Naar inhoud springen

Isotoon (kernfysica)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

In de kernfysica zijn isotonen nucliden met hetzelfde aantal neutronen. Voorbeelden van isotonen zijn boor-12 12B en koolstof-13 13C, omdat er in hun kernen allemaal zeven neutronen zitten. Iso- in isotoon komt van het Griekse: ἴσος, ísosgelijk, gelijk. Het tweede deel -toon van de naam komt niet uit het Grieks. Daartoe werd in isotoop de letter p door een n vervangen, omdat het om het aantal neutronen gaat. De nucliden in de reeks zwavel-36, chloor-37, argon-38, kalium-39 en calcium-40 zijn isotonen met elk 20 neutronen in hun kern.

Neutronengetallen waarvoor geen stabiele isotonen bestaan zijn 19, 21, 35, 39, 45, 61, 71, 84, 89, 97, mogelijk 109, 115, 123 en 127 of meer.