Naar inhoud springen

Isis Ontsluierd

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
De voorpagina van Isis Unveiled

Isis Ontsluierd (Isis Unveiled) is de titel van een werk van de theosofe Helena Petrovna Blavatsky, dat in twee delen verscheen in 1877. Isis Ontsluierd heet een 'Meester-sleutel' te zijn 'tot de Mysteriën van Oude en Moderne Wetenschap en Theologie'. Het eerste deel gaat over wetenschap en het tweede over theologie, maar is eerder een encyclopedisch overzicht van haar opvattingen over religie in de Oudheid, filosofie, mythologie en wetenschap. Ze werd bij haar schrijven geholpen door Kolonel Henry S. Olcott. Isis Ontsluierd ging vooraf aan haar hoofdwerk: De Geheime Leer (1888).

Blavatsky's Isis Ontsluierd kwam een jaar na Emma Hardinge Brittens (1823-1899) Ghost Land (deels gesitueerd in Europa en deels in India, 1876) en Art Magic (waarin ze de oude wijsheid van de oude Veda's tot het eigentijdse Spiritualism achterhaalde, 1876). Volgens hen zou de 'occulte wetenschap' van de Ouden, die zowel in het Oosten als in het Westen had gebloeid, in de moderne wereld opnieuw tot leven moeten worden gebracht, als een alternatief voor het enge (narrow) materialisme van de positivistische wetenschap. Isis Ontsluierd werd een directe bestseller. India verrees als de wieg van beschaving en de bron van occulte wijsheid, maar dit was nog veel het exotische India van de oriëntalistische verbeelding van westerse esoterici. De Oriënt, 'Het mystieke Oosten', de richting van de zonsopkomst, werd door Europeanen gezien als een soort centrum van oorsprong waartoe men zich verhield, vandaar de term 'oriëntatie'. De Theosophical Society begon als een kleine groep deelnemers gericht op 'Westerse' onderwerpen als 'de Kabbala van de Egyptenaren' en theürgische rituelen voor de aanroeping van Paracelsus' 'elementale wezens'. Veel hiervan kwam van literaire bronnen uit de Victoriaanse tijd, met name Edward Bulwer Lyttons occulte roman Zanoni (1842). Dit begon allemaal te veranderen toen Blavatsky met Olcott in 1879 naar India reisde. Ze begonnen met hindoes en boeddhisten samen te werken, die toegang hadden tot hun eigen heilige teksten in de originele talen. In De Geheime Leer (1888) ontwikkelde moderne theosofie zich tot een enorm ambitieus wereldbeeld gebaseerd op universele spirituele evolutie dat Indiase en Europese tradities wilde samenbrengen in een 'hogere' occulte synthese. Theosofen droegen in grotere mate dan hen is toegeschreven bij aan de comparatieve studie van religies en het vertaald krijgen van klassieke Indiase teksten in westerse talen. Theosofie was van grote betekenis voor innovatie, waarbij veel van de basis werd gelegd van de esoterie van de 20e eeuw. Er was sprake van een creatief proces van wederzijdse beïnvloeding, waarbij westerse esoterische tradities 'oosters' werden en oosterse tegenhangers 'westers'.[1]

Het Westerse esoterische thema is duidelijk in het voorwoord: 'Ons werk is een pleidooi voor de erkenning van de Hermetische filosofie, de archaïsche universele Wijsheids-Religie, als de enig mogelijke sleutel tot het Absolute in wetenschap en theologie.'

In de twee delen komt onder meer naar voren, dat Jezus een wijze profeet was, die de traditie van de aloude 'geheime leer' doorgaf, dat Petrus niet in Rome was en de Apostolische opvolging daarom nergens op is gebaseerd. Blavatsky wijst op de heidense traditie, die opgenomen werd in de 'nieuwe' religie van het christendom en uit haar weerzin jegens de ambitieuze orde van jezuïeten. Ook schrijft ze, dat Menes uit India kwam en de Egyptische beschaving sinds deze grondlegger dus voortkwam uit een Indiase kolonie. Er wordt gewezen op overeenkomsten tussen verschillende religies wereldwijd, die de zon, het vuur en het licht vereren. Verschillende geloofssystemen worden met elkaar vergeleken.

The Western Esoteric Traditions

[bewerken | brontekst bewerken]

Nicholas Goodrick-Clarke (1953-2012) schreef over Isis Ontsluierd in The Western Esoteric Traditions (2008): 'Het tweedelige werk leverde voor het moderne occultisme een belangrijke verklaring op voor de weerlegging van de materialistische wetenschap. Het eerste deel, Wetenschap, begint met een aanval op Darwins Origin of species en Thomas Huxley's Physical Basis of Matter, met het materialisme als haar belangrijkste doelwit. Volgende hoofdstukken over spiritisme (spiritualism), psychische verschijnselen, mesmerisme, de Kabbala, en de vergevorderde kennis en prestaties van oude volken hebben als doel de zelfgenoegzaamheid van moderne wetenschap te ontmaskeren en ondermijnen. Het tweede deel, Theologie, bevat polemieken tegen het christendom, laat esoterische vormen van christendom zien waaronder gnosticisme, een verdere discussie over de Kabbala, oude en moderne geheime genootschappen (waaronder de jezuïeten en vrijmetselaars, en een vergelijking van het christendom, in haar algemene nadeel, met hindoeïsme en boeddhisme.

Het onderliggende thema achter deze diverse onderwerpen is het bestaan van een oude wijsheidsreligie. De vele geloven van de mensheid zouden zijn ontwikkeld uit een universele religie die zowel Plato als de oude Hindoe wijzen kenden. De wijsheidsreligie wordt ook geïdentificeerd met de Hermetische filosofie "als de enig mogelijke sleutel tot het Absolute in wetenschap en theologie" (I, vii) Elke religie is gebaseerd op dezelfde waarheid van de "geheime leer", die 'de alpha en omega van universele wetenschap' bevat (I, 511) Deze oude wijsheidsreligie is de religie van de toekomst (I, 613). Binnen een paar eeuwen, zullen de wereldreligies van boeddhisme, hindoeïsme, christendom en islam zich terugtrekken voor de 'feiten' en 'kennis' van de oude en universele leer. Deze oude wijsheidsreligie is een hermetische filosofie gebaseerd op een emantionistische kosmologie (I, 154, 285, 295f). In tegenstelling tot de moderne evolutietheorie, veronderstelt deze leer de involutie [inwikkeling] van de mensheid van 'hogere en meer spirituele naturen'. Een "goddelijke vonk" is neergedaald in de stof, en zodra het zijn dichtste materiële niveau heeft bereikt, begint ze aan haar opgang terug naar haar bron. Blavatsky neemt zo moderne evolutie op in haar plan, maar slechts als een cyclus van terugkeer, en vooral, ze hernoemt de biologische noodzaak in spirituele termen: "Het menselijke ras moet uiteindelijk fysiek worden vergeestelijkt" (I, 296)

De termen 'theosofie' en 'theosoof' komen ook in de tekst van Isis Ontsluierd voor. Het is interessant dat ze slechts kort refereert aan Jacob Boehme maar identificeert de Paracelsiërs of 'vuur-filosofen' van de 16e eeuw als theosofen (I, xxxvii, xli). Bovenal, is de theosophia van de oude Alexandrijnse wereld haar model, bijvoorbeeld in haar opmerking dat de Neoplatoonse school de mystieke theosofie van het Oude Egypte verenigde met de verfijnde filosofie van de Grieken (II, 41). Ze citeerde ook herhaaldelijk haar medewerker en redacteur, professor Alexander Wilder (1823-1908), auteur van New Platonism and Alchemy (1869), die de term 'eclectisch theosofisch systeem' muntte om de ideeën van neoplatonici te omschrijven. Wilder wordt gewoonlijk de introductie tot Isis Ontsluierd toegeschreven, getiteld Voor de sluier. Blavatsky stond in Isis Ontsluierd lang stil bij de ideeën van Plato, Plotinus, Porphyrius en Iamblichus, en ze gaf hun gedachten weer in termen van Wilders theosofie. Op haar beurt, zag ze moderne theosofie voor ogen als de erfgenaam van Alexandrijns neoplatonisme, doeltreffend de christelijke variëteiten van theosofie negerend.'[2]

Het schrijven van Isis Ontsluierd

[bewerken | brontekst bewerken]

Blavatsky begon in de zomer van 1875 op 47th Street in New York met schrijven. Ze schreef eerder dat jaar al aan professor Hiram Corson van Cornell University dat er in het komende tijdperk mysteriën zouden worden onthuld. Ze bracht in september 1875 enkele weken door in zijn huis in Ithaca, waar ze het werk aan Isis voortzette. Corsons zoon Eugene publiceerde later een boek met de brieven van Blavatsky aan Corson. Andrew White, hoofd van Cornell University, schreef dat Corson 'in veel opzichten de belangrijkste professor' was 'die Cornell ooit heeft gehad'. Corson en Blavatsky ontmoetten elkaar, vanwege het overlijden van Corsons 16-jarige dochter, met wie hij via Blavatsky weer in contact hoopte te komen middels een spiritistische séance. Maar 'ze is niet alleen niet bereid dit te doen, maar staat beslist afwijzend tegenover dat soort dingen.', schreef Corson aan zijn zoon. Bij Corson thuis schreef ze 'ongeveer vijfentwintig dicht opeen geschreven foliobladzijden per dag. Ze had geen boeken om te raadplegen; de uitgebreide bibliotheek van mijn vader ging bijna geheel over de Engelse literatuur...en ze heeft hem zelden over iets geraadpleegd', berichtte Eugene. 'Gewoonlijk schreef ze in bed vanaf negen uur 's morgens, terwijl ze talloze sigaretten rookte en lange alinea's letterlijk aanhaalde uit dozijnen boeken, waarvan er - daar ben ik absoluut zeker van - in die tijd geen exemplaren in Amerika waren. Ze vertaalde zonder moeite uit verschillende talen (..)', vertelde professor Corson aan de schrijver Charles Lazenby in een interview. Volgens de kleindochter van de professor, Pauline Corson Coad, ontdekten ze als snel dat een smalle bruine hand van een Indiër gewoonlijk van onder het tafelkleed omhoog reikte en de aantekeningen opschreef die ze nodig had. Professor Corson merkte op over de aanhalingen van HPB in Isis: 'De honderden boeken die ze aanhaalde stonden zeker niet in mijn bibliotheek; veel ervan waren niet in Amerika, enkele ervan waren heel zeldzaam en in Europa moeilijk te verkrijgen.' Ze zette het werk aan Isis voort in New York, waar ze wel boeken gebruikte, waarvan sommige uit Olcotts bibliotheek. De rest ontleende ze, volgens Olcott, aan het 'astrale licht', of aan haar adept-leraren of door gebruik te maken van haar 'zielezintuigen'. Olcott werkte met Blavatsky twee jaar aan Isis en nog veel meer jaren aan ander literair werk. HPB ging in New York zes maanden niet uit en werkte volgens haar brief aan haar tante Nadja, 17 uur per dag en voedde zich met havermout.[3]

Receptie van Isis Ontsluierd

[bewerken | brontekst bewerken]

Vóór tot publicatie over te gaan, ging uitgever J.W. Bouton te rade bij professor Alexander Wilder, filosoof, Plato-kenner, archeoloog, auteur, opvoedkundige en praktiserend arts (Newark, New Jersey, sinds 1 december 1875 lid van de Theosophical Society). Wilder schreef een artikel Hoe Isis werd geschreven (1908). Kolonel Olcott ging in de herfst van 1876 bij Wilder langs en stelde hem later aan Blavatsky voor. 'Ik [Wilder] verklaarde in mijn verslag aan hem [Bouton] dat het manuscript het produkt was van uitgebreid onderzoek en dat het met betrekking tot het huidige denken een revolutie betekende.' Wilder verzorgde de Index, corrigeerde Griekse, Latijnse en Hebreeuwse namen, stelde citaten voor en schreef het grootste deel van de Introductie: 'Before the Veil'. Wilder wilde zijn naam slechts in voetnoten.[4] Blavatsky koos voor de titel De sluier van Isis, maar er was reeds een boek uitgegeven met die titel en Bouton en de vrijmetselaar Sotheran, die ook met Blavatsky bevriend was, kozen voor Isis Ontsluierd. Bouton verzon waarschijnlijk ook de ondertitel 'Een sleutel tot de mysteriën van de oude en de moderne wetenschap en de theologie'. HPB keurde zowel de titel als ondertitel af. Bij het aanbieden van een exemplaar aan de geleerde Alfred Russel Wallace schreef ze: 'ik heb de mysterieuze geheimen van de gevreesde godin - Isis - niet onthuld. (..) de uiteindelijke mysteriën en geheimen [worden] nooit aan het gewone publiek (..) gegeven.' Ze wilde slechts aangeven waar men de sluier van Isis' tempel kon oplichten. Russel antwoordde: 'Veel dank voor het mooie geschenk van uw twee prachtige boekdelen. (..) Uw boek zal voor veel spiritisten een hele wereld van nieuwe ideeën openen en is zonder twijfel van de grootste waarde bij het onderzoek dat nu zo ernstig wordt verricht....'

In september 1877 werd Isis gepubliceerd en opgedragen aan de Theosophical Society, die in 1875 in New York was opgericht, om de onderwerpen te bestuderen die erin worden behandeld. Het boek was direct een succes. De American Bookseller schreef: 'De verkoop...is ongekend voor een boek van dit soort, de hele oplage' van duizend exemplaren 'was binnen tien dagen na de verschijningsdatum uitverkocht.' Het werd verschillende keren herdrukt, is nooit uitverkocht geweest en verschillende uitgevers publiceren de Engelse tekst. De New York Herald noemde 'het een van de opmerkelijkste voortbrengselen van de eeuw'. De Daily Graphic schreef het 'zal zeker aantrekkelijk zijn voor allen die geïnteresseerd zijn in de geschiedenis, de theologie en de mysteriën van de oude wereld'. De redacteur van de New York Times wilde geen boekbespreking opnemen, omdat hij 'een heilige afschuw heeft van MW. Blavatsky en haar brieven', schreef hij aan Bouton. De Londense Public Opinion noemde het 'een van de uitzonderlijkste boeken van de negentiende eeuw'. Volgens W.Q. Judge schonk een Indiase vorst haar om de publicatie een heel oud exemplaar van de Bhagavad-Gita, gebonden in paarlemoer en goud. En ze ontving een 'certificaat voor de hoogste rang in de aangenomen vrijmetselarij, die van gekroonde prinses' van John Yarker, de grootmeester van de oude natuurritus van vrijmetselaars.[5]

William Emmette Coleman

Tegenstanders beschuldigden het boek van plagiaat, voor het eerst door William Emmette Coleman,[6][7] [8][9][noot 1] en nog steeds door moderne onderzoekers als Mark Sedgwick.[10]

Historicus Geoffrey Ashe noemt het onderzoek oprecht, maar oppervlakkig en vol plagiaat.[11] Bruce Campbell ziet ook op grote schaal plagiaat en volgens hem zou Blavatsky de vaardigheden en kennis van Engelse taal ontberen om een eigen werk te schrijven. Daarom steunde ze op geschreven bronnen en hulp van vrienden om zo een unieke en krachtige uitdrukking van occulte ideeën te geven.[12] Moderne kopieën zijn vaak van aantekeningen voorzien en er worden nauwkeurig bronnen en invloeden afgebakend. Historicus Ronald H. Fritze noemt het een pseudo-historisch werk.[13] Henry R. Evans (1861-1949), journalist, magiër en tijdgenoot, beschreef het boek een hodge-podge van absurditeiten, pseudo-wetenschap, mythologie en folklore, chaotisch en zonder logisch verband.[14]

Het eerste deel heeft als ondertitel de 'onfeilbaarheid' van de moderne wetenschap en is ingedeeld in vijftien hoofdstukken, die onder meer gaan over 'de innerlijke en uiterlijke mens' (X), 'Egyptische wijsheid' (XIV) en India als 'bakermat van het ras' (XV). Het voorwoord begint met de woorden: 'Het boek dat we hier ter beoordeling aan het publiek voorleggen, is het resultaat van een tamelijk diepgaande bekendheid met oosterse adepten en van het bestuderen van hun wetenschap. (..) Het is een poging de onderzoeker te helpen bij het opsporen van de hoofdbeginselen die de grondslag vormen van de oude filosofische stelsels (..) Maar het heeft geen genade voor als onaantastbaar beschouwde dwalingen en geen eerbied voor onrechtmatig verkregen gezag.'[15]

Het tweede deel heeft als ondertitel de 'onfeilbaarheid' van religie en is ingedeeld in twaalf hoofdstukken, waaronder 'christelijke misdaden en heidense deugden' (II), 'mysteriën van de kabbala' (V), 'esoterische boeddhistische leer geparodieerd in het christendom' (VI) en 'de veda's en de Bijbel' (IX).

In het laatste hoofdstuk staan 'Tien punten van Isis':

  • Er bestaan geen wonderen. Alles wat er gebeurt is het gevolg van een eeuwige, onveranderlijke, altijd werkende wet....
  • De natuur is drieënig: er is een zichtbare, objectieve natuur, een onzichtbare daarin aanwezige leven gevende natuur (..); boven deze twee staat de geest, de bron van alle krachten (..)
  • Ook de mens is drieënig.
  • De magie als wetenschap is de kennis van deze beginselen (..) het toepassen van deze kennis in de praktijk.
  • Geheime wetenschap die verkeerd wordt toegepast, is toverij, ten goede gebruikt is het echte magie of WIJSHEID.
  • Mediumschap is het tegenovergestelde van adeptschap; het medium is het passieve werktuig van invloeden van buitenaf, de adept heeft een actieve beheersing over zichzelf en over de lagere krachten.
  • De ingewijde adept kan via zijn zienersblik in het astrale licht, waar alles wat ooit bestaan heeft, bestaat of bestaan zal, alles [in het zonne-heelal] weten.
  • De mensenrassen verschillen in geestelijke gaven; bij sommige volken komt van nature het zienerschap het meest voor, bij andere het mediumschap....
  • Eén aspect van magische vaardigheid is het vrijwillig en bewust terugtrekken van de innerlijke mens (het astrale lichaam) uit de uitwendige mens (het stoffelijk lichaam).
  • De hoeksteen van de MAGIE is een nauwkeurige, praktische kennis van magnetisme en elektriciteit, hun eigenschappen, onderlinge samenhang en vermogens....

Om dit alles samen te vatten: MAGIE is geestelijke WIJSHEID; de natuur is de stoffelijke bondgenoot, leerling en dienaar van de magiër. Eén gemeenschappelijk levensbeginsel doordringt alles, en dit kan door de vervolmaakte menselijke wil worden beheerst...[16]

Uit de 'universele religie' zou een 'prehistorisch boeddhisme' zijn voortgekomen en daaruit het brahmanisme.[17]

Volgens Blavatsky was Jezus, net als de apostel Paulus, een ingewijde van de 'universele wijsheidstraditie' en maakte hij net als Pythagoras onderscheid tussen exoterische- en esoterische leringen. Exoterische (openbare) leringen waren voor iedereen, esoterische (verborgen, geheime) leringen voor de gevorderden: de parabelen voor de menigte en de 'Mysteriën van het Koninkrijk van God' voor de apostelen. Een dergelijk onderscheid tussen toehoorders werd er ook gemaakt in de klassieke mysteriescholen: neofieten en 'perfecten'. Dit verklaart de zinsnede van Paulus: 'We spreken [alleen] wijsheid onder hen die perfect zijn' (1 Korinthiërs, ii, 6). Het paradijs of Gods koninkrijk vergeleek Blavatsky met het klassieke, goddelijke elysium. Volgens Blavatsky was Jezus een esseen, nazarener, profeet, magiër, exorcist (duiveluitdrijver) en religieus hervormer. De essenen zouden pythagoreeërs zijn geweest, voordat ze hun leer degenereerden door ze aan te passen aan die van boeddhistische missionarissen, die zich volgens Plinius aan de oevers van de Dode Zee hadden gevestigd. Jezus zou de leer van Sakyamuni Boeddha hebben gepredikt.[18]

Het verhaal van de 'kindermoord door koning Herodes' zou te herleiden zijn tot het Indiase verhaal, waarin Kansa, de koning van Mathurâ, alle pasgeboren jongetjes in zijn rijk liet doden, toen hij Krishna, het zoontje van zijn nicht Devakî, niet vinden kon. Volgens kabbalisten echter ging het bij de 'kindermoord' om de vervolging van ingewijden, aangeduid als 'onschuldigen' en 'kindjes', tijdens de heerschappij van Herodes. In de Toledot Yeshu betrof het de vervolging van ingewijden onder de regering van koning Alexander Janneüs in de 1e eeuw v. Chr. Rabbi Yehôshûah Ben-Perahiah zou toen met Yehôshûah (Jezus), na diens inwijding in de geheime kennis door Elhânân, naar Alexandrië zijn gevlucht. Daar leerde Yehôshûah de geheime wijsheid van Egypte. In de Tela Ignea Satanae staat geschreven, wat Jezus kwalijk werd genomen door de joden: hij had, door zijn inwijdingen in Egypte, de grote geheimen van hun tempel, gesymboliseerd door de steen Shem ha-Mephorash, ontdekt; hij had die geheimen aan het gewone volk doorgegeven.[19]

Het christendom zou veel van heidense, oosterse religies hebben overgenomen, zonder dat te vermelden, waarna die religies werden afgedaan als aanbidding van valse afgoden (duivel aanbidding). De Latijnse Kerk nam van de heidense 'exoterische' (openbare) traditie symbolen, riten, ceremonies, architectuur en kleding van de geestelijkheid over.

Karibu, stierman, uit Dur-Sharrukin, Oriental Institute (Chicago), Syrisch kalksteen, Nieuw-Assyrische Rijk, ca. 721-705 v. chr.

Zo waren de cherubijnen van de profeet Ezechiël, de dieren waarmee steevast de vier apostelen worden afgebeeld, overgenomen van Chaldeo-Babylonische genii: de Sed, Alaph of Kirub ( de stier met menselijk gezicht, vandaar cherubijn), Nergal (leeuw met menselijk gezicht), Ustur (de sphinx-man) en Nattig (mens met het hoofd van een adelaar). In het christendom wordt Marcus met een leeuw, Johannes met een adelaar, Mattheüs met een engel of draak en Lucas met een stier afgebeeld naar Babylonisch model.[20] Ook valt daarbij te denken aan de Karibu (Lammasu) van Sumerië en Akkadië.

Moeder en Kind

[bewerken | brontekst bewerken]

Moeder en Kind waren al te zien in de hindoeïstische Devaki en Krishna en de Egyptische Isis en Horus. Ishtar, Venus, Juno en veel meer heidense godinnen waren 'Koningin van de Hemel', 'Koningin van het Universum', 'Moeder van God' en 'Hemelse Maagd' etc.

De christelijke drie-eenheid (Vader, Zoon en Heilige Geest), waarbij Jezus Christus de Zoon was, gelijk aan de Vader, zou zijn overgenomen van de drie-eenheid van de Platonische leer: drie goden vertegenwoordigden een drievoudige omzetting van de Eerste Oorzaak (Eerste Oorzaak, Logos en ziel van het universum). Van Philo van Alexandrië kwam het idee van een Koning Messiah of Metatron als Logos (Woord), die hij overgenomen had van de 'oudste Kabbala'. Deze Messiah was 'de engel van de Heer' en Legatus (boodschapper), die 'in het vlees neerdaalde'. De vroege Kerk begon de neo-platonische rivalen naar het leven te staan, toen de verborgen leer (met metafysische allegorieën) zich met die van Aristoteles begon te vermengen. Aristoles' logica, volgens de 'inductieve methode', dreigde ook het hele christelijke systeem aan het licht te brengen. De kerkleer zou worden onthuld, waarin onder meer Jezus tot Logos (Woord Gods) was verklaard en tot Zoon, de tweede Persoon, binnen de drie-eenheid.

De drie-eenheid kwam via Plato en Pythagoras uit het Oosten. De bron ervan was volgens Blavatsky de drievoudige Trimurti van India, uit AUM, te vergelijken met de Hebreeuws-kabbalistische Ain-Soph (Niet-Iets, het grote Onbekende): de derde (de creatieve) triade is van transformatie, creatie en behoud (resp. Shiva, Brahmâ en Vishnoe); de tweede (de gemanifesteerde) triade bestaat uit Agni, Vayu en Surya; de eerste triade bestaat uit Nara, Virâj en Nârî. De laatstgenoemde drie-eenheid zou overeenkomen met de eerste drie sefirot van de Kabbala, die aan het begin staan van een reeks van tien emanaties (de sefirotboom): Kether (kroon), Chochmah (wijsheid) en Binah (begrip, rede of 'vrouwelijke wijsheid').

In dit verband werd de eerste zin van Genesis bewust verkeerd door kerkvaders vertaald, omdat anders de oorspronkelijke emanatieleer zou worden onthuld. In plaats van 'In den beginne schiep God hemel en aarde', moest be-rêshîth (wijsheid) goed vertaald worden: 'In wijsheid schiep God hemel en aarde'. Wijsheid is de Logos, de tweede sefirot Chochmah, de Protogonos (eerstgeborene), de androgyne Brahmâ, die uit het oorspronkelijke 'Gouden Ei' werd geboren, de Egyptische scheppergod Ptah. De Logos is de scheppergod, waar een Onbekende God (Svayambhû in het Sanskriet) aan voorafging. Blavatsky ging uit van een oorspronkelijke, universele wijsheidsreligie, waardoor alle bestaande religies in de kern met elkaar overeenkomen; ze komen immers allemaal uit een en dezelfde oerbron. De openbare vorm van de 'nieuwe' christelijke godsdienst deed echter afbreuk aan de verborgen (geheime) traditie en werd tot de enige ware religie verheven.[21]

De naam 'Petrus' kwam van de Chaldeeuwse titel van de hiërophant van de mysteriën, pether (vertolker). Toen Jezus zei: 'Op deze petra zal ik mijn Kerk bouwen', zou hij de rotstempel en als metafoor de mysteriën hebben bedoeld.

De scepter nam de paus over van de Pontifex Maximus, de Romeinse hogepriester, de kap van Magna Mater (Cybele). Die hoofdbedekking was een kopie van de tiara van Brahmâtma, de hogepriester van de ingewijden van het oude India.

De 'sleutels van Petrus' waren de sleutels van Janus en Cybele. De Brahmâtma van India droeg twee gekruiste sleutels (tot de mysteriën) op zijn tiara.[22]

Volgens dr. Inman in zijn Ancient Pagan and Modern Christian Symbolism waren de mijter en pauselijke tiara uit het oude Assyrië overgenomen. De lituus (staf) van de auguren van Etruria. De kleding van de engelen kwamen van schilders en urnenmakers van Magna Grecia en Midden-Italië.[23]

De rozenkrans kwam van de Hindoes, de 'non' van de Egyptische Nonna, de aureool uit Babylonië en India.

Apostolische opvolging

[bewerken | brontekst bewerken]

Volgens Blavatsky was er genoeg bewijs dat de apostel Petrus niet als martelaar in Rome stierf en dat het dogma van de apostolische opvolging een fabel is, verzonnen door de kerkvaders. Volgens George Reber, in zijn The Christ of Paul, kon Petrus alleen tussen het jaar 64 (toen hij in Babylon was) en 69 in Rome zijn geweest, omdat hij tijdens de regering van Nero (64-68) stierf. Petrus zou de Kerk van Rome aan Linus hebben overgedragen, die volgens Eusebius in zijn Kerkgeschiedenis twaalf jaar bisschop was, van het jaar 69 (een jaar na Nero's dood) tot 81. Reber bewees dat er vóór de regering van Antoninus Pius geen gevestigde kerk in Rome bestond en dat de apostelen Petrus en Paulus de 'kerk' alleen aan Linus hadden kunnen overdragen tussen het jaar 64 en 68. Maar Linus werd pas in het jaar 69 bisschop.

Daarbij lag het niet in Petrus' karakter om zich tijdens Nero's regering in Rome te wagen, aangezien hij uit lafheid eerder driemaal zijn meester Jezus had verraden.

In de Grieks-Orthodoxe Kerk bestaat er, volgens Blavatksy, een traditie, die haar herkomst terugvoert tot een gnostische leider en dus niet tot Petrus. Alle vroege sekten kwamen volgens haar via 'prehistorisch Boeddhisme' uit de 'universele religie' voort.

Justinus de Martelaar, de 'grote kampioen van het christendom', schreef begin tweede eeuw in Rome en lijkt nog geheel onbekend met Petrus. Pas Irenaeus (ca. 140 - ca. 202) begon de Kerk van Rome met Petrus te verbinden. De christenen ontvluchtten Rome tijdens Nero's vervolgingen en het is onwaarschijnlijk dat ze juist toen in aantal toenamen. De toename van volgelingen zou evenwel de reden zijn geweest voor Petrus om van Rome zijn centrum te maken.

Petrus bleef een 'apostel van de besnijdenis'. Zijn opvolgers hadden zich daarom ook moeten laten besnijden, gelijk de eerste vijftien bisschoppen van Jeruzalem deden.

Blavatsky vond de geschiedenis van de joodse Sepher-Toledoth-Yeshu geloofwaardiger, waarin Petrus 'een trouwe dienaar van de levende God' werd genoemd, die zijn leven in Babylon sleet op de top van een toren. Na Petrus' dood ging een ándere prediker naar Rome die deed alsof Petrus de leringen van zijn meester had veranderd.[24]

Heilige Stoel van Petrus

[bewerken | brontekst bewerken]

Van de Stoel van Petrus (Heilige Stoel) bestaan twee 'originelen'. Volgens Bower in zijn History of the Popes werd er tijdens het schoonmaken van de eerste stoel in 1662 op stukken ivoor de 'twaalf werken van Herakles' gevonden, waarna er een ander voor in de plaats werd gesteld. Hierop bleken in 1795 Arabische letters te staan met de mohammedaanse geloofsbelijdenis. Volgens professor Alexander Wilder in zijn Ancient Symbolworship was Petrus nooit in Rome en stamde de eerste 'Heilige Stoel' uit de periode, waarin de inwijdeling tijdens de heidense mysteriën een openbaring te zien kreeg op een petroma, een dubbele set stenen tabletten, gebruikt door de hiërofant (inwijder). 'Pether' was in het Fenicisch en Chaldeeuws een 'vertolker' (hiërofant), in het oud Aramees en Hebreeuws 'Patar'. PTR komt in inscripties op oude Egyptische grafkisten voor.[25]

Constantijn de Grote

[bewerken | brontekst bewerken]

Vol verontwaardiging schreef Blavatsky over Constantijn de Grote, dat hij volgens Eusebius beloond was met een visie van Christus zelf, die zijn kruis dragend hem opdroeg onder zijn bescherming naar nieuwe triomfen op te marcheren, terwijl deze eerste christelijke, Romeinse keizer zijn vrouw in kokend water verdronk, zijn kleine neefje afslachtte, twee zwagers met zijn vrome handen vermoordde, zijn eigen zoon Crispus doodde, verschillende mannen en vrouwen dood liet bloeden en een oude monnik in een put verdronk.[26]

Blavatsky was ook fel gekant tegen de jezuïeten,[27] die ze als volgt beschreef: 'Die doortrapte, geleerde, gewetenloze, verschrikkelijke ziel van jezuïtisme binnen het Romanisme' met 'weerzinwekkend wellustige, hypocriete en demoraliserende' voorschriften. Ze zette deze 'principes' van het jezuïtische genootschap, dat de hele wereld enorme morele schade toebracht, af tegen de deugd en moraliteit, die van kandidaten vereist werden om aan de heidense mysteriën deel te nemen. Haar leraar K.H. (Koot-Hoomi Lal Singh) uitte zich in de Mahatmabrieven in soortgelijke bewoordingen in een brief aan A.O. Hume[28] en in een brief aan A.P. Sinnett noemde hij Dostojewski's Groot Inquisiteur (1879-1880) 'de helderste en betrouwbaarste beschrijving van de Orde van Jezus [(de jezuïeten)] die ooit daarvoor was gegeven'.[29]

De jezuïeten vormen volgens Blavatsky een geheim genootschap met sterke banden met de vrijmetselarij, met name in Frankrijk en Duitsland. Vanaf het begin in 1534 kwam de openbare moraal tegen hen in opstand en werden de jezuïeten verdreven: in 1578 uit Portugal en de Lage Landen, uit Frankrijk in 1594, uit Venetië in 1606, uit Napels in 1622, uit Sint Petersburg in 1816, uit heel Rusland in 1820. De 'onfeilbare' paus Clemens XIV schafte de orde op 23 juli 1772 af, maar de even onfeilbare paus Pius VII herstelde dat op 7 augustus 1814.

Ambtenaren van het Franse Parlement legden 5 maart 1762 een aanklacht voor aan koning Lodewijk XV, verschenen als Extraits des Assertions, waarin de 'Orde van Jezus' werd verdacht van diefstal, leugens, meineed, onzuiverheid, misdaad, moord, oudermoord, koningsmoord, het vervangen van religie door bijgeloof, tovenarij, godslastering en idolatrie. Hun wetten werden in 1558 door de jezuïet Polancus in het Latijn vertaald en geheim gehouden. Ze kwamen pas aan het licht in het beroemde proces van padre La Valette in 1762. Blavatsky refereert daarbij aan het boek History of the Jesuits (1889) van Giovanni Battista Nicolini (1792-1861). Pas eind november 1764 ondertekende de koning een edict, waarmee de orde in het hele land werd ontbonden.

De orde kent zes verschillende graden en daarboven een geheime groep, die alleen aan de 'Generaal' bekend is. De 'Orde van Loyola' zou de reorganisatie van de Inquisitie tot haar hoogste prestaties rekenen en nu (schrijven 1877) in Rome almachtig zijn.

Volgens MacKenzie in zijn Royal Masonic Cyclopaedia (p.369): 'De orde heeft geheime tekens en wachtwoorden volgens de graden waar de leden toe behoren en aangezien ze geen specifieke kleding dragen, is het erg moeilijk om ze te herkennen, tenzij ze zichzelf als leden van de orde voorstellen; want ze kunnen zich voordoen als protestanten of katholieken, democraten of aristocraten, ongelovigen of dwepers, al naargelang de speciale missie die hen is toevertrouwd. Hun spionnen zijn overal, van alle rangen en standen, en ze kunnen geleerd en wijs lijken of eenvoudig en dwaas, afhankelijk van de aanwijzingen die ze hebben gekregen. Er zijn jezuïeten van beider geslacht en alle leeftijden (..) We kunnen niet genoeg waakzaam zijn, want het hele genootschap, gebouwd op de wet van directe gehoorzaamheid, kan op ieder moment zonder aarzelen met fatale precisie toeslaan.'

Volgens Pater Alagona in zijn St. Thomae Aquinatis Summae Theologiae Compendium: 'Het is op Gods bevel wettig een onschuldig persoon te doden, te bestelen of te verkrachten (Ex mandato Dei licet occidere innocentem, furrari, fornicari); want hij is de Heer van Leven en dood; en het is aan hem toe te schrijven zijn bevel zo uit te voeren.' Volgens Anthonio Escobar y Mendoza in zijn Universae Theologiae Moralis receptiores etc mag een geestelijke korte tijd zijn habijt opzijleggen voor een zondig doel en is hij daarbij vrij van misdaad en zal hij daarvoor niet met excommunicatie worden bestraft.

Tempeliers en vrijmetselarij

[bewerken | brontekst bewerken]

Volgens Blavatsky[30] was slechts een klein aantal leiders van de tempeliers en enkele rozenkruisers van de 17e eeuw, altijd in nauw verband met Arabische alchemisten en ingewijden, in het bezit van het 'verloren woord', dat, slechts van 'mond tot oor, en het woord zacht' (gesproken), werd doorgegeven.

De orde van de tempeliers, in 1118 gesticht door de ridders Hugues des Payens en Geoffrey de Saint-Adhémar, zou als werkelijk doel het herstel van de primitieve, geheime verering hebben nagestreefd. De ware versie van Jezus' geschiedenis en het vroege christendom werd aan Hugh de Payens overgeleverd door de hogepriester van de 'Orde van de Tempel' (de sekte van nazareners of van Johannes de Doper), genaamd Theocletes. Daarna werden enige ridders in Palestina ingewijd. Hun geheime doel zou vrijheid van intellectuele gedachte en het herstel van de ene en universele religie zijn geweest. De orde was vanaf het begin anti-katholiek. Het rode kruis op de witte mantel stond voor de vier windrichtingen en was het embleem van het universum. De ridders werden terecht door Filips IV van Frankrijk van ketterij (volgens het standpunt van de kerk) beschuldigd, want ze geloofden niet in (Jezus) Christus als Godmens of als redder van de wereld, wezen het wonder van zijn geboorte en zijn daden af, geloofden niet in de transsubstantiatie, de heiligen, heilige relieken en het vagevuur. De Christus Jezus zou in hun ogen een valse profeet zijn, maar de mens Jezus een 'broeder'. Ze zagen Johannes de Doper als hun patroon, maar niet zoals hij in de bijbel werd voorgesteld en hielden zich aan de leringen van hun leiders in het Oosten.

Elias Ashmole zou de laatste van de rozenkruisers en alchemisten zijn geweest en hij stierf in 1692. Vrijmetselarij was toen geen politiek of christelijk instituut, maar een geheime organisatie voor wie de prijs van gewetensvrijheid wilde winnen en kerkelijke vervolging wilde ontlopen. Dertig jaar na zijn dood zag de 'moderne vrijmetselarij' het licht, geboren op 24 juni 1717 in de Apple-tree taveerne, Charles Street, Covent Garden, London.

Toen de vrijmetselarij zich verbond met het templarisme, moesten de ridders als onschuldig (aan ketterij) worden voorgesteld en alle documenten van de rechtszaak, door Mohldenhawer uitgegeven, werden opgekocht, omdat die de 'schuld' van de orde bewezen. De orde die zogenaamd in de voetsporen van het templarisme trad, was een tak van het ultra-katholieke jezuïtisme en stond onder haar leiding. Dat nieuwe 'templarisme' werd in 1808 uit Frankrijk in Amerika geïntroduceerd. Gouverneur De Witt Clinton van New York was in 1816 Grootmeester van het Amerikaanse Templarisme. De pseudo-orde werd op 4 november 1804 in Parijs opgericht, door katholieke Stuart-aanhangers, met een valse Constitutie, La Charte de transmission (tabula aurea Larmenii). De eerste Grootmeester van deze valse orde was dr. Fabré-Palaprat, die de naam Bernard Raymond aannam.

Graaf en jezuïet ridder M.A. Ramsay (1686-1743) begon als eerste met het idee dat de tempeliers waren verbonden met de Ridders van Malta, waar de vrijmetselaars van Sint Johannes van zouden afstammen. De katholieke kerk, die de vrijmetselarij als tegenstander ziet, had voortaan haar eigen vrijmetselarij om mee te concurreren. Daarom kreeg de vrijmetselarij een christelijk laagje en verklaart de vrijmetselaar in een persoonlijke god te geloven, Jehovah (of 'architect van het universum'), voor hij tot een loge kan toetreden en zweert hij een eed op de bijbel. De 'johannieter tempeliers' geloofden daarentegen in het onbekende en onzichtbare Principe, waar de creatieve krachten ('goden') uit voortkwamen en hielden zich aan de nazareense versie waarin Panthera de zondige vader was van Jezus,[31] 'de zoon van god en de mensheid'.

Een brief van de vrijmetselaar Charles Sotheran is in Isis Ontsluierd opgenomen, waarin hij beweert dat onder meer de Aloude en Aangenomen Schotse Ritus van de 'zonen van Ignatius van Loyola' (jezuïeten) afstamt. De graden van riten werden gesticht door onder meer baron Hundt, ridder Ramsay, Tschoudy, Zinnendorf onder instructie van het Jezuïeten College van Clermont in Parijs. Volgens Blavatsky heeft het geheime genootschap van de jezuïeten een nauwe band met de vrijmetselarij in met name Frankrijk en Duitsland.

Volgens Blavatsky is de vrijmetselarij, net als het christendom, een lijk, waar de geest al lang geleden uit vervloog.

Volgens Blavatsky was de Indiase Manu-Vena dezelfde als Menes.[32] Manu-Vena komt voor in Kullûkka-Bhatta's Geschiedenis van India. Daarin emigreerde Manu-Vena na een vijfdaagse veldslag, via Ârya (Eran, Perzië) en Barria (Arabië) naar Masra (Caïro). De Ethiopiërs zouden van 'Oost-Ethiopiërs' afstammen, te weten Zuid-Indiërs, een donker arisch ras. In Philostratus' Leven van Apollonius van Tyana (III, xx) zou de brahmaan Iarchas ook zeggen, dat de Ethiopiërs van oorsprong een Indiaas ras waren, die moesten emigreren.[33] De schedels van de Egyptische mummies zouden van het 'kaukasische' ofwel Aziatische type zijn. Ethiopisch schrift is net als het Sanskriet van links naar rechts geschreven en koningen geven net als de Zuid-Indiase raja's de kroon door aan hun neef. Manu-Vena, alias Menes, nam, volgens Blavatsky, de verering van de zon en maan mee naar Egypte. Ethiopië wordt mogelijk beschouwd als het mythische 'land van Poent' en dat was voor de Oude Egyptenaren een 'heilig land' en 'land van de goden', door oudere egyptologen verklaard als 'land van de voorouders'.

  • Blavatsky, H.P., Isis ontsluierd, Theosophical University Press Agency, 2010, ISBN 978-90-70328-75-7
  • Goodrick-Clarke, N., The Western Esoteric Traditions, 2008, Oxford University Press, hoofdstuk 11 Helena Blavatsky and the Theosophical Society, Isis Unveiled and Western Esotericism, ISBN 978-0-19-532099-2
  • Wouter J. Hanegraaff, Esotericism in Western Culture, Counter-Normativity and Rejected Knowledge (2025), Bloomsbury Academic, hoofdstuk 2 en 7, ISBN 978-1-3504-5969-4