Intrusie (psychologie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een intrusie (uit het Latijn: binnendringing) is een plotseling en vaak herhaald opkomende dwanggedachte, die meestal als opdringerig en storend wordt ervaren, en die gericht is op iets dat men ongewenst vindt. Vaak schamen mensen zich voor dergelijke gedachten. Intrusies komen bij 90% van de mensen af en toe voor[1] en zijn geen teken van een geestesziekte. Soms komt dezelfde gedachte echter steeds terug en kan dan leiden tot een obsessie. Mensen die een ernstige emotionele mishandeling hebben meegemaakt blijken veel meer last te hebben van intrusies[2].

Volgens sommige psychologen[3] zijn intrusies in de evolutie voortgekomen uit een waarschuwingssysteem, bedoeld om ons te waarschuwen en beschermen tegen stommiteiten.

Het blijkt niet goed mogelijk om een intrusie uit het hoofd te bannen, omdat het opzettelijk niet aan iets willen denken, juist ertoe leidt dat men er wél aan denkt. Een bekend experiment van Wegner e.a.[4] toonde dat aan: "Probeer eens 5 minuten lang absoluut niet aan een witte beer te denken."

Voorbeelden van intrusies[bewerken]

  • Op het perron van een station staan en dan ineens het idee hebben hoe het zou zijn om voor de trein te springen (terwijl men helemaal niet dood wil)
  • Zich op straat plotseling inbeelden hoe het zou zijn om een willekeurige persoon een zoen op de mond te geven
  • Tijdens een kraamvisite bij een goede vriendin ineens zich voorstellen dat je de baby op de grond gooit