Illegaliteit (Tweede Wereldoorlog)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Met illegaliteit ten tijde van de Tweede Wereldoorlog wordt meestal gedoeld op acties van verzetsbewegingen tegen de Duitse bezetter. Kranten verschenen illegaal, persoonsbewijzen en voedselbonnen werden gestolen en vervalst en onderduikers geholpen met schuilplaatsen en transport.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen verzet en illegaliteit: de illegalen doken doorgaans meteen onder, sommigen bleven op hun post hoewel ze het verzet steunden.

Sommige leden van het verzet in Nederland hebben na de Tweede Wereldoorlog grote invloed gehad op het Nederlandse politieke leven. Zo heeft de illegaliteit bijvoorbeeld de aanstoot gegeven tot vele samenvoegingen op politiek en sociaal terrein, zoals de Partij van de Arbeid, en ook, maar slechts veel later, het CDA.

Illegale en clandestiene publicaties[bewerken]

Vanaf 1942 moest voor elke publicatie een papiervergunning worden aangevraagd, die in de vorm van het zogenaamde 'K-nummer' op ieder drukwerk te zien was. Tezelfdertijd werden alle schrijvers er op straffe van publicatieverbod toe gedwongen lid te worden van de Kultuurkamer. Uitgevers en schrijvers die zich niet aan deze verordeningen wilden onderwerpen moesten in het geheim hun kranten, tijdschriften of boeken produceren. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen 'clandestiene' en 'illegale' verboden lectuur. Onder clandestiene uitgaven worden verstaan de zonder de vereiste Duitse toestemming verschenen 'normale' drukwerken; illegale publicaties zijn in het geheim geproduceerde drukwerken die gericht waren tegen de bezetting en zijn Nederlandse aanhangers, bijvoorbeeld de tijdschriften Vrij Nederland en Trouw, of het gedicht De achttien dooden van Jan Campert[1].

De productie van clandestien drukwerk werd door de bezetters actief vervolgd en streng bestraft; veel drukkers werden ervoor geëxecuteerd, zoals de Groningse kunstenaar en drukker Hendrik Werkman.

Zie ook[bewerken]