Israëlieten

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Israëlieten was de collectieve naam van de nakomelingen van Jakob. De term Israëlieten werd ook de naam voor de inwoners van het latere koninkrijk Israël.

De Bijbelse aartsvader Jacob[1] kreeg de naam 'Israël', hetgeen 'Strijder met God' betekent, bij zijn terugkomst uit Egypte in het land Kanaän[2] In het vervolg van de verhalen wordt hij afwisselend als Jakob of 'Israël' aangeduid.

De twaalf stammen van Israël[bewerken]

De grondgebieden van de stammen

Volgens de Hebreeuwse Bijbel kwamen uit de twaalf zonen van aartsvader Jakob twaalf stammen voort. Het beloofde land werd later zo opgedeeld dat iedere stam een eigen grondgebied kreeg. Daarop waren twee uitzonderingen: Levi kreeg geen land en de twee zoons van Jozef werden als aparte stammen gerekend, waarmee het aantal twaalf bleef. De zonen waren in volgorde van leeftijd: Ruben, Simeon, Levi, Juda, Dan, Naftali, Gad, Aser, Issachar, Zebulon, Jozef en Benjamin. De stammen:

  • Ruben (ראובן Reöeven of Rə?ûbhēn)
  • Simeon (שׁמעון Sjiem'on of Sim?ôn)
  • Levi (לוי Levy of Lēwî). De nakomelingen van Levi kregen geen land toegewezen maar werden bestemd voor de dienst in de Tabernakel.
  • Juda (יהודה Jehoeda of Yəhûdhāh) Later gingen de stammen van Benjamin en Simeon op in Juda (eigenlijke Joden).
  • Dan (דן Dan of Dān)
  • Naftali (נפתלי Naftali of Naphtālî)
  • Gad (גד Gad of Gādh)
  • Aser (אשׁר Asjer of Āsēr)
  • Issachar (ישׂשׁכר Jisachar of Yiśśâkhār)
  • Benjamin (בנימין Binjamin of Binyāmîn)
  • Zebulon (זבולן Zevoeloen of Zəbhûlun)
  • Jozef (יוסף Josèf of Yôsēph). Jozef werd niet als stam gerekend, maar twee stammen werden naar zijn twee zonen vernoemd:
    • Efraïm (אפרים Efrájiem of Ephráyim)
    • Manasse (מנשׁה Menasje of Mənasseh)

Het volk van Israël in de Bijbel[bewerken]

Volgens het boek Genesis kwamen Jakob en zijn zonen, door hongersnood in Kanaän gedwongen, op uitnodiging van zijn zoon Jozef die onderkoning (vizier) van de toenmalige Farao was geworden, naar Egypte en vestigden zij zich in het land Gosen. Gedurende enkele eeuwen groeiden zij uit tot een groot volk. De Egyptenaren, bang geworden dat zij overvleugeld zouden worden door de zich snel vermenigvuldigende Israëlieten, dwongen hen tot slavendienst en bevalen uiteindelijk dat pasgeboren jongetjes gedood moesten worden.

In deze periode trad Mozes op. Op Gods bevel leidde hij het volk uit Egypte. Dit wordt beschreven in het boek Exodus. Bij de berg Horeb in de woestijn van Sinaï beloofde het volk zichzelf alsook zijn nakomelingen aan de dienst van God te wijden en ontving Mozes van God de Tien geboden, en instructies voor de bouw van de Ark van het Verbond en een verplaatsbaar heiligdom: de tabernakel. Hiermee werd de offerdienst van de tabernakel ingesteld. Dit wordt beschreven in de Bijbelboeken Exodus, Deuteronomium, Leviticus en Numeri. Na 40 jaar trok het volk het land Kanaän binnen onder leiding van Jozua (boek Jozua).

De volgende paar eeuwen, waarin profeten en 'richters' een leidende rol hadden, worden beschreven in het boek Richteren. Na deze periode begon de tijd van een koninkrijk van Israël waarvan achtereenvolgens Saul, David en Salomo koning waren. Zie de boeken I en II Samuel, I en II Koningen en I en II Kronieken.

Gedurende deze periodes stond dit volk bekend onder de naam 'Israëlieten'.[3]

Koninkrijk Juda[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Koninkrijk Juda voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Na de dood van koning Salomo werd het Rijk opgedeeld. De stammen Juda, Simeon en Benjamin, samen met de Levieten die de tempeldienst verrichtten, werden bekend onder de naam Koninkrijk Juda, met als hoofdstad Jeruzalem. De inwoners ervan werden Judeeërs genoemd, en op grond van hun godsdienst 'joden'. Oorspronkelijk waren Judeeërs alleen de leden van de stam Juda maar later werd die naam voor de inwoners van het Koninkrijk Juda gebruikt, waarin ook leden van andere stammen woonden.

Koninkrijk Israël[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Koninkrijk Israël voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De overige 10 stammen vormden samen het noordelijke rijk, bekend onder de naam Koninkrijk Israël met de nieuwe hoofdstad Samaria, en bleven Israëlieten genoemd worden. Waarschijnlijk omdat zij de grootste groep in bevolkingsaantal bleven. In 722 v.Chr. werd het noordelijke rijk veroverd door de Assyriërs en de meeste inwoners werden weggevoerd naar het Assyrische rijk. Later werd de naam Israëliet een synoniem voor Judeeër (Jood)[bron?] en verdween het oorspronkelijke onderscheid.

Waar de tien stammen zijn gebleven[bewerken]

Het lot van de tien stammen is altijd een bron voor vele speculaties geweest. Waarschijnlijk vluchtten veel Israëlieten in 722 v.Chr. voor de Assyriërs naar Juda en assimileerden daar. Het lot van de 10 stammen kan dus als volgt samengevat worden: een groot deel werd inderdaad weggevoerd en ging op in de bevolking van het Assyrische Rijk en een deel vermengde zich met de bewoners van het Koninkrijk Juda[bron?].

De geschiedschrijver Flavius Josephus, die rond de tijd van Jezus Christus leefde, schreef over de tien stammen het volgende in zijn werk Oude geschiedenis van de Joden: "... terwijl de tien stammen voorbij de Eufraat verblijven tot nu toe, en ze zijn een ontzettend grote menigte, waarvan het aantal niet geschat kan worden".[4]

Een verenigend geloof[bewerken]

Het geloof in de god Jahwe, of Jehova, verbond de twaalf stammen van Israël met elkaar. Jahwe was eerst een lokale godheid uit het Sinaïgebied, die de Israëlieten tijdens hun tochten door de woestijn als god aannamen. Zoals gebruikelijk bij nomaden richtten ze een verplaatsbaar heiligdom voor hun god op, dat in een speciale tent werd bewaard. Deze houten schrijn werd later beroemd als de Ark van het Verbond. In hun eerste jaren in Palestina was de Kanaänitische invloed op de Israëlische religie groot: Jahwe werd geïdentificeerd met El, een inheemse hemelgod, of met de weergod Baäl. Ook bij de bouw van heiligdommen volgden de Israëlieten het voorbeeld van de Kanaänieten: ze bouwden de tabernakel van de Ark van het Verbond, die ze versierden met massebas – rituele, rechtop staande stenen die gerelateerd waren aan een oude vruchtbaarheidscultus. De tabernakel bevond zich waarschijnlijk in de stad Sichem, maar werd meerdere malen verplaatst, voordat hij een permanente plek kreeg in een speciaal gebouwde tempel bij Silo.[5]

Rond deze tijd waren de Israëlieten nog steeds onderverdeeld in stammen, waarvan de leiders werden ondersteund door een 'raad van oudsten'. In tijden van crisis richtten de mensen zich voor hulp tot hun tijdelijke leiders, die ook wel 'richter' (rechter) werden genoemd. Dezen gaven hun naam aan de periode van 1200 tot 1020 v.Chr. in de Israëlitische geschiedenis, de zogeheten "Tijd van de Richteren". Dit waren geen rechters in de moderne betekenis van het woord – in feite was het rechtswezen hierbij ondergeschikt.[6]

Deze 'richteren' waren eerder militaire en politieke leiders, die tijdens bijeenkomsten van de stamhoofden bij de tabernakel waarschijnlijk voor een bepaalde periode werden gekozen. Belangrijke 'richteren' waren Ehud, Gideon en Debora. De verkiezing van Debora toont aan dat vrouwen in die tijd hoge functies konden bekleden. Dit geeft mogelijk de invloed weer van priesteressen, die in de Kanaänitische maatschappij een belangrijke positie innamen.[7]

Tijdens Debora's ambtstermijn behaalden de Israëlieten een beslissende overwinning op de koning van Hazor bij de berg Tabor. Geleidelijk creëerden de Israëlieten zo een veilige machtsbasis voor zichzelf in Palestina.[8]

Hedendaagse veronderstellingen[bewerken]

De vroegste archeologische aanwijzing voor het bestaan van een naam 'Israël' is de Stele van Merneptah in Egypte (5e jaar ambtstermijn), waarop deze voor het eerst genoemd wordt buiten de Bijbel. Het staat er met determinant teken voor volk, niet dat voor natie/land. Men kan daaruit opmaken dat er in 1220 v.Chr. reeds Israëlieten in Kanaän(?)[bron?] aanwezig waren.[9]

Het Bijbelse verhaal van de oorsprong van de Israëlieten uit de 12 stammen die in Egypte verbleven wordt sinds de 19e eeuw betwijfeld door veel archeologen en historici[bron?], vooral omdat hiervoor in de archeologie van het Midden-Oosten tot op heden hier weinig aanwijzingen voor zijn gevonden.

Door sommige moderne archeologen wordt het waarschijnlijker geacht dat het Israëlitische volk is voortgekomen uit de Kanaänieten (of Feniciërs) die Kanaän oorspronkelijk bevolkten [bron?]. Door sommige archeologen en historici wordt ook verondersteld dat deze Hebreeërs of Israëlieten mogelijk werden verwisseld met 'Aziaten' die, met eenzelfde spirituele achtergrond, uit Egypte verjaagd waren[bron?]. Deze Aziaten bekleedden aan het begin van de 12e eeuw v. Chr. hoge posities aan het Egyptische hof, maar werden na conflicten, veroorzaakt door een hongersnood, verdreven door Sethnacht, de eerste farao van de twintigste Egyptische dynastie.

Verder wordt er verondersteld dat tot in de late 7e eeuw voor Christus de Israëlieten polytheïstisch waren. Ook wordt gespeculeerd dat er geen krachtige koninkrijken van Saul, David en Salomo hebben bestaan[bron?]. De aan Salomo toegeschreven bouwwerken waren volgens deze hypothesen van de polytheïstische koning Omri van het (noordelijke) Koninkrijk Israël en zijn nazaten. Juda zou in die periode een arme staat geweest zijn. Pas nadat na 722 v.Chr. Israël werd ingelijfd in het Assyrische rijk en het koninkrijk Juda een grote bevolkingstoename beleefde door vluchtelingen uit Israël bloeide, althans volgens deze veronderstelling, het Koninkrijk Juda op onder koning Manasse dankzij een lucratieve olijfoliehandel. Vanaf toen werd het monotheïsme gecultiveerd vanuit Jeruzalem, en kwam dit monotheïsme tot een culminatie onder koning Josia, die (vergeefs) het zwaard opnam tegen de grootmacht Egypte, toen die staat in 609 v.Chr. tegen Babylon optrok, waarna Juda in 586 v.Chr. werd ingelijfd in het Babylonische rijk.

Afstammelingen[bewerken]

Behalve Joden, die ervan uitgaan af te stammen van de vroegere Israëlieten zijn er ook andere groeperingen die verkondigen, of waarvan beweerd wordt, dat zij nakomelingen van de Israëlieten zijn:

  • De huidige Samaritanen, die volgens hun zeggen de laatste oorspronkelijke Israëlieten zijn.
  • De Joden uit het Indiase Kuchin, die in het huidige Israël wonen, claimen afkomstig te zijn van de tien verloren stammen. Er is een museum door en over deze groep Joden in de Israëlische mosjav Nevatim.
  • De joden uit Ethiopië. Zij zeggen afkomstig te zijn van de verloren stammen. Door hun buren werden ze vaak uitgemaakt voor "Falasha" (Amhaars voor indringers). De overgrote meerderheid van hen is inmiddels woonachtig in de staat Israël.
  • De sekte van Ben Ammi Carter, Het Originele Afrikaanse Hebreeuwse Israëlitische Volk van Jeruzalem, maakt ook een dergelijke claim.
  • De 'Brits Israël'-beweging claimt dat na de wegvoering van de 10 stammen van het koninkrijk Israël deze via Assyrië, Anatolië, de Kaukasus en Oekraïne ten slotte terechtkwamen in Europa en de oorsprong vormden van de Kelten en Germanen. Ook zou bij de val van Jeruzalem de laatste afstammeling van het koningshuis van David naar Ierland zijn gevlucht en het daar tot op de huidige dag hebben voortgezet onder de naam van verschillende koninklijke dynastieën van Ierland, Engeland en Schotland. Hiermee zou volgens hen de Bijbelse belofte zijn vervuld dat 'Israël (Jacob) zal talrijk worden als het zand van de zee' en 'de scepter (het koningschap) zal nooit wijken van Juda'. De beweging had haar grootste populariteit rond 1900 (zelfs grootheden als koningin Victoria zouden sympathie voor deze theorie gehad hebben) maar is nog altijd actief in de VS en het Verenigd Koninkrijk.