Jacob Lentz

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Jacobus Lambertus Lentz)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Unbalanced scales.svg De neutraliteit van dit artikel wordt betwist.
Zie de bijbehorende overlegpagina voor meer informatie.
Jacob Lentz
Plaats uw zelfgemaakte foto hier
Algemene informatie
Volledige naam Jacobus Lambertus Lentz
Geboren Den Haag, 23 juli 1894
Overleden 18 augustus 1963[1]
Land Vlag van Nederland Nederland
Beroep ambtenaar
Bekend van bevolkingsregister collaboratie

Jacobus Lambertus Lentz (Den Haag, 23 juli 189418 augustus 1963) was een Nederlandse ambtenaar die een belangrijke rol heeft gespeeld bij de ontwikkeling van het bevolkingsregister en het persoonsbewijs, voor de Duitse bezetter van essentieel belang voor de maatschappelijke beheersing van de Nederlandse bevolking.

Hij speelde ook een hoofdrol in de uitvoering van de aanmeldplicht voor Joden. Hiermee zorgde hij ervoor dat de Duitsers de identificatie en daaropvolgende segregatie, wegvoering en uiteindelijke vernietiging van het Joodse volksdeel konden realiseren.

Hij voerde dit alles uit onder verantwoordelijkheid van secretaris-generaal van het ministerie van Binnenlandse Zaken Karel Johannes Frederiks, maar de opdrachten kwamen uiteindelijk van de Duitse bezettingsmacht.

Levensloop[bewerken]

Lentz werd geboren in 1894 in Den Haag, waar hij zijn hele leven bleef wonen. In 1913 kreeg hij, op 17-jarige leeftijd, een aanstelling bij het Haagse bevolkingsregister. In 1926 was hij hoofdfunctionaris bij de afdeling algemene zaken en bevolkingsregister op het Haagse stadhuis. In 1932 werd aan het departement van Binnenlandse Zaken een Rijksinspectie van het Bevolkingsregisters toegevoegd. Van deze inspectie kreeg Lentz de leiding. Hij kreeg de taak om te bevorderen dat er meer eenheid zou komen in de bevolkingsregisters van de gemeenten. Die registers waren destijds verre van adequaat.

Lentz werkte intensief aan deze taak. "Regelmatig werkte hij halve nachten door. Hij verwaarloosde zijn gezin – een gezin dat zijn arbeid in de oorlogstijd met afschuw gadesloeg; zijn vrouw liet zich van hem scheiden." (Loe de Jong, Het Koninkrijk..., deel 5, pag. 432). Na de scheiding van zijn vrouw woonde Lentz alleen, een nichtje verzorgde hem tot zijn dood in 1963.

Zelf zag hij in zijn naoorlogse herinneringen met voldoening terug op zijn werk in de oorlog rond de registratie van bevolkingsgegevens, vooral van de Joden.[bron?]

Werkzaamheden voor de Tweede Wereldoorlog[bewerken]

De bevolkingsboekhouding was in de jaren vóór de Tweede Wereldoorlog eigenlijk nog niet goed en uniform geregeld. De gemeenten waren verantwoordelijk om het bevolkingsregister bij te houden, maar het stelsel was verre van compleet en zorgvuldig. De regering riep in 1928 een commissie in het leven om tot verbetering te komen. Na enkele verwikkelingen stelde Lentz een algemene regeling op: het Besluit Bevolkingsboekhouding 1936. Dit besluit legde aan de gemeenten de plicht op om met ingang van 1 juli 1936 voor elke inwoner een aparte kaart met gegevens aan te leggen. Tevens werd een Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters opgericht. Lentz werd hiervan het hoofd. Lentz ontving in die tijd een koninklijke onderscheiding voor zijn werk rond het bevolkingsregister. Door zijn activiteit was een geüniformeerd systeem van bevolkingsregistratie ontstaan. Lentz wilde echter nog een stap verder. Hij wilde ook een sluitend systeem waarbij de identiteit van de inwoners in het maatschappelijke verkeer onomstotelijk vaststond. In een dergelijk systeem moet ieder zich op elk moment kunnen legitimeren. Elke Nederlander zou een deugdelijk identificatiebewijs bij zich moeten dragen. Een departementale commissie, waar Lentz lid van was, beval dit sterk aan. De regering wees dit voorstel in maart 1940 echter als in strijd met de Nederlandse tradities van de hand. Een algemene identificatieplicht zou veronderstellen dat elke inwoner een potentiële misdadiger is. Lentz was over deze afwijzing diep teleurgesteld. Hij zou zijn kans enkele maanden later echter ruimschoots grijpen. De bezetter had wel belang bij een sluitende maatschappelijke identificatie. Vooral op twee onderdelen maakte Lentz zich verdienstelijk voor de bezetter. In de eerste plaats wist hij een persoonsbewijs te ontwerpen dat zijn weerga niet kende. In de tweede plaats wist hij aan de bezetter het materiaal aan te leveren over Joodse en niet-Joodse landgenoten. Daarnaast heeft Lentz belangrijk bijgedragen aan de introductie van de tweede distributiestamkaart. Op onder andere deze drie punten was Lentz voor de bezetter van onschatbare waarde.

Het persoonsbewijs[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Persoonsbewijs voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In april 1941 legde de Duitse bezetter alle Nederlanders van 14 jaar en ouder een identificatieplicht op. Door middel van een persoonsbewijs moest elke Nederlander zich in het maatschappelijke verkeer kunnen legitimeren tegenover de Duitse bezetter. Het persoonsbewijs heeft in Nederland een grote perfectie behaald. Het systeem, bevolkingsregister met annex een persoonsbewijs, was goeddeels waterdicht en het persoonsbewijs was bijna niet te vervalsen. Mede door dit persoonsbewijs zijn duizenden in de hand van de bezetter gevallen en vermoord. Ook voor de Joden was het persoonsbewijs een belangrijke schakel op weg naar de vernietiging.

Het persoonsbewijs in Nederland was van hoge kwaliteit. Het was technisch zelfs veel beter dan het vergelijkbare bewijs, de zogenoemde Kennkarte, dat Duitsers in Duitsland bij zich moesten dragen. De illegaliteit is nooit in staat geweest tot het maken van goede vervalsingen, wat het persoonsbewijs voor de Duitse bezetter tot een krachtig middel maakte bij haar repressieve politiek. Het Nederlandse persoonsbewijs is uitgedacht en ontworpen door de Nederlandse ambtenaar Jacobus Lambertus Lentz. Lentz, die geen lid was van de NSB, maar wel heel duidelijk pro-Duits, verschafte de Duitse bezetter een van de krachtigste middelen tot onderdrukking van mensen in de Nederlandse samenleving. De Duitse bezetter streefde van meet af aan naar inschakeling van de Nederlandse productiecapaciteit voor de Duitse oorlogvoering. Ook stond de vernietiging van de Joden hoog op de Duitse wensenlijst. In nazi-Duitsland moest iedere burger, ter beheersing van de samenleving en typerend voor totalitaire regimes, een identiteitsbewijs-met-foto bij zich hebben. Dit bewijs heette in Duitsland de zogenoemde "Kennkarte". Het was een belangrijk hulpmiddel voor de opsporingsautoriteiten, zoals de Gestapo, de SS en de SD. Invoering in Nederland van iets dergelijks werd door de bezetter zo snel mogelijk ter hand genomen. Het departement van Binnenlandse Zaken, waar Karel Johannes Frederiks secretaris-generaal was, werd verzocht zich in deze materie te verdiepen. Via Frederiks kwam de opdracht tot ontwikkeling van een persoonsbewijs bij Lentz terecht. Lentz is er in die tijd (zomer 1940) van overtuigd dat Duitsland de oorlog zal winnen. In het nieuwe Europa, onder leiding van Duitsland, zou Nederland, volgens Lentz, een ereplaats moeten innemen. Vol ijver ging hij aan het werk. Hij koos een speciale kartonsoort waardoor namaak al bijna onmogelijk was. Hij bracht nog allerlei andere kenmerken aan (watermerk, drukinkt, etc.) waardoor een document ontstond dat zeer goed beschermd was tegen namaak. In juli 1940 liet hij enkele proefdrukken maken. De Duitse autoriteiten (onder andere Dr. Bruno Wolff hoofd van de afdeling 'Gegnerbekämpfung') waren diep onder de indruk van het voorgelegde concept. Op 17 augustus 1940 vertrok Lentz naar Berlijn om daar zijn concept persoonsbewijs te laten zien. "De deskundigen van het "Kriminal-technische" Institut der Sicherheitspolizei stonden paf: het door de Nederlander Lentz ontworpen persoonsbewijs was aanzienlijk beter dan de Duitse "Kennkarte!"" (Loe de Jong, Het Koninkrijk..., deel 5, pag. 428). Medio oktober werden besluiten bekendgemaakt tot invoering van dit bewijs. In de loop van 1941 vond, met de nodige haken en ogen, de uitreiking plaats. Zeven miljoen Nederlanders moesten zich te allen tijde kunnen legitimeren tegenover de Duitse bezetter. Een belangrijke administratieve schakel in de onderdrukkingspolitiek was gereed. De illegaliteit, en later ook de regering in Londen, heeft nooit een adequate vervalsing kunnen maken. Op 31 december 1941 telt een vergenoegde Lentz dat er 7.177.504 persoonsbewijzen zijn uitgereikt. Bij elke controle konden de opsporingsautoriteiten vaststellen wat de identiteit van iemand was. En grondig onderzoek bracht vervalsing altijd aan het licht. De bezetter beschikte over: adres, foto, vingerafdruk en handtekening. Een SD-man oordeelde later dat de "service" van de Inspectie van de Rijksbevolking bij arrestanten altijd prima was. "Hoeveel duizenden mensenlevens dit systeem gekost heeft, valt niet nauwkeurig te schatten" (Loe de Jong, Het Koninkrijk..., deel 5, pag. 431). In het bijzonder voor de Joden was het persoonsbewijs, naar later bleek, een uiterst gevaarlijk document. In hun kaart stond tweemaal een grote zwarte letter "J". Ook daar had Lentz de nodige hulp bij verleend. In een brief van 8 januari 1941 aan Hanns Albin Rauter doet Lentz het voorstel om de persoonsbewijzen voor Joden te voorzien met een "J" opdat "der Juden dann kenntlich gemacht werden" (Jacques Presser, Ondergang, deel 1, pag. 67). "In vele gevallen was de J op het Persoonsbewijs het doodvonnis van de houder" (Presser, Ondergang, deel 1, pag. 68). De registratie van alle Joden was echter een bijzonder punt van aandacht. Ook daar zou Lentz zijn krachten voor geven.

Registratie van Joden[bewerken]

Brief van Lentz d.d. 8-12-1942 aan de heer J. Cohen, met de mededeling dat hij als jood staat geregistreerd.

De nazi's streefden van meet af aan uitroeiing van de Nederlandse Joden na. In de eerste maanden van de bezetting worden reeds de eerste maatregelen tot vernietiging van het Nederlandse Jodendom genomen. Op 1 juli 1940 wordt de eerste anti-Joodse maatregel van kracht. De Joden moeten de luchtbescherming verlaten. Op 2 juli 1940 worden Joden uitgesloten van tewerkstelling in Duitsland. Talloze andere maatregelen volgen daarna. Op 23 januari 1942 wordt besloten dat Joden een letter J in het persoonsbewijs krijgen. Op 3 mei 1942 worden Joden verplicht tot het dragen van de gele Jodenster. Achter al deze maatregelen zit een duidelijke Duitse strategie. Men tracht de vernietiging zorgvuldig, grondig en zonder noemenswaardige maatschappelijke onrust aan te pakken. Het proces van de Endlösung der Judenfrage (eindoplossing van het Jodenvraagstuk) verloopt in een aantal fasen:

  • de identificatie van de Joden (wie zijn Jood);
  • de isolatie van de Joden (het aanbrengen van zichtbare kenmerken; het samenbrengen in wijken, getto's);
  • de deportatie van de Joden (transport naar Westerbork en daarna Polen);
  • de vernietiging van de Joden in Auschwitz en andere kampen.

Tot januari 1941 richt de Duitse politiek zich vooral op het identificeren van de Joden. Wie zijn er eigenlijk Jood? Op 30 september 1940 wordt een circulaire verzonden aan de lagere overheden waarin nauwkeurig wordt bepaald wie van Joodschen bloede is. Globaal geldt daarvoor het volgende uitgangspunt: Nederlanders met drie of vier Joodse grootouders worden als volJoden aangemerkt; bij twee Joodse grootouders is er sprake van halfjoden; bij één Joodse grootouder is er sprake van kwartjoden.

Op 10 januari 1941 volgt dan de aanmeldingsplicht van alle personen van geheel of gedeeltelijk Joodschen bloede. Dit is verordening VO 6/1941. Joden moeten zich laten registreren. In Duitsland beschikken de nazi's over een zogenoemde Judenkartei; een centraal register van alle personen van Joodsen bloede. Een register ook waaruit in 1942 de lijsten voor deportatie naar Polen kunnen worden vastgesteld en gecontroleerd. De nazi's hebben getracht het Joodse vraagstuk grondig en nauwkeurig op te lossen. Lentz gaat zich beijveren om ook voor Nederland een dergelijke Judenkartei samen te stellen. De uitvoerige toelichting op de Verordening 6/1941 aan de lagere overheden is geschreven door Lentz. De Joden buiten Amsterdam moeten zich binnen 14 dagen laten registreren. De Joden in Amsterdam krijgen 10 weken de tijd om zich te laten registreren. Vervolgens zorgt Lentz ook weer voor een duidelijke administratieve herkenning van de Joden in de bevolkingregisters. Bij de transporten en de samenstelling van de transportlijsten zal de SS hiervan goed gebruikmaken. Ten slotte zorgt Lentz ook voor de controle van de binnengekomen aanmeldingen. Na binnenkomst van de aanmeldingen stelt hij een lange lijst samen van Joodse achternamen om te controleren of er in het gewone bevolkingsregister mogelijk nog mensen zijn die zich niet hebben aangemeld en echter wel van Joodschen bloede zijn. Dr. Friedrich Wimmer (lid van het Duitse bestuur in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog) toont zich daarbij onaangenaam verrast als ook zijn naam op die controlelijst van Lentz voorkomt. Uiteindelijk resulteert de registratie op 5 september 1941 (Presser, Ondergang, deel 1, pag. 64) in de volgende aantallen:

Aantal Joden per 5 september 1941
Voljoden Halfjoden Kwartjoden Totaal
Aantallen 140.552 14.549 5719 160.552

Bijna een jaar later, op 14 juli 1942, beginnen de eerste grote razzia's in Amsterdam-Zuid en Amsterdam-Centrum. De bezetter stelde de lijsten voor deportatie samen aan de hand van de adequate gegevens uit het centrale bevolkingsregister. Uiteindelijk werden er 107.000 Joden gedeporteerd, waarvan er 101.800 vermoord werden of bezweken aan dwangarbeid.

Publicaties[bewerken]

Lentz heeft een aantal publicaties op zijn naam staan. Het betreft boeken op zijn vakgebied: de bevolkingsboekhouding. In de oorlog schreef hij een dik boek (ruim 400 pagina's) over het persoonsbewijs. Zijn publicaties zijn:

  • De Bevolkingsboekhouding, 1936, (twee publicaties van resp. 299 en 58 pagina's)
  • Supplement op de bevolkingsboekhouding, 1938, 128 pagina's
  • Persoonsbewijzen: Handleiding voor de uitvoering van het besluit persoonsbewijzen, 1941, 402 pagina's

Deze publicaties zijn aanwezig bij de Koninklijke Bibliotheek.[2]

Beoordeling[bewerken]

De Rijksinspectie was zijn leven, het bevolkingsregister zijn lust. Daar speelde Lentz, zonder verder na te denken, als een kind met zijn speelgoed, aldus een typering van Loe de Jong. In de bezettingstijd bleek hoe gevaarlijk dergelijke mensen kunnen zijn. Lentz was een uiterst ijverige en consciëntieuze ambtenaar. Hij realiseerde zich echter niet dat een kwaadwillige bezetter zijn arbeid heeft gebruikt voor kwade doeleinden. Lentz stond in de oorlog op goede voet met Hanns Albin Rauter en kon of wilde daarentegen niet doorzien dat een sluitende bevolkingsregistratie een dodelijk instrument was in de hand van de Duitsers. Het kwaad kan ontstaan door onnadenkendheid.

Lentz vormt een illustratie van de door Hannah Arendt ontwikkelde theorie van de banaliteit van het kwaad. Het kwaad heeft iets banaals (iets gewoons en toch plat; onbegrijpelijk eigenlijk). De banaliteit van het kwaad betekent ook dat het kwaad zijn kans krijgt omdat mensen weigeren na te denken over de gevolgen van hun daden. Een man als Lentz had door lichte tegenwerking, zonder noemenswaardig gevaar voor hemzelf, duizenden het leven kunnen redden. Hij deed het niet en leverde daarmee een forse bijdrage aan de gruwelen van het naziregime, zonder dat hij ooit zelf daadwerkelijk iemand heeft vermoord.

Lentz' gedrag is een voorbeeld van wat gewone mensen kunnen doen als ze niet goed blijven nadenken in bijzondere omstandigheden. Ook vele ambtenaren van de burgerlijke stand hebben tijdens de bezetting soortgelijk gedrag vertoond. Lentz was een voorbeeldige en gewillige schakel in de moord op duizenden Nederlanders door de Duitse bezetter. Na de bevrijding kreeg hij drie jaar gevangenisstraf wegens collaboratie, maar nog steeds doorzag hij de gevolgen van zijn handelen niet.

Het optreden van Lentz staat in schril contrast met bijvoorbeeld René Carmille, het hoofd van een vergelijkbare Franse organisatie die Joden voor de Duitse bezetters moest registreren en die de identificatie van Joden tegenwerkte (hij gaf niet aan op kaarten of iemand Jood was) en die ook veel kaarten (circa 100.000) van Joden uit de kaartenbakken liet verdwijnen zodat hun identiteit bij de bezetter niet bekend werd. René Carmille is door de SS gevangengenomen en in het concentratiekamp Dachau omgekomen. Mede echter door zijn tegenwerking heeft de bezetter in Frankrijk maar 25% van de Joden kunnen vermoorden.

Loe de Jong heeft in zijn grote werk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog de persoon en het werk van Lentz getypeerd. "Het lijkt ons zinvol om hieraan toe te voegen dat Lentz, het hoofd van de rijksinspectie van de bevolkingsregisters, die met het in 1940 door hem ontworpen, nauwelijks goed na te maken persoonsbewijs ons inziens de bezetter en speciaal de SD een grotere dienst heeft bewezen dan welke Nederlander ook ... drie jaar gevangenis straf kreeg" (Het Koninkrijk..., deel 12, pag. 562).


1rightarrow blue.svg Zie ook: De Holocaust in Nederland, Nederland in de Tweede Wereldoorlog

Literatuur[bewerken]

Museale Tentoonstellingen[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]