Ich hatte viel Bekümmernis

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Ich hatte viel Bekümmernis (BWV 21) is een religieuze cantate van Johann Sebastian Bach.

Programma[bewerken]

Deze elfdelige cantate is formeel door Bach bedoeld voor de 3e zondag na Trinitatis, alhoewel de cantatetekst niet een-op-een op de voorgeschreven lezingen van deze zondag aansluit wat bij Bach, componist van liturgisch kerkmuziek, doorgaans wel het geval is. Cantates op bijbelse en meer vrije (w.o. aria's) religieuze tekste zoals ook J.S. Bach die componeerde, hadden een ondersteunende functie tijdens Luthers-protestantse kerkdiensten. Kunstzinnige verklankingen van reeds van te voren vastgestelde bijbelteksten die tijdens kerkdiensten hardop werden uitgesproken of gezongen en de uitleg ervan door lutherse predikanten op alle zon- en feestdagen van het kerkelijk jaar (dat met de eerste Adventszondag begint en op de 27ste zondag na Trinitatis eindigt) beoogden de uitwerking daarvan op kerkgangers/gelovigen te versterken. Een aantekening van Bach op de omslag van de speel- en zangpartijen (een originele partituur is niet overgeleverd) 'per ogni tempore' m.a.w. voor alle tijden in het kerkelijke jaar, komt dichter in de buurt van wat hoogstwaarschijnlijk de aanleiding tot Bachs componeren ervan is geweest.

De eerste uitvoering vond plaats op zondag 17 juni 1714 in de hofkerk van Weimar, niet lang na Bachs benoeming tot hofconcertmeester aldaar wat o.a. inhield dat hij verplicht was om een keer per maand met een zelfgemaakte kerkcantate op de proppen te komen en die oop de betreffende zondag te dirigeren in de hofkerk van het hertogelijke stadskasteel. De kerkdienst op deze 3e zondag na Trinitatis stond, wat Bach betreft echter vooral in het teken van het naderende vertrek van zijn pupil en opdrachtgever, de jonge maar ernstig zieke prins Johann Ernst van Saksen-Weimar naar het kuuroord Bad Schwalbach. Deze reis zou echter pas op 4 juli begonnen kunnen worden. In het hierop volgende jaar stierf de jonge, muzikaal talentvolle vorst in Frankfurt a.d. Oder.

Andere uitvoeringen onder Bachs leiding: in Köthen (in/voor 1720), in Hamburg ([16?] november 1720), in Leipzig (13 juni 1723, tijdens Bachs eerste optreden als nieuwe Thomascantor) en ook later nog in en buiten Leipzig. De cantate wordt gerekend tot de eerste cantatejaargang. Zie ook de cantatekalender. Met een gemiddelde uitvoeringsduur van 40 'oratoriumachtige' minuten staat Ich hatte viel Bekümmernis in sterk contrast tot andere cantates van Bachs hand die uit dezelfde periode dateren. Bach beschouwde lange tijd en hanteerde de compositie als zodanig - het was het langstdurende werk van wat hij tot dan toe had gecomponeerd - als het meest representatieve specimen van zijn componeerkunst op dit specifieke terrein.

De tekst van de cantate - waarschijnlijk van de hand van hofdichter Salomo Franck - heeft geen verband met de evangelielezing van die zondag, wel met de epistellezing:

  • Epistellezing Uit 1 Petrus 5, 6-11 (de God van alle genade, die u geroepen heeft tot zijn eeuwige heerlijkheid in Christus, zal u na een korte tijd van lijden zelf toerusten, bevestigen, sterken en grondvesten. Hem zij de kracht in alle eeuwigheid! Amen)
  • Lezing uit het Lucas 15, 1-10 (Zo zeg ik u, geschiedt er vreugde voor het aanschijn van Gods engelen over één zondaar die tot omkeer komt); over het verdwaalde schaap als metafoor voor de bekommerde en verloren mens.

De grondslag van de elfdelige cantate wordt gevormd door een driedelig rouwmotet die in omgewerkte vorm als de cantateonderdelen 2, 6 en 9 bewaard bleef. Het motet ging op 8 oktober 1713 in de Stadtkirche van Weimar in premiere tijdens een herdenkingsdienst van de in september overleden Aemilia Maria Harress, telg van een voorname en politiek-belangrijke Weimarer burgerfamile. Tijdens deze bijzondere gebeurtenis hield de Weimarer hoofdhofpredikant Johann Georg Lairitz een prediking gebaseerd op Psalm 94,19: 'Ich hatte viel Bekümmernis'.

Tekst[bewerken]

De tekst is vermoedelijk van de hand van Salomo Franck.

  • Eerste deel
    • 1. Sinfonia (naar het middendeel van een verloren gegane triosonate voor hobo, viool en basso continuo)
    • 2. Koor: "Ich hatte viel Bekümmernis" (naar een rouwmotet uit 1713)
    • 3. Aria (sopraan): "Seufzer, Tränen, Kummer, Not"
    • 4. Recitatief (sopraan): "Wie hast du dich, mein Gott"
    • 5. Aria(sopraan): "Bäche von gesalzenen Zähren"
    • 6. Koor (met solo sopraan, alt, tenor en bas): "Was betrübst du dich, meine Seele" (naar een rouwmotet uit 1713)


  • Tweede deel
    • 7. Recitatief (sopraan, bas): "Ach, Jesu, meine Ruhe"
    • 8. Duet (sopraan, bas): "Komm, mein Jesu"
    • 9. Koor (met solo sopraan, alt, tenor en bas): "Sei nun wieder zufrieden" (naar een verloren gegaan rouwmotet uit 1713)
    • 10. Aria (sopraan): "Erfreue dich, Seele"
    • 11. Koor: "Das Lamm, das erwürget ist" (slotdeel van een onbekende, verloren gegane compositie in grote bezetting)

Muzikale bezetting[bewerken]

Trompet 1, 2 en 3; pauken (de oorspronkelijke paukenpartij is verloren gegaan); hobo; viool 1 en 2; altviool en basso continuo (inbegrepen violoncello, fagot en orgel); in de Leipziger versie zijn 3 blazers toegevoegd aan de partij voor de eerste, tweede viool- en altvioolpartij van deel-9.

Toelichting[bewerken]

De cantate bestaat uit twee delen: een met de onderdelen 1 t/m 6, het tweede cantatedeel met de onderdelen 7 t/m 11. Het eerste deel is bedoeld vóór de preek, het tweede deel voor daarna. Het verrassende, niet-aangekondigde aantreden van de Jezusfiguur aan het begin van het tweede cantatedeel, duidt erop dat in het slot van de (vooralsnog onbekende) preektekst op zondag 17 juni 1714, de troostende rol van Jezus in tijden van lijden, kommer en nood benadrukt werd.

Het woord "Seele" komt geregeld voor in deze cantate. In Bachs tijd is de ziel meer dan het huidige begrip psyche, namelijk het symbool van de mens in de kern van zijn bestaan, waar de wezenlijke emoties huizen van angst en vertrouwen, wanhoop en hoop, geloof en ongeloof.

Afsluitend geen koraal maar een indrukwekkend slotkoor in C-grote-terts. In de begeleiding wedijveren de groepen pauken en trompetten met de hobo's en strijkers in vrolijkheid. Alle stemmen (schelle trompetten, cimbalen, strijkers, orgel en koor) zetten zich in voor een gejubel en een halleluja van algemene vreugde voor het Lam Gods.

Het voorschrijven van drie trompetten en pauken in de orkestbezetting van het slotdeel (nr.11) - vorm van muzikaal 'powerplay' - is een duidelijke verwijzing naar de context waarvoor de cantate bedoeld is: die van een hofkerk en met name voor de adellijke familie Von Sachsen-Weimar en zijn patriarch, regerend hertog Wilhelm Ernst. Gebruik van dit 'adellijke' instrumentarium buiten hofomstandigheden was, gelet op de conventies van die tijd, vrijwel uitgesloten. Dat Bach voor de uitvoering ervan in 1723 in de Thomaskerk in de economisch-welvarende en door burgers bestierde stad Leipzig deze instrumentatie handhaafde en zelfs inlaste in een voorgaand cantateonderdeel (nr 9), haakt aan bij de vrij zelfbewuste mentaliteit van de Leipzigers en het Leipziger stadsbestuur. Toehoorders bij de eerste cantateuitvoering in de Thomaskerk - voornamelijk kooplieden, stadsbestuurders en ambtenaren, hoogleraren en studenten van de plaatselijke universiteit - zullen Bach's 'ondersteunende' geste hiermee ongetwijfeld hebben opgemerkt en hebben gewaardeerd. Het Leipziger stasdbestuur was in een vrijwel permanente 'strijd' gewikkeld, voornamelijk over opgelegde (soms zeer forse) belastingaanslagen, met de landsregering die in en om het keurvorstelijk-hertogelijke hof in de Saksische hoofdstad Dresden was gevestigd.

Zie ook[bewerken]

Bibliografie[bewerken]

  • Chafe, Eric - Analizing Bach Cantatas (New York-Oxford 2000, p.42-71)
  • Chafe, Eric - Tears into Wine: J. S. Bach's Cantata 21 in its Musical and Theological Contexts (New York-Oxford, 2015)
  • Dürr, Alfred - Johann Sebastian Bach Die Kantaten' (München-Kassel 1991, p.456-463)
  • Hofmann, Klaus - Anmerkungen zu Bachs Kantate "Ich hatte viel Bekümmernis" BWV 21 (Bach-Jahrbuch 2015, p.167-176)
  • Schulze, Hans-Joachim - Die Bach-Kantaten (Leipzig, 2006, p.305-309)
  • Wolff, Christoph- Johann Sebastian Bach (Frankfurt a.M., verschillende pagina's en paginablokken)

Externe link[bewerken]