Jean-Baptiste Dumonceau

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jean-Baptiste Dumonceau
Dumonceau met de keten van de Orde van de Unie en het grootlint van de Huisorde van de Trouw van Baden. In zijn hand houdt hij zijn maarschalksstaf.
Dumonceau met de keten van de Orde van de Unie en het grootlint van de Huisorde van de Trouw van Baden. In zijn hand houdt hij zijn maarschalksstaf.
Volledige naam Jean Baptiste graaf Dumonceau
Geboren Brussel, 7 november 1760
Overleden Brussel, 29 december 1821
Partij regeringsgezind (onder Willem I)
Titulatuur graaf;
luitenant-generaal buiten dienst (vanaf 1817)
Functies
juli-aug 1806;
1807 - 1808
lid in buitengewone dienst bij de sectie oorlog, staatsraad
sept-nov 1806 commandant gehele verenigde (Hollandse) troepenmacht
1808 - 1809 lid in buitengewone dienst bij de sectie marine en oorlog, Staatsraad
1820 - 1821 lid Tweede Kamer der Staten-Generaal
Website
Portaal  Portaalicoon   Politiek

Jean-Baptiste graaf Dumonceau (Brussel, 7 november 1760 – Brussel, 29 december 1821) was een generaal in dienst van de Bataafse Republiek, het Bataafs Gemenebest, het Koninkrijk Holland en het Franse Keizerrijk van Napoleon Bonaparte. Dumonceau was maarschalk van Holland en werd in 1810 verheven tot graaf. Hij was de stamvader van het adellijke geslacht Dumonceau.

Dumonceaus bijnaam was le général sans tache (de smetteloze generaal). Zijn naam is gegraveerd in de Arc de Triomphe in Parijs. In Brussel is de Dumonceaustraat naar hem vernoemd.

Loopbaan[bewerken]

Dumonceau studeerde in Rome als architect en meester-steenhouwer. Toen de Brabantse Revolutie uitbrak werd hij kapitein van de Canaries, een vrijwilligerseenheid uit de omgeving van Namen. Nadat de opstand faalde vluchtte Dumonceau naar Frankrijk, waar hij bevelhebber werd van een bataljon van Belgische revolutionairen, het Legion des Belges et Liègois réunis. Dumonceau nam deel aan de Slag bij Jemappes en kreeg eind 1793 promotie tot brigadegeneraal. Hij ontwierp de plannen voor de Franse bezetting van Noord-Nederland in 1795 door Pichegru, waarbij de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden ten val gebracht werd en vervangen werd door een Franse vazalstaat, de Bataafse Republiek.

Dumonceau ging in mei 1795 in dienst van de nieuwe Bataafse Republiek en werd gepromoveerd tot luitenant-generaal. Hij kreeg het bevel over de Bataafse troepen in Groningen, Friesland en Drenthe en vestigde zich in de stad Groningen, waar hij in 1802 een huis, het zogenaamde Schimmelpenninckhuis, kocht in de Oosterstraat. Hij kocht in 1796 ook het landgoed Lemferdinge, nabij Paterswolde, als buitenplaats. Met behulp van Bataafse soldaten liet hij het huis en de omringende tuinen verbouwen en verfraaien. In 1811 werd het landgoed wegens geldgebrek in percelen verkocht.

Tijdens de Brits-Russische inval in Noord-Holland in 1799 raakte hij gewond in de Slag bij Bergen. In 1805 had Dumonceau het bevel over het Bataafse korps in Duitsland tijdens de Derde Coalitieoorlog.

Nadat Napoleon in 1806 het Bataafs Gemenebest (dat de Bataafse Republiek in 1801 was opgevolgd) verving door het Koninkrijk Holland en zijn broer Lodewijk op de Hollandse troon plaatste, werd Dumonceau benoemd tot conseil d'Etat (adviseur) van koning Lodewijk. Hij diende als ambassadeur van het koninkrijk in Parijs en had korte tijd het bevel over de Nederlandse verdediging tijdens de Britse inval in Zeeland in 1809.

Dumonceau werd in 1809 genaturaliseerd tot Hollands staatsburger en op 15 april 1810 door koning Lodewijk verheven tot graaf van Bergenduin. De koning benoemde hem ook tot maarschalk; deze benoeming werd echter niet goedgekeurd door Napoleon. In 1810 maakte Napoleon een einde aan het Koninkrijk Holland, en Nederland werd geannexeerd door Frankrijk. Dumonceau werd divisiegeneraal van het Franse keizerrijk en kreeg ook een nieuwe adellijke titel: hij werd op 2 mei 1811 door Napoleon verheven tot Comte de l'Empire als graaf van Bergendal (ook wel geschreven als Bergendael).

Hij nam deel aan de Franse veldtocht in Duitsland in 1813 en speelde een belangrijke rol in het redden van de Fransen na de nederlaag in de Slag bij Kulm. Hij raakte gewond in de Slag bij Dresden. Op 11 november 1813 capituleerde bij Dresden het corps van maarschalk de Gouvion-Saint Cyr, waarin Dumonceau diende. Hij werd krijgsgevangengenomen en verbleef in Bohemen tot Napoleons nederlaag en aftreden in 1814.

Dumonceau speelde geen rol van belang tijdens de Honderd Dagen. Na de Slag bij Waterloo werd hij adjudant van koning Willem I van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. In 1820 werd hij verheven in de Nederlandse adel met de titel van graaf, overdraagbaar bij eerstgeboorte. Van 15 maart 1820 tot aan zijn vroegtijdige dood was hij lid van de Tweede Kamer voor de provincie Zuid-Brabant, en nam er de regeringsgezinde stellingen in.

Hij werd in 1806 Grootkruis van de Orde van de Unie van koning Lodewijk Napoleon van Holland. In 1812 kreeg hij het Grootkruis van de Franse Orde van de Reünie. Ook werd hij in 1814 benoemd tot Grootofficier in het Legioen van Eer.

Huwelijken en nageslacht[bewerken]

Dumonceau was twee keer getrouwd. Hij huwde op 5 mei 1782 in Brussel met Anne Marie Apolline Colinet (1758-1795). Na haar overlijden huwde hij op 15 maart 1796 in Groningen met Agnes Wilhelmina Cremers(1777-1850). Uit het eerste huwelijk werden twee kinderen geboren, en uit het tweede huwelijk kwamen elf kinderen.

Mannelijke telgen uit zijn nageslacht zouden nog anderhalve eeuw als adjudant van de Nederlandse vorsten dienen. Zijn zoon Jean François Dumonceau (1790-1884) uit het eerste huwelijk erfde zijn adellijke titel en diende eveneens als generaal en adjudant van koning Willem III. Jean François' zoon Charles Henri Felix Dumonceau (1827-1918) was adjudant van Willem III en Wilhelmina. Diens zoon Charles Joseph Henri Felix Dumonceau (1859-1952) was adjudant van Wilhelmina.

Belgische adel[bewerken]

Een ander deel van zijn nageslacht behoort tot de Belgische adel. In 1845 werd Jacques-Jean du Monceau (1799-1875), zoon uit het tweede huwelijk van Jean-Baptiste, opgenomen in de Belgische adel, met de titel graaf, overdraagbaar bij eerstgeboorte en in 1875 overdraagbaar op al zijn afstammelingen (uitgedoofde tak).

In 1871 werd Charles du Monceau (1800-1881), eveneens een zoon uit het tweede huwelijk van Jean-Baptiste, opgenomen in de Belgische adel, met de titel van graaf, overdraagbaar op alle mannelijke afstammelingen.

In 1871 werd nog een andere zoon van Jean-Baptiste in de Belgische adel opgenomen: Louis Dumonceau (1808-1886), met de titel van graaf overdraagbaar op al zijn afstammelingen. Van hem stamt senator Yves-Jean du Monceau de Bergendal (1922-2013) af.

Ook een kleinzoon van Jean-Baptiste, zoon van jonkheer Henri Dumonceau (1815-1869), met name Ferdinand Dumonceau (1848-1912), werd in 1871 in de Belgische adel opgenomen met de titel graaf, overdraagbaar op alle afstammelingen.

Literatuur[bewerken]

  • Jean TULARD, Napoleon et la noblesse d'empire, Taillandier, Parijs, 1979
  • Oscar COOMANS DE BRACHÈNE, État présent de la noblesse belge, Annuaire 1994, Brussel, 1994.