Jan Anne Beijerinckgemaal

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Het door Jan Anne Beijerink drooggelegde gebied

Het Jan Anne Beijerinckgemaal is een gemaal in de Zuid-Hollandse gemeente Capelle aan den IJssel. Het gemaal, gelegen aan de Bermweg in Capelle aan den IJssel heeft een belangrijke rol gespeeld in de vorming van het landschap van de Rotterdamse Prins Alexanderpolder.

Laagveen[bewerken]

De omgeving van het gemaal was een typisch laagveenlandschap waar al in de middeleeuwen op kleinschalige wijze turf werd gestoken. De turf die na 1530 vooral door middel van slagturven op veel grotere schaal gewonnen werd, diende vooral als brandstof voor industrieën zoals bierbrouwerijen. Doordat men het veen met behulp van de baggerbeugel ver onder het grondwaterpeil wegbaggerde ontstonden er diepe plassen.

In eerste instantie werd het veen tot het grondwater afgegraven en te drogen gelegd op de legakkers. Toen men later de hierdoor ontstane trekgaten nog diepere ging uitbaggeren ontstonden spoedig steeds grotere veenplassen. Er bleef weinig ruimte over voor wegen, dorpen en kades. Naarmate de plassen groter en dieper werden, ontstond er zelfs met weinig wind golfslag. Door deze golfslag werden veel kades en smalle legakkers weggeslagen. Dit betekende een bedreiging voor veel dorpen en wegen.

Plassen[bewerken]

De plassen werden aangeduid als de veenplassen in het Hoogheemraadschap van Schieland ten Oosten van Rotterdam. Deze in de 17e en 18e eeuw door het turfdelven ontstane wateren vormden, door het steeds groter geworden oppervlakte een bedreiging voor de stad Gouda. De dijkgraaf van Schieland waarschuwde in 1823 dat als men geen actie zou ondernemen, hij vreesde dat er tussen Rotterdam en Gouda één groot meer zou ontstaan. Hierna begon men plannen te ontwikkelen om deze veenplassen droog te malen.

Plannen[bewerken]

Verschillende plannen kwamen aan de orde. Het eerste plan werd aangeleverd in 1844 door J.A. Scholten Hzn. Dit plan werd niet goedgekeurd. De hoofdingenieur van Waterstaat in Zuid-Holland, M.G. Beijerinck, adviseerde te wachten totdat de Haarlemmermeer droog lag. Dat leverde namelijk ervaringen op, die men op deze polders in Rotterdam kon toepassen. Het tweede plan, uit 1850, kwam ook van J.A. Scholten. Dit plan kreeg veel tegenstand. Er werden te weinig plassen drooggelegd en er zou alleen maar gebruik worden gemaakt van windbemaling. Voor het derde plan, uit 1858 van N.T. Michaëlis, zou er enkel gebruikgemaakt worden van stoombemaling. Voor deze bemaling zouden er veel kostbare onteigeningen nodig zijn. De minister had Michaëlis de opdracht gegeven zich te houden aan de instructies van de Hoofdingenieur van Zuid-Holland, Jan Anne Beijerinck. Beijerinck liet echter aan de minister weten dat hij niet achter dit kostbare en arbeidsintensieve plan stond.

Daarom kreeg Beijerinck de opdracht begin 1859 voor het vierde plan. Beijerinck was betrokken bij de droogmaling van de Zuidplas en het Haarlemmermeer. Zijn eigenlijke plan –dat in november klaar was– moest op enkele punten wijzigen, maar dit was enkel op financieel gebied.

Eind 1862 besloten het Rijk en de Provincie samen de kosten voor het project te dragen. Het Rijk, de Provincie en Schieland stelden wel een onderzoek in naar de uitwerking van het plan.

Plan Beijerinck[bewerken]

In het definitieve, uitgevoerde plan van Jan Anne Beijerinck werd gesteld dat de Noordplas (nu Kralingse Plas) niet drooggemalen zou worden, de Spiegelnisse juist wel. Men koos om financiële en economische redenen ervoor dat de Noordplas niet drooggemalen werd. Hier stonden belangrijke fabrieken en het had veel kosten met zich meegebracht als al deze particuliere grond onteigend had moeten worden. Daarbij was Beijerinck zeer opgetogen over de schoonheid van de plasrand, dat hij deze niet wilde laten verdwijnen. Aan de oostkant werd langs de Zuidplasringvaart een ringdijk aangelegd, langs de zuidkant van de plassen, om de Noordplas naar de Linker Rottekade. Vanaf de Rottekade ging de ringdijk verder langs de Linker Rottekade naar de polder van de Ommoorden en eromheen.

Er moest een bevaarbare ringvaart langs de zuidkant komen met eveneens een kade aan de zuidkant, vanaf de Zuidplaspolder tot aan de Noordplas.

Vanaf de Noordplas naar de Linker Rottekade en via de Rottekade tot aan de ringdijk om Ommoorden wordt een ringsloot aangelegd. Ook moest er een ringsloot komen langs de ringdijk langs de Zuidplasringvaart.

Beijerinck wilde de in de polder aanwezige bebouwing samen met kaden, wegen enzovoorts verwijderen. Maar dit stuitte op tegenstand en men vroeg hem hier met meer zorg naar te kijken. Zo werd ook in 1863 besloten de Begraafplaats Oud Kralingen intact te laten. Beijerinck koos in zijn plan voor drie beneden (vijzel)stoomgemalen in de ringdijk langs de ringvaart. Deze werden echter niet alle drie als vijzelstoomgemaal geplaatst. Tijdens de uitvoering van het plan koos men voor twee centrifugaalpompen (tegen de zin van Bijerinck in) en slechts één vijzel.

In het plan werden er geen bovengemalen geplaatst aan de oostelijke kant, op aandringen van de desbetreffende polderbesturen. Maar men plaatste een dubbel bovengemaal in Kralingse Veer. Hier werd geen vijzelgemaal geplaatst, maar twee stoommachines met beide twee zuigpompen en twee perspompen.

Uiteindelijk werd het in 1859 ontworpen plan in 1865 ten uitvoer gebracht.

Gemaal[bewerken]

De benedengemalen, die Beijerinck in zijn plan koos, waren door hemzelf ontworpen. Hij heeft alles, ook bouwkundig, in deze gemalen zelf ontworpen. Hij werkte veel met kantelen. Dit is ook terug te zien aan het Gemaal De Cruquius in de Haarlemmermeerpolder. Alle drie de benedengemalen kwamen in oktober 1869 in bedrijf.

Het Jan Anne Beijerinckgemaal was het laatste aanbestede gemaal. Men werd het er maar niet over eens of het een gemaal zou worden met vijzels of centrifugaalpompen. Dit had te maken met de verschillen in opvoercapaciteit en kolengebruik. Uiteindelijk was men het er over eens dat dit een gemaal zou worden met vijzels, terwijl de andere twee benedengemalen uitgerust zouden worden met centrifugaalpompen.

Dit vijzelgemaal –wat Beijerincks wens was– gaf veel problemen. De vijzels waren niet stijf genoeg, de spil liet telkens los, de bladen kwamen los te zitten. Deze ijzeren vijzels zijn uiteindelijk vervangen voor houten vijzels.

De techniek en de keuze voor een vijzel zelf was niet verkeerd, maar men was nog niet ver genoeg met de ontwikkeling van de lastechnieken. Pas na een aantal jaar waren de technieken zover dat dergelijke constructies zonder problemen konden worden uitgevoerd.

De fundering van het gemaal verkeerde volgens de hoofdopzichter Brandsma in 1899 in zeer slechte staat. Dit betekende dat het hele gemaal verbouwd moest worden. Tijdens deze verbouwing verving men ook het vijzelstoomgemaal voor een centrifugaalgemaal aangedreven door stoommachines. Doordat deze wijziging van machines ook een grote wijziging van de beschikbare ruimte in en buiten het gemaal betekende, koos men ervoor het gemaal geheel af te breken en in dezelfde stijl, maar volgens gewijzigd plan, helemaal weer op te bouwen.

Om de nieuwe stoommachines aan te drijven had men drie stoomketels nodig. Maar doordat dit gemaal centrifugaal was, kon er één gemaal in Kralingen gesloten worden.

In 1927 vond voor de laatste keer een grote verbouwing plaats. Het stoomgemaal werd een elektrisch gemaal. Het gemaal in Nieuwerkerk aan den IJssel, het P.D. Kleijgemaal, werd in dezelfde tijd toegerust met dieselmotoren. Zo had met voor het droogmalen van de Polder Prins Alexander twee verschillende krachtbronnen: elektriciteit en diesel.

Een klein stukje van de polder (het zogeheten Lage Land) mochten de boeren eerst nog zelf droogmalen. In 1925 besloot men dat, via het Jan Anne Beijerinckgemaal, een klein gemaaltje in de polder dit overnam.

Heden[bewerken]

Sinds 1991 wordt het Jan Anne Beijerinckgemaal niet meer gebruikt. Het P.D. Kleijgemaal bij Nieuwerkerk aan den IJssel heeft zijn functies overgenomen. Het Kleijgemaal heeft een grotere capaciteit. Het Jan Anne Beijerinckgemaal heeft nu nog een noodfunctie, daar is echter nog geen gebruik van gemaakt. Men blijft de motoren af en toe gebruiken, als test en om de tochten aan de zuidkant van de polder door te spoelen.

De Prins Alexanderpolder stond lang bekend als het laagste punt van Nederland. Sinds 2005 wordt echter een plek in de Zuidplaspolder bij Nieuwerkerk aan den IJssel door middel van een officiële markering als laagste punt aangewezen. Dat hier land is en geen water is te danken aan de capaciteiten van Jan Anne Beijerinck.