Hyperinflatie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Biljet van 1 miljoen Reichsmark uit 1923
Biljet van 100 biljoen Zimbabwaanse dollar uit 2009

Hyperinflatie is een zeer sterke inflatie. Waar een normale inflatie een prijsstijging van enkele procenten per jaar behelst, kent hyperinflatie zodanige prijsstijgingen dat de prijzen per dag stijgen.

Ontstaan[bewerken]

Hyperinflatie kan ontstaan wanneer de centrale bank van een land grote hoeveelheden geld creëert die niet in verhouding staan tot de daadwerkelijke economische groei van het betreffende land. De centrale bank kan overgaan tot geld creatie door geld te drukken, dit aan commerciële banken uit te lenen en dan de commerciële banken aan girale geld schepping te laten doen en zo meer geld in de economie te steken. Het is verboden aan een centrale bank om rechtstreeks geld uit te lenen aan de overheid. Als dit toch zou lukken, zou de overheid met het gedrukte geld hun begrotingstekort proberen op te lossen, maar zo creëert de overheid hyperinflatie. Andere mogelijke oorzaken van hyperinflatie zijn bijvoorbeeld speculatie en het wegvallen van vertrouwen in een munt.

Gevolgen[bewerken]

Hyperinflatie is zeer nadelig voor een economie. Met name loonwerkers, pensioengerechtigden, schuldeisers, ondernemers en banken hebben zeer veel last van hyperinflatie. Bestaande tegoeden en schuldvorderingen worden immers waardeloos en de lonen zijn niet in staat de prijzen bij te houden. Investeerders trekken massaal hun geld terug. Consumenten nemen hun geld van de banken op en beleggen in buitenlandse valuta of waardevaste goederen. Dit veroorzaakt de bekende "run op de bank", met als gevolg een golf van faillissementen in het bankwezen. Dit komt ook voor bij hoge inflatie, zoals in Argentinië waarbij men in 2002 dit trachtte te voorkomen door de saldi te bevriezen, wat tot woedende reacties en een politieke en sociale crisis leidde. Men verliest het vertrouwen in geld, en de zeer inefficiënte ruilhandel keert terug. Bij hyperinflatie wordt ook het rekenen met geld steeds lastiger: men moet in duizenden, miljoenen en miljarden rekenen.

De Duitse hyperinflatie van 1922-1923 is wel het bekendst. Deze inflatie was een gevolg van het feit dat de Fransen het Ruhrgebied bezetten om herstelbetalingen van de Duitsers af te dwingen. De Duitse overheid koos er toen voor om de uit protest in staking gegane arbeiders door te betalen. Voor dat doel werden en masse papiermarken bijgedrukt. Dit was vanzelfsprekend een politieke keuze. De politici hadden ook kunnen kiezen om geen salarissen door te betalen, hogere belastingen te heffen, meer te bezuinigen of staatsleningen uit te schrijven. Op het hoogtepunt werden de prijzen dagelijks tien keer zo hoog als de vorige dag. De burgers gebruikten bankbiljetten als brandstof voor de kachel, omdat ze meer warmte gaven dan de brandstof die men met dezelfde hoeveelheid bankbiljetten kon kopen.

In Venezuela wordt de inflatie geraamd op 1 miljoen procent in 2018.[1] Per eind juli 2018 kostte een busrit gemiddeld zo'n 40.000 bolivar en het grootste bankbiljet is 100.000 bolivar. Met een bankpas kan maximaal 10.000 bolivar per dag worden opgenomen en bij een bank is dat 30.000.[1] Voor grote aankopen zijn bankbiljetten zeer onpraktisch, maar via de mobiele telefoon kan ook geld worden overgemaakt en daar wordt dan ook veel gebruik van gemaakt.[1]

Voorbeelden[bewerken]