huon mee naar zijn land. Ze stappen in een schip om huiswaarts te gaan. Een storm doet hen op een eiland belanden. Dan verschijnen er piraten die Claramond meenemen en Huon naakt en gebonden achterlaten.

De piraten willen Claramond naar haar oom koning Ivorijn van Montbraunt, de broer van Gaudys, brengen. Maar ze komen aan bij de havenstad Anfalerne van admiraal Galaffer, een onderdaan van Ivorijn. Galaffer brengt hen om het leven, maar één piraat weet te ontsnappen naar koning Ivorijn. Galaffer wil Claramond niet aan zijn koning afstaan en het wordt oorlog tussen hen. Huon wordt door Malabron, een dienaar van Oberon, van het eiland naar het vasteland gebracht. Daar wordt hij de dienaar van de minstreel Mouflet. Ze gaan naar het hof van Ivorijn. Huon valt op en mag als ridder mee om tegen Galaffer te strijden. Hij krijgt een zwaard, dat Galans heeft gesmeed. Galans maakte ook de zwaarden Durandel (Durendal van Roeland) en Courtain. Intussen is de oude Gerames met de andere ridders na de storm in Anfalerne aangekomen en strijdt aan de kant van Galaffer. Huon en Gerames komen in een tweekamp tegenover elkaar te staan, herkennen elkaar, trekken zich terug in het kasteel van Anfalerne en sluiten de strijdende partijen buiten. Dan komt er een schip met kooplui en de honderdjarige provoost Guyer, die de broer blijkt van Gerames. Ze gaan snel het schip in en zeilen naar Brindisi. Daar vertellen ze dat Garin de St. Omers helaas tijdens de omzwervingen is omgekomen en in Rome zegent de paus het huwelijk van Huon en Claramond. Dan trekken ze het land der Franken binnen.

Ze overnachten bij het klooster van Sint Maurice (Mauritius) en de abt brengt Gerard ervan op de hoogte dat zijn broer Huon is teruggekeerd. Maar Gerard is inmiddels gehuwd met de dochter van Guibert (Gybouras), de valse hertog van Sicilië en is op het slechte pad gekomen. Gerard en Gybouras maken een plan om Huon in de val te lokken. Gerard vergezelt Huon naar Bordeaux, maar onderweg valt Gybouras met veertig ridders aan. Huon's gezellen worden gedood en in de rivier Gironde geworpen. Claramond, Huon en Gerames worden gebonden en geblinddoekt naar de gevangenis van Bordeaux gebracht. Gerard en Gybouras gaan naar het klooster, doden de abt, stelen Huon's in bewaring gestelde schatten en trekken naar het hof in Parijs. Daar delen ze de schatten uit aan de hoge heren en nodigen Karel de Grote uit om te oordelen over Huon. Karel is nog steeds niet vergeten dat Huon zijn zoon Charlot heeft gedood. Ze reizen naar Bordeaux en ondanks de wens van Naymes, hertog van Beieren, om Huon in ere te herstellen, besluit keizer Karel tot Huon's dood. Dan verschijnt Oberon.

Oberon laat Gerard zijn schuld bekennen en laat de wonderbeker rond gaan. Alleen een zuiver mens kan er wijn in laten verschijnen. In de handen van keizer Karel verdwijnt de wijn direct. Oberon brengt de vier tanden en de baard van Admiraal Gaudys aan het licht. Nu wordt besloten dat Gybourgas, Gerard en de nieuwe abt en kapelaan, die valse getuigenissen aflegden, worden opgehangen en Huon zijn bezittingen en stad Bordeaux terugkrijgt. Oberon vraagt Huon over vier jaar naar hem toe te komen, het land dan aan Gerames over te dragen, en Oberon op te volgen als koning van Feeënland.

Zie ook[bewerken]