Jacob van Lennep

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Jacob van Lennep
Van Lennep in 1838 (geschilderd door Jan Adam Kruseman)
Van Lennep in 1838
(geschilderd door Jan Adam Kruseman)
Geboren Amsterdam, 24 maart 1802
Overleden Oosterbeek, 25 augustus 1868
Partij conservatief
Religie Waals Hervormd, vrijmetselaar
Titulatuur Mr.
Functies
1853–1856 lid Tweede Kamer der Staten-Generaal
1853–1854 lid Provinciale Staten van Noord-Holland
Website
Portaal  Portaalicoon   Politiek
Gedicht Aan een Roosje, door Rombout Oomen geschilderd op een muur in de Jacob van Lennepstraat (Amsterdam)

Jacob van Lennep (Amsterdam, 24 maart 1802Oosterbeek, 25 augustus 1868[1]) was een Nederlands schrijver, taalkundige en politicus.

Levensloop[bewerken]

Jeugd en afkomst[bewerken]

Jacob van Lennep werd geboren in de vroege ochtend van 24 maart 1802 aan de Keizersgracht 369, in een huis dat nu niet meer bestaat,[2] als oudste kind van de classicus en dichter David Jacob van Lennep (1774-1853), lid van de familie Van Lennep, en Cornelia Christina van Orsoy (1778–1816). De huwelijksvoltrekking van de ouders was op 30 september 1800.[3] In 1807 werd een dochter, Anna Louisa, geboren.[4]

De Van Lenneps waren rijk geworden met de handel in waardevol textiel en vanaf de zestiende eeuw door huwelijken verbonden met de stadselite zoals de familes Trip en Six. Van Lenneps overgrootvader David kocht het Huis te Manpad in Heemstede en grootvader Cornelis van Lennep behoorde tot de rijkste en invloedrijkste inwoners van Amsterdam. Voorouders van Van Lennep staan op schilderijen van Frans Hals, Rembrandt en Govert Flinck.[5]

Toen Van Lennep drie was, verhuisde de familie naar het huis iets verderop, dat nu Keizersgracht 473 is.[6] Hij had van zijn moeder al op driejarige leeftijd leren lezen en schrijven.[7] Zijn eerste verblijf in het buitenland dateert uit 1806, toen zijn ziekelijke moeder op doktersadvies in baden in Schwalbach moest nemen.[8] Van Lenneps biograaf Marita Mathijsen vermoedt dat zij aan epilepsie leed.[9] Uit familiecorrespondentie komt hij naar voren als een charmant, vrolijk, leergierig kind met een goed geheugen.[10]

Schooljaren (1807-1819)[bewerken]

op zijn vijfde werd hij op een Franse jongensschool aan de Amsterdamse Keizersgracht geplaatst. De schooldagen duurden van negen tot zeven en het curriculum bestond uit vaderlandse en algemene geschiedenis, aardrijkskunde, de indeling van het dierenrijk en Frans. in de zomermaanden miste hij de lessen omdat zijn familie hem meenam naar Het Manpad, maar later liep hij de achterstand in en in de lente had hij een voorsprong op zijn medeleerlingen. Toen hij vijf was, nam David Jacob hem mee naar een opvoering van de Gijsbreght van Amstel van Joost van den Vondel in de de Stadsschouwburg dat een grote indruk op hem maakte.[11]

Zijn historische belangstelling werd van jongsaf gestimuleerd: zowel zijn vader als zijn grootvader zetten zich in voor de conservering van monumenten.[12] Van Lennep herinnerde zich later dat zijn vader op Het Manpad een stoet van vrienden ontving, patriottische staatslieden met wie hij over politiek en kunst debatteerde.[13] De muren van de eetzaal waren met arcadische behangschilderingen versierd die de verbeelding van de jongen gaande maakten. Een van de tafereel betrof de ontvoering van Proserpina door Pluto, die haar meevoert naar de onderwereld, dat volgens biograaf Mathijsen de oorsprong kan zijn voor het in Van Lenneps literaire werk terugkerende motief van het mooie meisje dat buiten haar eigen toedoen in een boosaardig milieu terechtkomt[14]

In september 1815 werd de dertienjarige Van Lennep ingeschreven aan de Amsterdamse Latijnse school. Hier duurde een schooldag van negen tot twaalf en van twee tot vier, en leerde hij Grieks en Latijn, wiskunde, aardrijkskunde, geschiedenis en klassieke fabels. Zijn literaire belezenheid moet hij buiten de lesuren hebben opgedaan, want er werd geen Nederlands, Frans, Duits of Engels gegeven. In deze jaren maakte hij zijn - veelal in manuscript bewaard gebleven - jeugdwerken, waaronder gedichten, pogingen tot toneel en een (onvoltooide) vertaling van Hamlet van Shakespeare. Een sterke historisch gerichte belangstelling blijkt uit dit werk.[15] In oktober 1816, Van Lennep is dan veertien, overlijdt zijn moeder.[16] Zijn vader hertrouwt op 28 april 1819 met de vijftien jaar jongere Anna Catherina van de Poll, die wel uit de hoogste kringen komt, maar niet uit een familie waar literatuur hoog wordt aangeslagen.[17] De huwelijksreis naar de Zuidelijke Nederlanden brengt Van Lennep in Antwerpen en Gent, waar het historische Begijnhof een diepe indruk op hem maakt.[18]

Studietijd[bewerken]

In juni 1819 werd hij ingeschreven aan het Athenaeum te Amsterdam, waar hij vanaf september colleges volgde: wiskunde, natuur-, volken- en staatsrecht, Europese geschiedenis, stijl, vaderlandse geschiedenis, gerechtelijke geneeskunde, Romeins en hedendaags burgerlijk recht.[19] Hij werd lid van twee disputen, waarvan er een literair gericht was en de ander op vriendschap. Veel tijd bracht hij door met biljarten. In deze jaren maakte hij gedichten, toneelstukken en vertalingen van onder meer Ovidius, Horatius en Petrarca. Veel manuscripten hiervan zijn bewaard gebleven, maar met publiceren begon hij pas in 1826.[20]

Hij studeerde rechten aan de Universiteit Leiden en verwekte aldaar op 20-jarige leeftijd bij een adellijke vriendin een kind, Geertrui Elisabeth Tulle, dat vervolgens door een min werd opgevoed. In 1823 maakte hij met zijn studiegenoot Dirk van Hogendorp een voetreis door de Noordelijke – protestantse – Nederlanden en bracht o.a. een bezoek aan de kunstschilder Willem Bartel van der Kooi .

In 1824 studeerde hij af en trouwde datzelfde jaar, tegen de zin van zijn vader, met jkvr. Henriëtte Röell, dochter van de Minister van Staat baron Willem Frederik Röell (1767–1835), waarna zij beiden zich in Amsterdam vestigden.

Zij kregen één dochter en vijf zonen samen: Sara Cornelia Wilhelmina van Lennep (1825–1899, Dame du Palais van koningin Emma), David Jacob Cornelis van Lennep (1827–1905), Jhr. Christiaan van Lennep (1828–1908), Maurits Jacob van Lennep (1830–1913), Willem Anne van Lennep (1831–1833) en Willem van Lennep (1834–1897). Door het huwelijk van zijn dochter Sara was hij de schoonvader van jkh. Cornelis Hartsen en de grootvader van jkvr. Henriëtte Sarah Hartsen. Uit een buitenechtelijke relatie met Swane Cornelia van Ockenburg (1830–1865) werden de kinderen Jacob Cornelis van Ockenburg (1857–1906) en Louise Cornelia van Ockenburg (1865–1869) geboren. Swane van Ockenburg stierf 48 dagen na de geboorte van hun dochter.

In 1829 werd Van Lennep benoemd tot rijksadvocaat. Een jaar later verhuisde hij naar de Keizersgracht, tegenwoordig nummer 560. Hij bleef hier zijn verdere leven wonen. In 1834/35 steunde hij de naar Engeland gevluchte dichter Gerrit van de Linde, beter bekend als De Schoolmeester. In 1840 was hij de initiator van een duinwaterleiding tussen Bloemendaal en Amsterdam. Daaruit zou de Amsterdamsche Duinwater-Maatschappij ontstaan. Van 1853 tot 1856 was hij lid van de Tweede Kamer.[21] Hij overleed op 25 augustus 1868 op 66-jarige leeftijd in Oosterbeek, waar hij op de Oude Begraafplaats begraven ligt. Het grafmonument van Jacob van Lennep geniet bescherming als rijksmonument.

De uitgever[bewerken]

Van Lenneps portret in De Schoolmeester

Van Lennep verzorgde de uitgave van de gedichten van De Schoolmeester (1858), een twaalfdelige editie van de werken van Joost van den Vondel (1850–1868), en Max Havelaar van Multatuli (1860). Terwijl Multatuli het boek had bedoeld als een aanklacht voor de massa, maakte Van Lennep er een dure editie van, waarin hij bovendien de politieke boodschap afzwakte door plaatsnamen en jaartallen door puntjes te vervangen; tot woede van de schrijver die echter een proces tegen deze verminking van zijn boek in 1861 verloor. Zij kenden elkaar vanuit de vrijmetselaarsloge Willem Frederik te Amsterdam. Van Lennep was een vooraanstaand vrijmetselaar en gedeputeerd grootmeester-nationaal Orde der Vrijmetselaars.

De schrijver[bewerken]

Aanvankelijk vertaalde hij het werk van Lord Byron en Walter Scott. Zelf debuteerde Van Lennep in 1826, met de gedichtenbundel Academische Idyllen, die hij opdroeg aan Willem Bilderdijk. Hij werd vervolgens beroemd met historische romans, die hij schreef in navolging van Walter Scott. Voorbeelden hiervan zijn De Roos van Dekama (1836), dat speelt ten tijde van de strijd tussen graaf Willem IV van Holland en de Friezen, en Elisabeth Musch (1850). Het bekendst werd zijn roman Ferdinand Huyck uit 1840. Zijn dagboek over de voetreis die hij als student in 1823 maakte samen met zijn studievriend Dirk van Hogendorp heeft hij bij zijn leven niet uitgegeven. Dit dagboek, aanvankelijk in brieven vastgelegd die hij onderweg naar huis schreef en later in schriften overgeschreven, bleef in de kast liggen. Zijn kleinzoon heeft het later gevonden en in 1942 is het (in bewerkte vorm) uitgegeven onder de titel "Nederland in den goeden ouden tijd". Dit baarde weinig opzien. In 2000/2001 hebben, op initiatief van Rene Mendel, producent van Interakt, de schrijver Geert Mak en Marita Mathijsen het dagboek hertaald en opnieuw het licht laten zien ten dienste van de befaamde radio- en televisieserie De Zomer van 1823,[22] waarin de voettocht nog eens overgedaan wordt door Mak en de cineast Theo Uittenbogaard.

Bibliografie (selectie)[bewerken]

Jacob van Lennep

Literatuur[bewerken]

Portret van Van Lennep door Johann Georg Schwartze (detail)
  • Marita Mathijsen: Jacob van Lennep. Een bezielde schavuit. Amsterdam, Balans, 2018. ISBN 9789460038501
  • Jan Noordegraaf, 'Jacob van Lennep en zijn Vermakelijke Spraakkunst '. In: Jan Noordegraaf, Voorlopig verleden. Taalkundige plaatsbepalingen, 1797-1960. Münster 1997, 90-109.
  • Floor Meijer: Wereldburgers. Vrijmetselaren & de stad Amsterdam 1848-1906. Amsterdam, uitgeverij Wereldbibliotheek, 2010. ISBN 9789028423213

Externe links[bewerken]

De roos van Dekama, gevelpaneel in Gouda

Bronnen[bewerken]

  • Mathijsen, Marita. (2018). Jacob van Lennep. Een bezielde schavuit. Tweede druk. Amsterdam: Uitgeverij Balans. ISBN 9789460038501