IHRA-definitie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De IHRA werkdefinitie van antisemitisme, kortweg de IHRA-definitie, is een definitie van antisemitisme die in 2016 is aangenomen door de International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA). Zij is bedoeld als hulpmiddel voor het vaststellen van antisemitische voorvallen ten behoeve van de monitoring (het bijhouden van het aantal voorvallen) en als leidraad voor het onderwijzen van medewerkers van autoriteiten op het gebied van handhaving, wetgeving en rechtspraak. De werkdefinitie is uitdrukkelijk gepresenteerd als wettelijk niet-bindend.

De definitie is aangenomen door de ruim 30 bij de IHRA aangesloten landen en ook door het Europees Parlement. Zij is erg[bron?] omstreden vanwege de vage en onnauwkeurige formulering en vooral ook vanwege de Israël-gerelateerde voorbeelden die bij de definitie zijn gevoegd.

Achtergrond[bewerken | brontekst bewerken]

In de periode vanaf 2000 werd in Europa een flinke stijging geconstateerd van het aantal gemelde aan antisemitisme toegeschreven voorvallen. Opvallend was dat er een verband leek te bestaan met het oplaaiende geweld in de door Israël bezette Palestijnse gebieden tijdens de Tweede Intifada (al-Aqsa Intifada), dat volgde op het mislukken van het Oslo-vredesproces.[1] Zo'n verband werd later ook gevonden bij de grote militaire aanvallen van Israël op Gaza.[2][3] Na Operation Cast Lead sprak de ADL in 2009 van een globale pandemie van antisemitisme.[4] Terwijl de Tweede Intifada in volle gang was vonden op 11 september 2001 de aanslagen in de VS (Nine-eleven) plaats. Deze werden gezien als oorzaak van een opleving van discriminatie van moslims, maar ook van antisemitisme.[5]

Roep om een definitie[bewerken | brontekst bewerken]

In mei 2002 publiceerde het European Monitoring Centre on Racism and Xenophobia (EUMC) een rapport over stijgende islamofobie in de EU sinds Nine-eleven, waaruit bleek dat islamitische en andere etnische groepen, zoals asielzoekers, sinds 11 september veelvuldig doelwit van vijandigheid waren geworden. Slechts twee van vijf rapporten werden gepubliceerd.[6]

Op 5 december 2002 vond een Ronde-tafel-bijeenkomst plaats over antisemitisme, waar ook uitgebreid de kwestie over definiëring aan de orde kwam, waarover grote verdeeldheid bleek te bestaan.[7] In februari 2003 verscheen een soortgelijk rapport over antisemitisme in de EU als het eerdere over islamofobie, namens het EUMC geschreven door het 'Center for Research on Anti-Semitism' in Berlijn. In dit overzicht van landelijke rapportages ('Synthesis Report') adviseerden de auteurs vanwege de controversiële kwestie van 'kritiek op Israël' om in het vervolg een neutrale definitie van Helen Fein te gebruiken.[8] Met deze definitie wilde men het gemakkelijker maken om een onderscheid te maken tussen kritiek op Israël en antisemitisme, waarvan sprake is zodra Joden als collectieve groep worden aangesproken. Het rapport bleek ook al deels te zijn besproken tijdens de Ronde tafel in 2002, waaraan beide auteurs hadden deelgenomen.[9]

Het rapport werd echter niet gepubliceerd. Joodse vertegenwoordigers beschuldigden het EUMC ervan het te censureren omdat hierin speciaal moslims en pro-Palestijnse groepen voor anti-joods geweld verantwoordelijk worden gemaakt. De EUMC zou volgens hen bang zijn geweest voor boze reacties uit de moslimwereld. Joodse organisaties noemden de bestuurders daarop zelf antisemitisch.[10] De Israëlische premier Ariel Sharon noemde de EU inherent antisemitisch.[11]

Het EUMC verdedigde het niet publiceren op grond van magere kwaliteit en gebrek aan empirisch bewijs.[5] Het vond de door het Berlijnse onderzoekscentrum gebruikte methodes gebrekkig en de bevindingen partijdig, omdat vijandigheden jegens Israël er ten onrechte in waren opgenomen als zijnde antisemitisch. Ook de nadruk op islamitische en pro-Palestijnse daders werd als reden opgegeven. Ook werd de bestempeling van linkse en anti-globalistische groepen als antisemitisch door het EUMC bekritiseerd.[12] In een persbericht verklaarde het EUMC, dat deze niet het recht heeft gehele gemeenschappen te stigmatiseren op basis van racistische handelingen van individuen.[9]

Het 'European Jewish Congress' (EJC) en het Europees parlementslid Daniel Cohn-Bendit lekten het rapport gelijktijdig naar de pers. Gedreigd werd de Europese financiering van het EUMC stop te zetten.[5] Het EUMC publiceerde in maart 2004 een nieuw rapport over een langere periode.[13] Hierin werd verklaard dat het oorspronkelijke rapport onder andere niet gepubliceerd was omdat het een te korte periode besloeg en vanwege de niet representatieve (hoge) cijfers over april 2002 (met de massale aanval op Jenin en de Israëlische bezetting van Palestijnse steden) en daardoor teveel afweek van de daaropvolgende maanden.[14] De rapportages uit het oorspronkelijke rapport werden verwerkt in het 2004-rapport. In dit eerste rapport over "manifestaties van antisemitisme" werden verschillende definities afgewogen, zonder daarbij een keuze te maken en werd het begrip 'nieuw antisemitisme' geïntroduceerd.

Oorsprong[bewerken | brontekst bewerken]

Het EUMC vroeg om een uniforme definitie van antisemitisme, om een uniforme rapportage van voorvallen en de bestrijding ervan in de verschillende landen mogelijk te maken.[1] Een coalitie van joodse organisaties onder aanvoering van het American Jewish Committee (AJC) ontwierp een 'niet-wettelijk-bindende werkdefinitie van antisemitisme'.[15][16] Het EUMC werd in 2009 opgevolgd door de EU Agency for Fundamental Rights (FRA). Dit agentschap ontwikkelde de definitie niet verder, maar liet de toepassing over aan de individuele groepen van slachtoffers.

In 2016 nam de International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA), bestaande uit de meeste Europese landen, evenals de VS en Israël, een licht gewijzigde versie van de werkdefinitie aan onder de naam 'IHRA werkdefinitie van antisemitisme'.[17] Hij is aangenomen door zo'n 30 landen die lid zijn van de IHRA, waaronder Nederland en België.[18] In Nederland werd de definitie in 2018 aangenomen door de Tweede Kamer naar aanleiding van een motie door Kees van der Staaij (SGP).[19] In België nam de Senaat een resolutie aan, op basis van een initiatief van Jean-Jacques De Gucht (Open Vld).[20]

De werkdefinitie vervangt de versie uit 2005 die werd gepubliceerd door het Europees Bureau voor de grondrechten. De tekst uit 2018 is in het Engels gelijk aan de oorspronkelijke versie; de Nederlandse vertaling is iets gewijzigd.[21] Aansluitend bij de tekst worden 11 “hedendaagse voorbeelden van antisemitisme” beschreven, waarvan ruim de helft een relatie heeft met de staat Israël. De aanvullende voorbeelden zijn in alle taalversies licht gewijzigd, terwijl de eerst apart vermelde Israël-gerelateerde voorbeelden in de huidige versie met de overige voorbeelden zijn samengevoegd.[22] De voorbeelden dienen alleen ter verduidelijking; zij maken zelf geen deel uit van de definitie.

Tekst van de IHRA-definitie[bewerken | brontekst bewerken]

Vertaald luidt deze werkdefinitie als volgt:[23]

Antisemitisme is een bepaalde perceptie van Joden die tot uiting kan komen als een gevoel van haat jegens Joden. Retorische en fysieke uitingen van antisemitisme zijn gericht tegen Joodse of niet-Joodse personen en/of hun eigendom en tegen instellingen en religieuze voorzieningen van de Joodse gemeenschap.

Aan de definitie zijn een aantal voorbeelden toegevoegd.[18] Antisemitisme uit zich bijvoorbeeld door beschuldigingen richting Joden dat zij samenspannen om de mensheid schade toe te brengen. Holocaustontkenning wordt ook als een vorm van antisemitisme genoemd. Joden ervan beschuldigen dat zij een grotere loyaliteit zouden hebben voor Israël dan voor hun eigen natie, is ook een voorbeeld van hedendaags antisemitisme. Kritiek op de staat Israel die gelijksoortig is aan kritiek tegen andere staten wordt volgens de tekst niet beoordeeld als antisemitisch. Een bewering dat de staat Israël op racisme is gebaseerd, wordt in de lijst van voorbeelden wel gezien als een antisemitische uiting.[18]

Status van de definitie[bewerken | brontekst bewerken]

Het wordt een 'niet-bindende werkdefinitie' of ook wel "non-legally binding working definition" genoemd,[18] omdat hij is ontworpen als adviserend hulpmiddel om te bepalen of voorvallen in rapportages wel of niet als antisemitisch moeten worden geregistreerd. Deze rapportages dienen om bij te houden in hoeverre antisemitisme in de maatschappij voorkomt. De definitie is ook bedoeld voor training van wetshandhavers en voorlichters.[15] De definitie is dus niet bedoeld om te worden gebruikt als algemene of wettelijke definitie.[24][25]

Een uiting of handeling die overeenkomt met een van de voorbeelden betekent niet per se dat er sprake is van antisemitisme; dit is afhankelijk van de context. De strafbaarheid wordt in Nederland uitsluitend beoordeeld aan de hand van wet en jurisprudentie. De IHRA-definitie heeft daar bij justitie en openbaar ministerie geen invloed op. Het is alleen een interne werkdefinitie. De voorbeelden worden door de regering niet als integraal onderdeel van de IHRA-definitie beschouwd.[25] Aangezien de werkdefinitie ook niet bedoeld is om in de wetgeving op te nemen, is onduidelijk wat het belang is van het officieel aannemen ervan door regeringen en parlementen.

Omstreden definitie[bewerken | brontekst bewerken]

De IHRA-definitie is zeer controversieel en heeft ook tot grote verdeeldheid geleid binnen de joodse gemeenschap.[26] Voorstanders van de IHRA-definitie vinden dat het een goed hulpmiddel is om vast te stellen of voorvallen waarbij Joden zijn betrokken een antisemitische achtergrond hebben en dat hij nodig is om het aantal voorvallen bij te houden in de strijd tegen antisemitisme. De definitie zou als handleiding moeten dienen voor maatschappelijke monitors en autoriteiten die antisemitisme bestrijden.[24][16]

De definitie wordt echter sterk bekritiseerd vanwege de vage en onnauwkeurige formulering, waardoor het feitelijk geen echte definitie is en je hiermee van alles als antisemitisch kunt bestempelen.[27][28] Door de brede en open formulering van de definitie en de toevoeging van een aantal voorbeelden over Israël kan deze volgens critici, waaronder ook joden en joodse organisaties, gebruikt worden om legitieme kritiek op Israël te onderdrukken.[29][30]

Voorstanders van de definitie vinden dat de boven de tekst van de voorbeelden geplaatste toevoeging over kritiek op Israël als gewone staat[31] – die niet in de definitie zelf is opgenomen – voldoende is om de vrijheid van meningsuiting en vergadering te waarborgen. Tegenstanders zeggen dat de tekst – die tussen tegenovergestelde toevoegingen is weggemoffeld – niet duidelijk en onvoldoende is, zoals in de praktijk ook blijkt. Er wordt door Israël-aanhangers regelmatig misbruik van gemaakt.[32] Bij de oorspronkelijke versie, in iets simpeler bewoording,[31] stond de disclaimer nog apart en duidelijk, direct onder de voorbeelden vermeld.[21][22]

Van alle voorbeelden vindt het joodse AJC die over Israël de nuttigste en meest controversiële.[15] Vanwege de Israël-gerelateerde voorbeelden menen critici juist dat voorstanders van de definitie deze voornamelijk promoten om deze te kunnen gebruiken voor het criminaliseren van kritiek op Israël en zionisme en de BDS-beweging.[33][30]

Door de lastig te interpreteren tekst en de verbinding met de Israëlische politiek is de definitie volgens tegenstanders ook onbruikbaar voor het identificeren van echte antisemitische voorvallen, omdat veel voorvallen ten onrechte als antisemitisch worden bestempeld. Daardoor is het eerder een obstakel bij de strijd tegen antisemitisme dan een hulpmiddel.[27][33]

Ook in de Nederlandse politiek is er wegens de Israël-voorbeelden al jarenlang veel gedoe over de toepassing van de definitie. Terwijl de pro-Israël-lobby en de rechtse partijen er alles aan doen om deze officieel te laten toepassen,[34] is de pro-Palestijnse lobby er fel tegen en voeren de linksere partijen GroenLinks en PvdA hierover een zwalkend beleid.[35][36]

Verwijzing naar antizionisme[bewerken | brontekst bewerken]

Antizionisme wordt in de definitie niet specifiek genoemd, maar wordt door Israël-aanhangers in verband gebracht met het voorbeeld over 'het joodse recht op zelfbeschikking' en 'beweringen over racistische bedoelingen van Israël'. Net zoals door de Israëlische minister Abba Eban in 1973[37] wordt door de Israël-lobby antizionisme eenvoudig gelijk gesteld met ontkenning van het recht op een joodse staat en antisemitisme, ondergebracht in de term 'nieuw antisemitisme '. Volgens deze visie wordt alle Joden collectief dit recht ontzegd en is het daarom inherent antisemitisch. De redenering is, dat volgens het principe van zelfbeschikking voor naties, het 'Joodse volk' recht heeft op een eigen staat, zoals ieder ander volk. Maar het idee van het Joodse volk als natie is onder Joden sinds het begin van het zionisme omstreden geweest. Het zionisme veranderde het Joodse volk in de Joodse natie.[38]

Ook de BDS-beweging wordt beschuldigd van 'nieuw antisemitisme', vanwege diens oproep tot erkenning van het recht op terugkeer van de tijdens de Nakba verdreven Palestijnen en omdat het volgens de definitie van de Israël-lobby Joden het recht op het recht op zelfbeschikking zou ontzeggen.[39] De beweging zelf wijst zulke beschuldigingen van de hand en zegt tegen alle racisme, inclusief antisemitisme te zijn.[40]

De stelling dat antizionisme antisemitisch is omdat het zelfbeschikkingsrecht wordt afgewezen berust volgens Brian Klug op een cirkelredenering. Dat is alleen waar wanneer je het uitgangspunt van het zionisme reeds geaccepteerd hebt.[38] Een visie die daar tegenover staat is, dat individuele Joden reeds hun recht op zelfbeschikking zien vervuld in het land waarin zij wonen. Deze opvatting is strijdig met de Israël-voorbeelden in de IHRA-definitie.

Het argument dat afwijzing van een joodse staat antisemitisch is omdat hiermee een dubbele standaard wordt gehanteerd zou niet kloppen. Veel volkeren, zoals de Basken, de Tibetanen en de Schotten hebben ook geen eigen onafhankelijke staat. De Joden zijn daarin dus niet uniek. Integratie van etnische groepen in hun huidige land kan beter zijn dan de stichting van een staat voor een enkele etnische groep.[41]

Orthodox-joodse bewegingen zoals Satmar zijn vanuit hun joodse geloof überhaupt tegen joodse zelfbeschikking middels een eigen staat en zijn dus ook antizionistisch. Zij maken daarom bezwaar tegen de IHRA-definitie, die dit impliciet als antisemitisch definieert. Volgens hun uitleg van het joodse geloof horen Joden in de diaspora te leven tot aan de wederkomst van de Messias.[42][39] Meer seculiere Joodse groepen als Jewish Voice for Peace wijzen een joodse staat met ongelijke rechten voor de Palestijnen niet zozeer af uit religieuze, maar uit anti-racistische overwegingen en steunen daarom de BDS-beweging.

Tegenstanders hebben vaak gepoogd het antizionisme in diskrediet te brengen door het 'nieuw antisemitisme' of versluierd antisemitisme te noemen en te beweren dat antizionisten antisemitisme verbergen achter het masker van antizionisme. Brian Klug wijst er echter op dat het concept van gemaskeerd antisemitisme is gebaseerd op een drogredenering:
Bij sommige antizionisten kan achter antizionisme antisemitisme zijn verborgen, maar dan is dat op zichzelf niet antisemitisch. Antizionisme kan immers niet tegelijkertijd antisemitisch zijn en een masker om zich daarachter te verschuilen. Als antizionisme zou worden gebruikt als een masker voor antisemitisme, betekent dat automatisch dat antizionisme niet antisemitisch is, want anders zou het geen masker zijn. Het masker zou dan zelf antisemitisch zijn en de antisemiet een wolf in wolfskleren. Zou er werkelijk verborgen antisemitisme zijn dan moeten we niet kijken naar het antizionisme, maar naar andere bewijzen volgens de klassieke criteria.[43]