Jacob de Baerze

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Jacob de Baerze (Gent?, ? - ?- na 1399) was een Vlaamse beeldhouwer. Hij is bekend door zijn werk in Bourgondië, Frankrijk, waar hij Jacques de Baerze werd genoemd.

Jacob de Baerze woonde in Dendermonde, waar hij enkele uit hout gesneden altaarstukken vervaardigde voor graaf Lodewijk van Male. Deze later verloren gegane werken waren bestemd voor het kasteel van Dendermonde en de cisterciënzerkapel in Bijloke. Ze trokken de aandacht van Lodewijks schoonzoon Filips de Stoute, hertog van Bourgondië, die soortgelijke altaarstukken bij Baerze bestelde voor het door hem gestichte kartuizerklooster Champmol bij Dijon. Deze triptieken "Heiligen en Martelaren" en ""Kruisiging", respectievelijk bestemd voor het kapittelhuis en het hoofdaltaar van de kloosterkerk, zijn nu in het Museum voor Schone Kunsten in Dijon. In 1391 waren de gebeeldhouwde panelen gereed en werden ze naar Dijon vervoerd. Een jaar later gingen ze naar de werkplaats van Melchior Broederlam in Ieper voor het vergulden van de beelden en de beschildering van de achterzijden. Na goedkeuring door een commissie waarvan ook Claus Sluter deel uitmaakte werden ze uiteindelijk in 1399 geplaatst. Zowel door het houtsnijwerk als de schilderingen zijn de twee triptieken belangrijke voorbeelden van de internationale gotische stijl. Van de "Kruisiging" is het middendeel verdwenen en zijn alleen de zijvleugels overgebleven. Het is verwonderlijk dat er niet meer werk van de Baerze bewaard is gebleven; slechts twee kleinere werken zijn nog te zien in het Art Institute in Chicago en het Mimara Museum in Zagreb. Vernielingen na de Reformatie zijn daarvan waarschijnlijk de oorzaak. In Duitsland is veel meer werk in deze stijl nog aanwezig.

Afbeeldingen[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Susanna Bichler, "Les retables de Jacques de Baerze", in: Actes des journées internationales Claus Sluter, 1992, p. 23-36
  • Charles Minott, "The Meaning of the Baerze-Broederlam Altarpiece", in: A Tribute to Robert A. Koch. Studies in the Northern Renaissance, 1994, p. 131–141