Java-oorlog

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De onderwerping van Diepo Negoro aan luitenant-generaal baron De Kock. Schilderij van Nicolaas Pieneman, ca. 1830–1835.

De Java-oorlog (1825–1830) was een conflict in Midden-Java tussen de koloniale regering van Nederlands-Indië en inheemse opstandelingen uit de vorstenlanden Jogjakarta en Soerakarta onder leiding van de lokale prins Dipo Negoro.

Oorzaken[bewerken]

Onder het gouverneurschap-generaal van Herman Willem Daendels (1808–1811) en Thomas Stamford Raffles (1811–1816) waren steeds meer gebieden onttrokken aan de vorsten van Jogjakarta en Soerakarta. Hierdoor waren er voor de hofgroten minder landerijen beschikbaar als apanage en besloten de vorsten ter compensatie van het inkomstenverlies grond te verhuren aan Europese en Chinese ondernemers ter bebouwing, terwijl daar mensen op woonden. De bevolking werd hierdoor zwaar belast, afgeperst door Chinese tolpachters en onderworpen aan dwangarbeid. Gouverneur-generaal Godert van der Capellen (1816–1826) verbood daarop 6 mei 1823 de landverhuur om de boeren te beschermen, maar schadeloosstelling voor de inheemse aristocraten bleef uit, die daarop in verzet kwamen tegen het koloniale bewind.[1]

Ondertussen was er een troonstrijd gaande in Jogjakarta, waar Dipo Negoro meende recht te hebben op de troon, maar omdat hij een bastaard was, werd hij er door zijn familieleden meerdere keren van weerhouden. Misnoegd over de situatie en zijn haat tegen de Europese christelijke blanke kolonisten waar zijn familie mee 'heulde', trok hij zich terug op zijn landgoed Tegalredjo om zich in de islam te verdiepen en genoot spoedig een grote faam als heilige en wonderdoener.[2] Hij pretendeerde de verlosser van Java te zijn die de indringers zou verdrijven en verwierf daarmee een sterke aanhang, die zich wapende tot een leger. Uiteindelijk riep Dipo Negoro in 1825 een jihad (heilige oorlog) uit tegen de christelijke Nederlanders en de "ongelovige" of "afvallige" (murtad) Javanen die met hen samenwerkten.[3] Verschillende Javaanse aristocraten die nog steeds compensatie van de Nederlanders eisten, sloten zich bij hem aan. De Paku Alam (Jogja) bleef afzijdig en de soesoehoenan van Soerakarta steunde de Nederlandse regering.[1]

Verloop[bewerken]

Dipo Negoro wist aanvankelijk het grootste deel van Midden-Java te bezetten, maar het beleg van Jogjakarta werd gebroken door KNIL-generaal Hendrik Merkus de Kock. Pas in 1827 waren de Nederlanders aan de winnende hand en werden de rebellen gedwongen om een bergguerrilla te voeren, terwijl de bevolking veel te lijden had van honger en epidemieën. De strijd kon pas worden beëindigd toen Dipo Negoro 28 maart 1830 werd gevangengenomen en verbannen.[1]