Jezus (historisch)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Zie het artikel Dit artikel behandelt het historisch-kritische onderzoek naar de persoon Jezus van Nazareth en de resultaten daarvan. Voor de theologische opvattingen over Jezus, zie Jezus (traditioneel-christelijk).
Deel van een serie van artikelen over
Jezus
Christianity

Visies op Jezus, zie:

Jezus van Nazaret (Aramees ישוע Jesjoea of Jesjoe`, Grieks Ἰησοῦς; Nazaret (?), ca. 5 v.Chr. - Jeruzalem, ca. 30 n.Chr.) was een Joodse profeet. Vanaf ongeveer 28 n.Chr. trad hij op in Galilea en Judea. Op bevel van de Romeinse prefect Pontius Pilatus werd hij in 30 (of 33) n.Chr. door Romeinse soldaten gekruisigd.

Zoektocht naar de historische Jezus[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Historisch-kritische exegese voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De historisch-kritische benadering van Jezus tracht via een wetenschappelijke methode de geschiedenis van Jezus van Nazareth te reconstrueren. Deze methode bestaat voornamelijk uit kritische analyse van de bronnen en van de culturele en historische matrix van Jezus om zo te beargumenteren wat de relatie is tussen de overgeleverde herinneringen en wat er in het leven van Jezus gebeurd is.

Bronnen[bewerken]

Uit de jaren waarin Jezus leefde, zijn geen bronnen bekend die melding van hem maken. De vroegste geschriften over Jezus, zijn daden, zijn prediking, lijden en dood zijn te vinden in het Nieuwe Testament. Geen enkel deel hiervan werd door Jezus zelf geschreven. Hij heeft zijn boodschap enkel mondeling doorgegeven. Binnen deze historisch-kritische analyse wordt qua belang geen onderscheid gemaakt tussen het canonieke Nieuwe Testament en niet-canonieke geschriften. Iedere bron wordt op eigen merites op dezelfde manier kritisch geanalyseerd via verschillende methoden, zoals bronnenkritiek, tekstkritiek, redactiekritiek (analyse van de theologische ideeën die de schrijvers wilden overbrengen) en vormkritiek (reconstructie van mondelinge overlevering).

Bijbelse bronnen[bewerken]

De vier canonieke evangeliën (Matteüs, Marcus, Lucas, Johannes) bevatten de meeste biografische informatie over Jezus. Uit bronnenkritiek blijkt dat Marcus het oudste evangelie is (ca. 70 na Chr.). De schrijvers van Matteüs en Lucas hebben van dit evangelie gebruikgemaakt. Daarnaast hebben zij nog ander gemeenschappelijk materiaal, met name uitspraken van Jezus. Dit waren hoogstwaarschijnlijk perikopen of een verzameling daarvan die bekendstaat als de hypothetische bron Q. Ten slotte hebben Matteüs en Lucas eigen materiaal (Sondergut) dat waarschijnlijk ook gebaseerd is op oudere overleveringen (zie verder het synoptische vraagstuk). Men dateert Johannes, dat meer het karakter van een theologisch geschrift heeft dan de andere drie, tegenwoordig rond 90-110. Er bestaat verschil van mening over de vraag of Johannes literair afhankelijk is van de andere drie evangeliën en in hoeverre het vierde evangelie onafhankelijke tradities heeft bewaard. Zeker is dat het gegevens bevat die geen duidelijke theologische functie hebben en niet in de synoptische evangeliën zijn te vinden.

In de rest van het Nieuwe Testament kan maar weinig biografische informatie over Jezus worden gevonden. De zeven onbetwiste brieven van Paulus zijn ouder dan de evangeliën (ca. 50-62 n.Chr.), maar citeren zelden heel oude tradities, zoals de woorden van Jezus bij de maaltijd in de nacht waarin hij werd overgeleverd (1 Korintiërs 11). In Hebreeën, Handelingen, Jakobus en Openbaring komen tradities naar boven die een eigen karakter hebben.

Kortom: Paulus en Marcus zijn twee vroege bronnen die met zekerheid niet literair afhankelijk zijn van elkaar. Daarbij mag als derde bron met vrij grote zekerheid Q gerekend worden. Johannes en de eigen stof van Matteüs en Lucas wijzen op onafhankelijke overleveringen, net als (in veel mindere mate) Hebreeën, Handelingen, Jakobus en Openbaring. Deze bronnenkritiek is van belang omdat het zo mogelijk wordt vroege gegevens te achterhalen. Omdat bijvoorbeeld zowel Paulus, Marcus als Q aan Jezus een verbod op echtscheiding toeschrijven, moet dit een heel oude herinnering zijn.

Buiten-Bijbelse bronnen[bewerken]

Het werk Oude geschiedenis van de Joden (ca. 93/94 n.Chr.) van de Joodse historicus Flavius Josephus bevat twee verwijzingen naar Jezus. De eerste verwijzing is het controversiële[1] Testimonium Flavianum[2], de andere verwijzing noemt ene Jezus als broer van Jakobus.[3]

1rightarrow blue.svg Zie Flavius Josephus over Jezus voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Apocriefen van het Nieuwe Testament[bewerken]

De 68 bekende apocriefe evangeliën zijn van weinig waarde voor de historische Jezus. De meeste van deze teksten zijn verloren gegaan, maar uit de overgebleven fragmenten wordt duidelijk dat zij met veel zin voor mythologie, magie en fantasie de onbekende aspecten van Jezus' leven invullen (vooral uit zijn kinderjaren). De bewaard gebleven teksten dateren alle van na de canonieke evangeliën. Sommige ervan hebben grote invloed gehad op de volkse overleveringen. Zo stammen bijvoorbeeld de geboortegrot van Betlehem (waarboven de huidige Geboortekerk gebouwd werd) en de namen van Maria’s ouders, Joachim en Anna, uit het 2e-eeuwse apocriefe Proto-Evangelie van Jacobus. De os en de ezel in de stal komen uit het 5e-eeuwse Evangelie van pseudo-Matteus (door de schrijver zelf De geboorte van Maria en kindertijd van de Verlosser genoemd).

Mogelijke uitzonderingen zijn een fragment van het evangelie van Petrus, met wellicht enkele minieme historische herinneringen aan Jezus, en het bekendste van alle apocriefe evangeliën: het Koptische evangelie van Thomas. Dit laatste werd in 1945 bij het Egyptische dorp Nag-Hammadi ontdekt en is de vertaling van een 2e-eeuws Grieks origineel. Sommige onderzoekers veronderstellen dat het evangelie van Thomas uitspraken van Jezus bevat die teruggaan op oudere tradities dan de canonieke evangeliën. Het evangelie van Thomas bevat geen enkel verhaal over Jezus; biografische bijzonderheden kan men er dus niet in vinden.

Overige Joodse bronnen[bewerken]

In de rabbijnse bronnen (voornamelijk in de Babylonische Talmoed) komen enkele referenties naar Jezus voor, maar niet elke verwijzing is even duidelijk. Volgens Peter Schafer stammen de oudste daarvan uit het einde van de derde of het begin van de vierde eeuw na Chr. en kunnen ze verklaard worden als reacties op de canonieke evangeliën, met name het evangelie van Johannes.[4] Deze gegevens zijn daarom niet of nauwelijks van betekenis voor de historische Jezus.

Romeinse bronnen[bewerken]
Spotprent van de Gekruisigde met een ezelskop; de tekst zegt Alexamenos aanbidt zijn god. Vermoedelijk rond A.D. 200. Gevonden: Domus Gelotiana Rome; nu in Musei Palatini.[5]

Plinius de Jongere schreef in 112 na Chr. in het kader van de Christenbestraffing rond 112 na Chr. een brief aan keizer Trajanus waarin hij de christenen beschrijft en Christus noemt. Tacitus beschreef in zijn Annales, geschreven rond 116, hoe Nero de schuld voor de brand van Rome in de schoenen van de christenen schoof en dat "de man aan wie deze naam ontleend is, Christus, ... onder de regering van Tiberius door de landvoogd Pontius Pilatus ter dood [was] gebracht".[6] Suetonius schreef in zijn Leven van Claudius dat (rond 50 n.Chr.) "de Joden voortdurend opschudding veroorzaakten op instigatie van Chrestus" en Claudius hen daarom uit Rome verbande.[7] Het is omstreden of deze Chrestus geïdentificeerd moet worden met Christus. Lucianus van Samosata leefde nog later in de tweede eeuw. Hij gaf in De dood van Peregrinus een sarcastische beschrijving van christenen en noemde hun "wetgever" "de man die in Palestina gekruisigd werd."[8]

Koran[bewerken]

De Koran verschaft weinig informatie over Jezus, hoewel hij daarin voorkomt als profeet (Isa). De Koran komt te laat om als bron voor de historische Jezus te kunnen gelden.

Methodologie[bewerken]

Historische bronnen hebben altijd een bepaalde standplaatsgebondenheid. Dit geldt ook voor de vroegste bronnen over Jezus, die hem vanuit een geloofsstandpunt belichten. Bij mensen zoals Jezus houden historici bovendien rekening met een bepaalde mate aan legendevorming. Het onderzoek naar de historische Jezus brengt de overgeleverde herinneringen in kaart en legt beargumenteerde verbanden met de periode van het leven van Jezus. Hierbij is men vooral op zoek naar het oudste materiaal in de bronnen, dat met behulp van verschillende criteria benaderd kan worden. Vanuit de vormkritiek zijn de zogeheten 'criteria van authenticiteit' ontwikkeld, waarvan de methodologische waarde echter ter discussie staat. Gezaghebbende geleerden zijn sceptisch over de mogelijkheid om losse spreuken en verhalen voor authentiek te verklaren: zij menen dat het slechts haalbaar is de grote lijn die door verschillende herinneringen loopt, te herleiden tot de historische impact van Jezus.[9] Niettemin functioneren in de kritische analyse van de bronnen de volgende criteria om historische ontwikkelingen bloot te leggen:

  • Dubbele discontinuïteit en/of originaliteit: Materiaal dat niet in het contemporaine jodendom en ook niet in het vroegste christendom past, kan van Jezus afkomstig zijn.
  • Meervoudig onafhankelijk getuigenis: Als gelijkluidend materiaal in meerdere onafhankelijke bronnen en/of in meerdere genres (zoals spreuken, verhalen, gelijkenissen) voorkomt, verhoogt dat de waarschijnlijkheid van authenticiteit.
  • Verlegenheid: Waar sprake is van damage control, zijn er gegevens waar de vroegste christenen niet omheen konden.
  • Coherentie of Contextuele plausibiliteit: Materiaal dat past in het reeds gewonnen beeld van de historische Jezus, zou ook authentiek kunnen zijn.

Minder bekende criteria die weleens gebruikt worden zijn: sporen van Aramees in de bronnen, couleur locale, levendige verhaaltrant, tendenzen van de evoluerende synoptische traditie, en dat de reconstructie van Jezus een plausibele verklaring moet geven voor de kruisdood.[10]

Kort verloop van het beeld van de historische Jezus[bewerken]

Sinds de Verlichting hebben mensen gepoogd Jezus op een rationeel-naturalistische wijze te benaderen. Baruch Spinoza bijvoorbeeld schetste in zijn Tractatus theologico-politicus Jezus als morele leraar en verwierp diens wonderen als verzinsels voor het gewone volk. Het onderzoek naar de historische Jezus bereikte een eerste hoogtepunt in de negentiende eeuw. Klassiek is Das Leben Jesu, kritisch bearbeitet (1835-1836), waarin David Strauss betoogde dat de rabbi Jezus van Nazareth was opgetuigd met behulp van mythen. Het negentiende-eeuwse onderzoek werd grondig bekritiseerd door Albert Schweitzer in zijn Geschichte der Leben-Jesu-Forschung (1906/1913), waarin hij de meeste reconstructies ontmaskerde als projecties van de betreffende onderzoeker. Zelf zag hij de historische Jezus als een apocalyptische prediker.

In de negentiende eeuw, met uitlopers in de twintigste eeuw, verdedigde de Hollandse radicale school dat Jezus nooit bestaan heeft en dat de brieven van Paulus veel later gedateerd moesten worden. Een vertegenwoordiger van deze school was Gustaaf Adolf van den Bergh van Eysinga.

De eerste helft van de twintigste eeuw wordt gekenmerkt door het onderscheid tussen de historische Jezus en de verkondigde (kerygmatische) Christus (Martin Kähler, Rudolf Bultmann). Bultmann betoogde dat de historische Jezus onbelangrijk was voor het geloof, alleen dat hij bestaan had deed ertoe. Ernst Käsemann zette in 1954 het onderzoek naar de historische Jezus tegenover zijn leermeester Bultmann in Duitsland weer op de kaart.

Sinds de laatste decennia van de twintigste eeuw lijkt het Angelsaksische onderzoek de prominente plaats van het Duitse onderzoek te hebben overgenomen met onder meer de invloedrijke studie Jesus and Judaism (1985) van E.P. Sanders. Mede door de nieuwe informatie over het jodendom in de tijd van Jezus (de Dode Zee-rollen) en nieuwe vroegchristelijke teksten (de Nag Hammadigeschriften) ontstonden er verschillende reconstructies van de historische Jezus. Afhankelijk van de keuzes die de historicus hierbij maakt, is Jezus gereconstrueerd als rabbi, wijsheidsleraar, anti-Romeinse rebel, radicale godsdienstvernieuwer, messiaspretendent, Esseen, apocalyptische profeet, enzovoort. Dit geeft duidelijk aan hoe moeilijk het is om een objectief beeld van Jezus te krijgen. Toch meent een groot deel van de geleerden dat Jezus een apocalyptische profeet was, die de nabijheid van het koninkrijk van God verkondigde.[11]

De persoon Jezus[bewerken]

Historiciteit[bewerken]

Over het bestaan van de historische mens Jezus bestaat onder vrijwel alle deskundigen geen serieuze twijfel meer.[12][13][14][15][16][17][18][19][20][21][22] Daar zijn verschillende redenen voor. Ten eerste zijn Paulus, Marcus en (de weliswaar hypothetische) bron Q van elkaar onafhankelijke getuigenissen over de historische mens Jezus binnen circa veertig jaar na zijn dood. Ten tweede presenteren de bronnen die binnen een eeuw na Jezus' dood zijn geschreven,[23] hem als een figuur uit het recente verleden die past in de context van zijn tijd.[24]

Drie sleutelgegevens zijn lastig te verklaren zonder een historische Jezus aan te nemen:

  1. Allereerst kende Paulus Petrus, de voornaamste leerling van Jezus, en Jezus' broer Jakobus.[25]
  2. Vervolgens is het onwaarschijnlijk dat de vroegste christenen de vernederende kruisdood zouden hebben verzonnen voor hun messias.[26]
  3. Tenslotte is er een duidelijke Steigerungstendenz waar te nemen in de evangeliën: regelmatig maakt een jonger evangelie een gebeurtenis spectaculairder of theologisch 'correcter'.[27] Dit past veel beter bij de mythologisering van een historisch persoon dan bij de historisering van een mythisch personage.

Dat er een historische persoon ten grondslag ligt aan de verschillende bronnen over Jezus, is de meest eenvoudige verklaring (zie Ockhams scheermes en het principe van excess empirical content).[28] Alternatieve theorieën die moeten verklaren hoe Jezus verzonnen zou zijn, hebben de toets der kritiek (nog) niet doorstaan, omdat zij doorgaans een beroep moeten doen op vergezochte veronderstellingen.[29] Er zijn ook geen aanwijzingen dat vroege tegenstanders van het christendom bestreden dat Jezus geleefd had.[30][31]

Er bestaan wel grote verschillen van mening onder wetenschappers over de details van het leven van Jezus zoals verteld in de evangeliën en over de betekenis van zijn leer.[32] Wetenschappers verschillen ook van mening over de historiciteit van specifieke episoden in het Bijbelse verslag over Jezus en historici beschouwen de bovennatuurlijke eigenschappen van Jezus en verhalen over zijn wonderen en opstanding als geloofskwesties in plaats van historische feiten.[33]

Namen en titels[bewerken]

De naam Jezus is via het Grieks afgeleid van het Hebreeuwse Jehosjoea (Jozua) of het Hebreeuws-Aramese Jesjoea. Jezus was een van de meest voorkomende Joodse namen in Palestina rond het begin van de jaartelling. De betekenis is 'JHWH is redding'. Volgens de Joodse conventies van toentertijd was hij wellicht oorspronkelijk bekend als Jesjoea ben Josef (Jezus de zoon van Jozef). In de evangeliën staat soms ook zijn plaats van herkomst bij de naam Jezus: Jezus van Nazareth of Jezus de Nazarener.

De titel Christus is de gelatiniseerde weergave van het Griekse woord Χριστός (Christos), dat de Griekse vertaling van het Hebreeuwse masjie'ach (gezalfde) is. In het Nederlands wordt ook vaak de Griekse verbastering messias gebruikt. Het woord gezalfde wordt in de joodse traditie gebruikt voor koningen, priesters en profeten. In sommige joodse kringen ontstond in de tweede of eerste eeuw voor Christus de verwachting dat uiteindelijk een afstammeling van David, gezalfd door God, de troon zou bestijgen en Israël in oude glorie zou herstellen.[34] Of Jezus zelf claimde deze messias te zijn, is onzeker. Wel is waarschijnlijk dat sommige volgelingen al bij zijn leven dachten dat hij de messias was.[35] Zeker is dat later de volgelingen die geloofden in Jezus' opstanding, (veelal) ook geloofden dat Jezus de messias was. De titel messias werd al snel tot een tweede naam voor Jezus en hij staat daarom onder christenen bekend als Jezus Christus of Christus Jezus.

Volgens veel moderne exegeten is er geen aanleiding aan te nemen dat Jezus ooit heeft beweerd Zoon van God te zijn.[10] De titel Zoon van God hoeft overigens niet noodzakelijk een goddelijke status aan te duiden. In de joodse traditie kon Israël zelf, de koning of een bijzondere rechtvaardige zoon van God heten.[36] Wel is waarschijnlijk dat Jezus God zijn Vader noemde en een bijzondere verhouding met God meende te hebben.

Leven[bewerken]

Algemeen aanvaard levenskader[bewerken]

E.P. Sanders heeft een lijst[37][10] opgesteld van in het historisch-kritisch onderzoek nagenoeg algemeen aanvaarde gegevens over het levenskader van Jezus:

  • Jezus is geboren ca 4 v.Chr., rond de tijd dat Herodes de Grote stierf.
  • Hij bracht zijn kinder- en jeugdjaren door in Nazaret in Galilea.
  • Hij werd gedoopt door Johannes de Doper.
  • Hij verzamelde leerlingen om zich heen.
  • Hij onderwees in kleine steden en dorpen en op het platteland.
  • Hij verkondigde 'het koninkrijk van God.'
  • Rond het jaar 30 ging hij naar Jeruzalem voor Pesach.
  • Hij verwekte opschudding in de tempel.
  • Hij hield een laatste maaltijd met zijn leerlingen.
  • Hij werd gevangengenomen en ondervraagd door Joodse gezagdragers in Jeruzalem.
  • Hij werd terechtgesteld op bevel van de Romeinse landvoogd Pontius Pilatus.

Geboorte en jeugd[bewerken]

Geboortejaar[bewerken]

Over de eerste dertig jaar van Jezus' leven valt nauwelijks iets te zeggen. Ook de bepaling van zijn geboortejaar blijft speculatief. Traditioneel werd aangenomen dat Jezus geboren was in het jaar 1, gebaseerd op de berekeningen van Dionysius Exiguus rond 525. Maar als de bewering in Matteüs 2 en Lucas 1:5 klopt dat Herodes de Grote nog leefde toen Jezus werd geboren, moet de laatste uiterlijk 4 v.Chr. geboren zijn. Anderzijds verbindt Lucas de geboorte aan de census van Quirinius (6/7 na Chr.). Veel historici hebben geconcludeerd dat het jaar 6 à 7 voor het begin van onze jaartelling het meest waarschijnlijke jaar van Jezus' geboorte is. Maar de enige zekerheid is dat Jezus is geboren tijdens het bewind van keizer Augustus.[38] De precieze geboortedatum van Jezus is niet bekend, de datum 25 december steunt niet op Bijbelse of historische bronnen.

Geboorteplaats[bewerken]

Volgens Lucas woonden de ouders van Jezus, Jozef en Maria, aanvankelijk in Nazaret en gingen zij kort vóór de geboorte van Jezus naar Bethlehem vanwege een volkstelling, waarbij de tocht naar Bethlehem wordt verklaard met de zinsnede "aangezien hij van David afstamde".[39] Dit wordt door historici om verschillende redenen als problematisch gezien. De aanname dat Jozef 90 kilometer naar Bethlehem moest afreizen omdat zijn voorvader 42 generaties vóór hem uit Bethlehem kwam, en daarbij zijn zwangere verloofde Maria meenam, strookt niet met enig historisch materiaal. Het complete Romeinse Rijk zou ontworteld worden door een dergelijk decreet. Er zijn ook geen aanwijzingen dat duizenden andere nakomelingen van David zich allemaal moesten en konden inschrijven in Bethlehem - een dorpje in Judea waarvan archeologisch bewijs van bewoning rond de tijd van Jezus ontbreekt.[40] Het is ook moeilijk voorstelbaar hoe zij zich moesten identificeren als nakomeling van iemand die 1.000 jaar eerder leefde, nota bene precies 42 generaties geleden. Ook zou Augustus herinneringen aan een koningshuis dat al meer dan 500 jaar van haar macht was beroofd, niet willen doen herleven, omdat de sociale spanningen die zouden ontstaan door de hoop op het herleven een Davidisch koningshuis, precies waren wat de Romeinen probeerden te vermijden. Er is conflict tussen het gegeven dat Herodes de macht had in Judea en dat de Romeinen de eerste volkstelling zouden uitvoeren, die volgens Josephus pas in 6/7 n.Chr. heeft plaatsgevonden. Vanuit historisch-kritisch perspectief is de voorstelling van de geboorte van Jezus in Bethlehem daarom vrijwel zeker ontstaan om de voorspelling dat het koningshuis van David hernieuwd zou worden met een persoon uit Bethlehem-Efrata in de bergen van Judea[41] uit te laten komen. De meest waarschijnlijke geboorteplaats van Jezus is daarom Nazaret.[42]

Afkomst[bewerken]

De genealogieën van Jezus in Matteüs en Lucas komen onderling niet overeen, maar wijzen beide naar de lijn van Jezus naar David. Aangezien de genealogieën echter behoorlijk afwijken, kan dit als een theologische constructie beschouwd worden.

Moedertaal en geletterdheid[bewerken]

De talen van Romeins Palestina zijn een complex fenomeen, omdat dit gebied blootgesteld is geweest aan verschillende internationale talen.[43] Aramees werd door Joden het meest gebruikt en daarom is de gangbare veronderstelling dat Jezus Aramees sprak. Dit wordt bevestigd door Aramese citaten van Jezus in de Griekse manuscripten (bijvoorbeeld Talita koem: 'Meisje ik zeg je, sta op!'; Marcus 5:41).[44] Het kan niet helemaal uitgesloten worden dat Jezus ook een Hebreeuws dialect sprak, noch dat hij enige basiskennis van Grieks had. Grieks was de lingua franca van het oostelijke Middellandse Zeegebied en in de westelijke grote steden van het Romeinse Rijk. Latijn sprak men alleen in Afrika en ten westen van Rome, maar het Romeinse bestuur in het oosten hanteerde doorgaans het Grieks als bestuurstaal.[45]

Niets wijst er op dat Jezus een hoge opleiding gehad heeft. De meeste mensen uit zijn tijd konden niet lezen of schrijven. Als argument dat Jezus uit de Hebreeuwse Bijbel kon lezen, brengt men naar voren dat in elk geval in de rabbijnse tijd volwassen Joodse mannen werden geacht die te kunnen lezen, en dat in de evangelieverhalen door Jezus verwezen wordt naar het lezen van de Schriften.[46] Als Jezus niet kon lezen of schrijven betekent dat in zijn historische context niet dat hij de Hebreeuwse Bijbel niet kende.[47]

Openbare optreden[bewerken]

Johannes de Doper[bewerken]

Johannes de Doper was een populaire profeet uit die tijd. Volgens het Lucas-evangelie was hij een neef van Jezus, maar de andere evangelisten vermelden dit niet. Johannes de Doper doopte talrijke mensen in de Jordaan als teken van boete of inkeer met het oog op vergeving van zonden. Josephus verwerpt de opvatting dat de doop zelf te maken had met vergeving van zonden. Hij stelt dat de doop van Johannes te maken had met de rituele reiniging van het lichaam, nadat de ziel al gereinigd was door rechtvaardigheid.[48]

Vanaf Jezus' doop door Johannes de Doper, omstreeks het jaar 26, bieden de gezamenlijke evangeliën een consistenter beeld over Jezus' leven. Het is het moment waarop Jezus in de openbaarheid trad.

Prediking[bewerken]

Nadat Johannes de Doper gevangen was genomen, ging Jezus zijn boodschap prediken in de streek Galilea. Het centrum van Jezus' prediking lijkt te hebben gelegen in een klein plaatsje in Galilea: Kafarnaüm. Hier was hij "thuis"[49] en riep hij de belangrijkste discipelen, twee broederparen, namelijk Petrus en Andreas en Jakobus en Johannes. Petrus had een huis in Kafarnaüm, waar Jezus zijn schoonmoeder genas. In de synagoge genas hij een kreupele.[50] En in Kafarnaüm had hij de maaltijd met tollenaar Levi.[51] Als Jezus ergens anders had gepredikt, keerde hij weer terug naar Kafarnaüm. Jezus' prediking vond voor het overgrote deel plaats op het platteland, in kleine dorpjes als Kana, Nazaret, Betsaïda en Naïn. Vrijwel nooit zien we hem in de heidense steden die de Herodianen hadden gebouwd, zoals Sepphoris; Caesarea, Tiberias.

Jezus predikte in synagogen, bij mensen thuis en in de open lucht. De evangeliën spreken ook van discussies tussen Jezus en diverse schriftgeleerden. Men gaat ervan uit dat de totale tijd van Jezus' prediking ongeveer drie jaar in beslag heeft genomen.

De Bijbel spreekt van de omgang van Jezus met destijds in het algemeen geminachte mensen, zoals prostituees en tollenaars. Een centrale rol in de prediking van Jezus was het nabije Koninkrijk van God, een profetische traditie die al in de dagen van Jezus enkele eeuwen oud was (vgl. Amos). In zijn prediking betrok Jezus de joodse verwachting van Gods Koninkrijk op zichzelf. Uitgestotenen en armen waren blijkbaar een belangrijke of zelfs belangrijkste groep die door Jezus werd aangesproken.

Jezus stond in zijn prediking niet alleen. Een groep van mensen reisde met hem mee op zijn voettochten door het land. Hierbij hadden volgens de Bijbel twaalf discipelen een speciale plaats. De meesten van hen waren vissers uit Galilea. Zij ontvingen onderricht van Jezus.

Een religieuze Jood[bewerken]

Jezus was een religieuze, in Galilea opgegroeide Jood.[52][53][54] Hij werd door zijn volgelingen rabbi, leraar, genoemd en gedroeg zich als leraar. Veel van zijn uitspraken doen vermoeden dat hij het grotendeels eens was met de milde Hillel, alleen op het punt van echtscheiding is hij net zo streng als Sjammai. Volgens de evangeliën had Jezus er geen problemen mee, om doden, melaatsen, vrouwen met een vloeiing aan te raken, waarmee hij zich ritueel verontreinigde. Uit de evangeliën komt naar voren dat hij innerlijke reinheid belangrijker vond.

Parabels[bewerken]

Jezus verkondigde zijn leer vaak in de vorm van een parabel of gelijkenis. Het verhaal sluit aan op concrete omstandigheden, maar Jezus gaf er vanuit zijn gezichtspunt en boodschap een andere wending aan en leerde de mensen daarmee de Joodse wetten goed na te leven. Zoals het verhaal van de barmhartige Samaritaan. Veel parabels van Jezus worden echter uitgelegd alsof ze een allegorie zijn.[55]

Eschatologie[bewerken]

Jezus en de discipelen gingen ervan uit dat een ingrijpen door God aanstaande was en dit zou leiden tot Gods koninkrijk op aarde. Uit de Dode Zee-rollen blijkt dat ook anderen een dergelijke verwachting hadden. Velen lijken de spanning tussen het komende koninkrijk van de hemel, dat nu al vorm krijgt, en dat anderzijds toch nog afwacht, niet begrepen te hebben.[56][57]

Wonderdoener[bewerken]

Aan weinig andere historische personen worden zoveel wonderen toegeschreven als aan Jezus. Hij genas onder meer zieken en gehandicapten,[58] wierp duivelen uit,[59] wekte doden op[60] en had macht over de natuur.[61] Wonderdoeners werden ook in de Hebreeuwse Bijbel beschreven (o.a. Mozes en Elia) en ook rond de tijd van Jezus in Palestina,[62] zoals Honi de Cirkeltekenaar[63] (midden van de eerste eeuw v.Chr.) en Hanina ben Dosa (leefde kort na Jezus). Ook waren er personen die wonderen beloofden en volgelingen kregen, zoals Theudas (leefde kort na Jezus).[64]

De tendens in de overlevering van de (apocriefe) evangeliën is dat hoe jonger de bron is, des te spectaculairder de wonderen van Jezus zijn. In de vroegste lagen van de traditie komt Jezus vaak voor als genezer en exorcist. Deze reputatie reflecteert waarschijnlijk het historische gegeven dat Jezus inderdaad als genezer en exorcist optrad.[65]

Jezus' laatste week[bewerken]

De beschrijving van Jezus' laatste week in de evangeliën wordt vaak in vijf hoofdscènes ingedeeld:

  1. Aankomst in Jeruzalem op een ezel; een menigte verwelkomt hem als "zoon van David" en "koning".[66]
  2. Jezus bezoekt de tempel en gooit de tafels van de geldwisselaars en de stoelen van de duivenverkopers omver.[67]
  3. Jezus heeft een laatste avondmaal met zijn discipelen.[68]
  4. Soldaten van de hogepriester arresteren Jezus en brengen hem voor de hogepriester en zijn raad. Volgens Marcus (maar niet Matteüs en Lucas) erkent Jezus dat hij de Christus (Messias) is en "Zoon van God" en wordt hij vanwege godslastering veroordeeld.[69]
  5. Jezus wordt naar Pilatus gestuurd, die hem ondervraagt en opdracht geeft hem te kruisigen omdat hij beweerde "koning van de Joden" te zijn.[70]

Aankomst in Jeruzalem[bewerken]

Jezus' aankomst in Jeruzalem op een ezel wordt beschouwd als symbolisch, in de zin van een bewuste keuze om aan te sluiten op profetische uitspraken in de Hebreeuwse Bijbel. In dit geval als vervulling van Zacharia 9:9, waar wordt gesproken over de aankomst van een koning: "Nederig komt hij aanrijden op een ezel". Het is onmogelijk vast te stellen of Jezus de profetie kende en er bewust voor koos Jeruzalem binnen te rijden op een ezel of dat de christelijke traditie hem als zodanig afbeeldde. Als er inderdaad een grote menigte hem onthaalde als koning,[71] is het moeilijk te verklaren dat Jezus nog een week in leven bleef. Pesach was het belangrijkste moment voor onruststokers om het volk op te hitsen en zowel de hogepriester als de Romeinse prefect waren uiterst bedacht op gevaar - de prefect kwam naar Jeruzalem, inclusief zijn troepen. Als de gebeurtenis werkelijk heeft plaatsgevonden, was het hoogstwaarschijnlijk een symbolisch gebaar voor ingewijden, voor hen die 'ogen hadden om te zien'.[72]

Bezoek aan de tempel[bewerken]

Als Jezus in de tempel de tafels van de geldwisselaars en de stoelen van de duivenverkopers omver gooit, zegt hij: "Staat er niet geschreven: 'Mijn huis moet voor alle volken een huis voor gebed zijn'? Maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt!" Dit is een combinatie van Jesaja 56:7 en Jeremia 7:11, maar buiten als symbolische handeling biedt deze een probleem qua interpretatie c.q. historische duiding. De geldwisselaars waren nodig om de Joden die uit alle delen van de Joodse diaspora kwamen, de benodigde offers en andere rituele objecten te kunnen laten kopen. Er zijn geen bronnen die suggereren dat het geld dat in de tempel werd gewisseld onjuist werd aangewend of dat er woekertarieven werden gehanteerd. Hetzelfde geldt voor de duivenverkopers, die gelovige Joden van ver een dienst bewezen - en Joden die in Palestina woonden, want duiven die als offer werden aangeboden, moesten vrij van ieder gebrek zijn, wat door een reis buitengewoon lastig zou zijn. In de rest van de evangeliën is Jezus gematigd positief over de tempel en de priesterlijke voorrechten en betaalde hij, met enige aarzeling, tempelbelasting.[73] Hoe moeilijk ook te verklaren, waarschijnlijk is deze actie historisch en moet worden gezien in het licht van Jezus' tweede en mogelijk derde uitspraak over de tempel: de synoptische evangeliën schrijven aan Jezus de voorspelling toe dat de tempel zou worden verwoest[74] en zeggen dat zijn beschuldigers bij zijn proces beweerden dat Jezus had gedreigd de tempel te verwoesten.[75] Deze "zaak" was hoogstwaarschijnlijk de belangrijkste reden voor Jezus' arrestatie en veroordeling (zie verderop).

De evangeliën kennen verder geen traditie van politieke of militaire profetieën van Jezus. Van Lucas 21:20 wordt over het algemeen aangenomen dat deze een revisie van Marcus (en Matteüs) is van na 70 n.Chr. De voorspelling dat geen steen van de tempel op de andere zou blijven,[76] klopt op onderdelen niet: zo bleven juist van de tempel veel muren overeind en werd deze vooral door vuur verwoest. Profetieën "achteraf" kloppen vaak gedetailleerd; juist het feit dat de profetie niet zo nauwkeurig is, geeft deze authenticiteit, dus deze kan van voor 70 n.Chr. zijn en mogelijk van Jezus zelf. Hetzelfde geldt voor de dreiging de tempel af te breken. Lucas laat deze volledig weg en de versie van Matteüs is korter dan die in Marcus, maar beide kunnen worden opgevat als een voorspelling van Jezus' dood en opstanding.[75] Het is waarschijnlijk dat Jezus' voorspelling dat de tempel zou worden verwoest, door tegenstanders werd gezien als een dreigement. In Matteüs en Marcus wordt dit als een vals getuigenis bestempeld, maar er kan uit worden opgemaakt dat Jezus de verwoesting van de tempel voorspelde op een dusdanige manier dat sommige mensen hieruit opmaakten dat Jezus de tempel bedreigde.

Laatste avondmaal[bewerken]

Jezus' laatste avondmaal met zijn discipelen is een zeer zeldzaam voorbeeld van een concrete gebeurtenis die ook buiten de evangeliën wordt beschreven, namelijk in 1 Korintiërs 11:24-26. Los van de betekenis, is duidelijk dat deze maaltijd voor Jezus symbolisch buitengewoon belangrijk was en vooruitwees naar Gods koninkrijk.[77] Uit deze passages, waarin Jezus zegt dat dit de laatste keer is dat hij wijn zou drinken, blijkt dat hij wist dat hij in de gaten werd gehouden en zijn laatste uren waren aangebroken. Mogelijk dacht hij dat God zou ingrijpen voordat hij zou worden gearresteerd en geëxecuteerd, maar hoe dan ook: hij vluchtte niet. Volgens de evangeliën bad hij om gespaard te blijven, maar deed hij dit toen hij helemaal alleen was.[78]

Arrestatie en veroordeling[bewerken]

Waarschijnlijk werd Jezus gearresteerd vanwege zijn "dreigement" richting de tempel. Ook volgens de evangeliën begint de behandeling van Jezus' "zaak" met de aanklacht van zijn dreigement richting de tempel, maar waren de getuigenverklaringen niet "afdoende".[79] Als de hogepriester Kajafas en zijn adviseurs hadden geweten dat Jezus als een "koning" zou zijn onthaald, hadden ze zich al eerder met zijn zaak beziggehouden. De hogepriester was verantwoordelijk voor orde in Judea en Jeruzalem in het bijzonder. Aangezien Kajafas langer als hogepriester onder de Romeinen diende dan wie dan ook, kan worden aangenomen dat hij capabel was. De hogepriester wilde Jezus daarom dood om dezelfde reden waarom Antipas Johannes dood wilde: hij zou problemen kunnen veroorzaken.

Jezus was gevaarlijk, want hij had volgelingen. Hij had enige tijd over "het koninkrijk" onderwezen. Hij had fysieke actie ondernomen in de tempel. Hij was niet gek en dus potentieel gevaarlijk. Daarom adviseerde hogepriester Kajafas de prefect Pilatus Jezus te executeren. Volgens de evangeliën zette Kajafas zijn oordeel kracht bij door Jezus te beschuldigen van godslastering,[80] wat kan duiden op een ultieme poging steun te krijgen voor het doodsvonnis dat hij hoe dan ook wilde vellen (ongeacht of dit een terechte grondslag van de veroordeling was).

Voor Pilatus en de kruisiging[bewerken]

Pilatus nam het advies van hogepriester Kajafas ongetwijfeld zonder aarzelen over. De aanklacht was dat Jezus dacht dat hij de koning van de Joden was. Pilatus begreep dat deze zelfverklaarde koning geen leger had en deed dus geen poging om zijn volgelingen op te sporen en executeren. Hij beschouwde Jezus waarschijnlijk als een religieuze fanaticus van wie het fanatisme zo extreem was dat het de orde en rust bedreigde.

De vroege christenen wilden geen problemen met de Romeinen en schilderden Pilatus daarom af als zwak en buigend onder de druk van de menigte, terwijl zijn vrouw hem adviseerde niets te doen en hij zelfs pleitte voor het leven van Jezus.[81] Naar alle waarschijnlijkheid ontving Pilatus Kajafas' aanklacht, liet Jezus geselen en ondervroeg hem kort. Toen de antwoorden niet bevredigend waren, stuurde hij hem naar het kruis zonder er verder over te hoeven nadenken. Dit is in lijn met wat we verder weten over Pilatus: Philo (tijdgenoot van Pilatus) schreef over Pilatus' executies zonder proces[82] en Pilatus werd uiteindelijk uit zijn ambt gezet vanwege grootschalige en slecht doordachte executies.[83]

Vroeg op vrijdag 15 nisan werden Jezus en twee anderen buiten de stadsmuren van Jeruzalem gebracht, aan kruizen gespijkerd en achtergelaten om te sterven. Slechts enkele moedige volgelingen keken toe. Jezus stierf voor zonsondergang op vrijdag en dus vlak voordat de sjabbat begon. Een bewonderaar op afstand, Jozef van Arimathea, schonk een graf en Jezus werd begraven. Een paar vrouwelijke volgelingen stonden op wacht. Zijn discipelen, bang dat zij nu aan de beurt waren, doken onder.

Het verslag van Jezus' kruisiging staat vol citaten van en toespelingen op Psalm 22.[84] Het is onmogelijk vast te stellen wat hiervan historisch is. Het kan zijn dat Jezus inderdaad Psalmen citeerde toen hij aan het kruis hing. Misschien had hij verwacht dat het koninkrijk snel na het drinken van zijn laatste beker wijn zou komen en werd hij na enkele uren aan het kruis wanhopig en schreeuwde hij daarom dat God hem had verlaten. Na een relatief korte tijd van lijden stierf hij en werd hij door enkele van zijn volgelingen en sympathisanten begraven.

Sterfdatum[bewerken]

Evenals bij Jezus' geboortedatum, is er over zijn sterfdatum geen zekerheid. Deze viel in elk geval in de periode van het bewind van Pontius Pilatus, die van 26 tot 36 na Chr. praefectus was van Judea. Volgens de canonieke evangeliën stierf Jezus op een vrijdag. Volgens de eerste drie evangeliën (Matteüs, Marcus en Lucas) was dit de vijftiende dag van de joodse maand nisan.[85] Maar bij Johannes was het vrijdag de veertiende nisan.[86] Met de aanname dat een van beiden klopt, komen de jaren 27, (31) en 34 (synoptici) of de jaren 30 en 33 (Johannes) in aanmerking.[87] Men gaat er over het algemeen van uit dat het jaar 30 of 33 het meest waarschijnlijke sterfjaar is.

De (zons)verduistering en de aardbeving in het kruisigingsverhaal zijn legendarisch: het was gebruikelijk post factum zulke natuurfenomenen te hechten aan de dood van belangrijke historische figuren. Een zonsverduistering is niet waarschijnlijk, omdat deze niet enkele uren duurt, zoals in het verhaal. Bovendien valt het paasfeest samen met volle maan.[88] Astronomische berekeningen aan de hand van deze vermeende zonsverduistering hebben historisch-kritisch dus geen waarde.

Na Jezus' dood[bewerken]

Onderzoek naar een historisch persoon beslaat in de regel iemands leven en eindigt bij de dood of begrafenis, crematie e.d. of in sommige gevallen het sollen met iemands lichaam, verdwijning etc. Als centrale figuur in het christendom is Jezus hierin een vanzelfsprekende uitzondering, omdat in de theologie van die wereldgodsdienst juist zijn dood en opstanding een fundamenteel geloofsartikel is.

Opstanding[bewerken]

1 Korintiërs (ca. 56 n.Chr.) bevat de oudste vermelding van Jezus' opstanding en vermeldt dat Christus is gestorven, begraven, opgestaan en verschenen aan verschillende (groepen) volgelingen.[89] Paulus citeert hier een traditie die hij ook zelf weer had ontvangen. Meestal beschouwt men 1 Kor. 15:3b-5a als oudere traditie.[90] Paulus noemde ook zichzelf als getuige van de opgestane Jezus, daarmee doelend op zijn roeping.[91]

Marcus eindigt abrupt bij de ontdekking van het lege graf.[92] In tweede instantie zijn er twee eindes aan geschreven, een kort en een lang. Beide ontbreken in de oudste handschriften. Het langste slot doet verslag van een ontmoeting met de opgestane Jezus.[93]

1rightarrow blue.svg Zie voor de mogelijke herkomst van dit slot Marcus 16

Volgens Matteüs en Marcus gingen de discipelen naar Galilea en zagen Jezus daar.[94] Volgens Lucas verlieten zij de omgeving van Jeruzalem niet.[95] De verslagen van Jezus' hemelvaart in Lucas 24:50-53 en Handelingen 1:6-11 verschillen, terwijl ze door dezelfde auteur zijn geschreven. Ook de verhalen over Jezus' verschijningen wijken onderling af. In Matteüs verscheen hij slechts twee keer: één keer aan Maria Magdalena en de andere Maria[96] en één keer aan de elf discipelen.[97] In Lucas verscheen hij niet aan de vrouwen,[98] maar eerst aan twee discipelen, een anonieme discipel en de verder onbekende Kleopas[99] en daarna aan alle discipelen, waarbij hij at.[100] Volgens Handelingen was hij veertig dagen bij de discipelen, waarbij hij diverse keren verscheen.[101] In Lucas werd de opgestane Jezus in eerste instantie niet herkend door een goddelijke interventie,[102] in Matteüs werd hij direct herkend.[103] Volgens Marcus verscheen hij in verschillende gedaanten.[104]

In de eerste eeuw waren twee opvattingen gelijk aan de opstanding: geesten en een lichaam dat weer tot leven komt (zoals Lazarus). Zowel Paulus als Lucas bestreden de gedachte dat Jezus een geest was,[105] maar ook dat hij een lichaam was dat weer tot leven was gekomen. Bij Lucas at Jezus, terwijl Paulus zei dat Jezus' lichaam van fysiek of aards was getransformeerd tot hemels of geestelijk.[106] Het is ook opvallend dat een onderscheid wordt gemaakt tussen "echte" verschijningen van Jezus en zijn verschijning in visioenen.[107] Vooral omdat dit kennelijk geen verband had met Jezus' opname in de hemel. Paulus beweerde immers de "echte" Jezus te hebben gezien, terwijl dit na de hemelvaart van Jezus plaatsvond.[91] In deze passage verscheen Jezus eerst "echt" aan Paulus en direct daarna in een visioen aan Ananias.[108]

Uit de verhalen en vooral de verschillen ertussen kan worden opgemaakt dat Jezus zijn discipelen niet had voorbereid op zijn dood en hieraan pas na zijn dood (theologische) betekenis werd gegeven.[109] In de evangeliën en Handelingen staat Jezus' boodschap over het Koninkrijk theologisch centraal en is er sprake van een concrete eschatologische verwachting - dat wil zeggen: de verwachting dat God ieder moment zou kunnen ingrijpen om Zijn Koninkrijk op aarde te stichten. Vanaf Paulus staat Jezus' dood en opstanding theologisch centraal en raakte het eschatologische aspect op de achtergrond en werd minder concreet.[110]

Verklaringstheorieën[bewerken]

De godsdienstsocioloog John G. Gager paste voor het eerst de theorie van de cognitieve dissonantie van Leon Festinger toe op de kwestie Jezus.[111] De kern van deze theorie zegt dat wanneer een voorspelling niet uitkomt, het geloof in de voorspelling toeneemt, afhankelijk van de betrokkenheid van de gelovigen. Deze toename vindt plaats via een herinterpretatie van de boodschap (bijvoorbeeld het opschorten van de voorspelling). Het uitblijven van de voorspelling geeft immers cognitieve dissonantie, en dissonantie moet worden gereduceerd ter immunisering van het geloof. Festinger zelf dacht dat zijn theorie niet kon toegepast worden op het vroege christendom.[112]

Die toepassingen kwamen er toch naarmate door latere deskundigen meer kennis verworven werd over deze periode. Toegepast op Jezus beargumenteert John G. Gager dat het vroege christendom een kleine millennialistische groepering was die het einde van de wereld verwachtte (‘Het Rijk Gods is nabij’). Die eindtijd bleef echter uit, en werd vervolgens wegverklaard met "de noodzaak van een wereldwijde prediking en proselytisme". Bij Paulus (ca. 50-56) is er al een bezorgdheid over het uitblijven van het Rijk Gods merkbaar; bij Marcus 13:10 (ca. 70) moet "het Evangelie eerst gepredikt worden onder al de volkeren".

Meer concreet voltrok dit proces zich volgens Gager in twee fasen. Eerst is er een verandering in de aard van de messias-verwachting: men verwachtte in het jodendom van die tijd altijd een succesvolle messias, maar er gebeurde niets, dus is men de kruisdood als het doel gaan voorstellen. Men verwachtte wel nog het directe einde van de wereld bij de naderende wederkomst van Jezus. Toen vervolgens ook die wederkomst uitbleef, is men de boodschap gaan veranderen tot "eerst moet de hele wereld geëvangeliseerd worden" en dan zal de wereld ten einde lopen.[113]

Zie ook[bewerken]