Joegoslavië-tribunaal

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Gebouw van het Joegoslavië-tribunaal, Aegongebouw, Den Haag
Gebouw van het Joegoslavië-tribunaal, Aegongebouw, Den Haag

Internationaal Recht

Het Joegoslavië-tribunaal (officieel International Tribunal for the Prosecution of Persons Responsible for Serious Violations of International Humanitarian Law Committed in the Territory of the Former Yugoslavia since 1991,[1] kortweg Interntional Criminal Tribunal for the Former Yugoslavia genoemd, afgekort tot ICTY) is een internationaal tribunaal voor het vervolgen van personen die worden verdacht van het schenden van internationaal humanitair recht, gepleegd op het grondgebied van het voormalig Joegoslavië vanaf 1 januari 1991.

Het tribunaal, gevestigd in het Aegongebouw, is gelegen aan het Churchillplein in het noorden van de wijk Zorgvliet in Den Haag, tegenover het World Forum Convention Center.

Oprichting, gebouw en werkwijze[bewerken]

Sinds het begin van het uitbreken van de Joegoslavische burgeroorlog (1991-1995) heeft dit conflict de internationale gemeenschap bezig gehouden. Op 25 september 1991 nam de VN-Veiligheidsraad zijn eerste resolutie met betrekking tot het conflict aan. In resolutie 713 sprak de Veiligheidsraad zijn bedenkingen uit met betrekking tot de schendingen van de staakt-het-vuren van 17 en 22 september 1991.[2] In resolutie 764 van 13 juli 1992 sprak de Veiligheidsraad zijn ongenoegen uit over de vele schendingen van het oorlogsrecht en waarschuwde dat de daders van oorlogsmisdaden individueel aansprakelijk waren voor hun daden.[3] Op 13 augustus 1992 nam de Veiligheidsraad resolutie 771 aan. In deze resolutie veroordeelde hij wederom de vele schendingen van internationaal humanitair recht en met name de vele schendingen met betrekking tot burgers. De Veiligheidsraad veroordeelde specifiek diegenen die zich schuldig hadden gemaakt aan etnische zuiveringen en riep alle partijen op om onmiddellijk alle gevechten te staken.[4] Op 6 oktober 1992 kwam de Veiligheidsraad met resolutie 780, waarin hij VN-secretaris-generaal Boutros Boutros-Ghali opriep om een onafhankelijke commissie van experten op te stellen, die belast werd met het verzamelen en doen van bevindingen met betrekking tot schendingen van het oorlogsrecht in het conflict.[5] Een van de aanbevelingen van de commissie van experts was het instellen van een internationaal tribunaal belast met de vervolging van schendingen van het oorlogsrecht.[6] Naar aanleiding van dit rapport besloot de Veiligheidsraad op 22 februari 1993 in resolutie 808 tot de oprichting van het Joegoslavië-tribunaal. De Veiligheidsraad droeg daarbij de secretaris-generaal op om met een voorstel te komen voor het statuut van dit tribunaal.[7] Op 3 mei 1993 kwam de secretaris-generaal met het rapport waarin het statuut voor het Joegoslavië-tribunaal was vervat.[8]. Op 25 mei 1993 bekrachtigde de Veiligheidsraad het statuut in resolutie 827 waarmee de oprichting van het Joegoslavië-tribunaal een feit was.[9] Het tribunaal werd in Den Haag gevestigd, en was in grote mate gebaseerd op de algemene rechtsbeginselen der naties en de internationale gewoonte.

Het tribunaal is gehuisvest in het Aegongebouw aan het Churchillplein, dat is aangekocht door de VN. Het gebouw is door de architect Ad van der Steur ontworpen (1951-1953) voor de verzekeraar EN/NEN, later Ennia, een rechtsvoorganger van Aegon.

Het tribunaal bestaat uit drie kamers en één kamer voor hoger beroep. In de rechtszaal zijn de voertalen Engels en Frans, waar nodig met behulp van tolken. Getuigen en verdachten mogen in hun eigen taal spreken en alle stukken zijn beschikbaar in het Bosnisch, Servisch en Kroatisch.

Het tribunaal beoogt drie zaken: het stoppen van de oorlogsmisdaden, het bestraffen van oorlogsmisdadigers en het voorkomen van het schenden van internationaal humanitair recht. Uiteindelijk is besloten dat de hoogste straf die het mag opleggen levenslang is. Wanneer gevangenisstraf opgelegd is, kiezen de rechters vervolgens een land waar de veroordeelde zijn straf moet uitzitten. Het land wordt gekozen uit een lijst met landen die zich daartoe bereid hebben verklaard.

Jurisdictie[bewerken]

Volgens het oprichtingsstatuut heeft het tribunaal materiële rechtsmacht op vier punten:

Zowel grove schendingen van de verdragen van Genève als schendingen van de wetten en gebruiken van de oorlog zijn oorlogsmisdrijven. Het verschil tussen beide is echter de rechtsbron. Het voormalige Joegoslavië was namelijk wel partij bij de Geneefse Vedragen, en dus gebonden aan de daarin opgestelde regels, maar niet bij andere verdragen zoals de vierde Haagse Conventie uit 1907. Dit laatste verdrag was echter onderdeel van het internationaal gewoonterecht waardoor zij ook in het conflict in Joegoslavië golden. Het resultaat was dus dat de rechtsmacht voor oorlogsmisdrijven in twee delen werd gesplitst.

De tijdelijke rechtsmacht is begrensd tot alle misdrijven gepleegd vanaf 1 januari 1991. De personele jurisdictie strekt zich uit over alle misdrijven gepleegd op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië, gepleegd door wie dan ook.

Toepasbaar recht[bewerken]

Het oprichtingsstatuut bevat verder nog regels met betrekking tot het recht dat het tribunaal mag toepassen. Het gaat hierbij om de nadere invulling van de delicten waarover het tribunaal rechtsmacht heeft. De inhoud van het toepasbare recht is niet alleen gebaseerd op de letterlijke betekenis van de formulering in het Statuut, maar ook op de uitleg bij het statuut[10] en internationaal gewoonterecht. De vereisten voor de delicten worden daarom dikwijls nader geëxpliciteerd in de rechtspraak van het tribunaal (jurisprudentie).

Verdragen van Genève[bewerken]

Het tribunaal mag de volgende grove schendingen van de Verdragen van Genève berechten:

  • moord
  • marteling of onmenselijke behandeling
  • het toebrengen van schade aan lichaam en gezondheid
  • grootschalige vernietiging of toe-eigenen van eigendom zonder militaire noodzaak
  • het gijzelen van burgers
  • het dwingen van krijgsgevangenen of burgers tot het dienen in een vijandelijk leger
  • het ontzeggen van een reguliere rechtsgang aan krijgsgevangenen en burgers
  • onrechtmatig deporteren, vervoeren of in hechtenis nemen van burgers.

Oorlogsmisdrijven[bewerken]

Het oprichtingsstatuut noemt een niet-limitatieve opsomming van schendingen van de wetten en gebruiken van de oorlog. Het tribunaal kan dus ook andere oorlogsmisdrijven berechten, zolang deze maar een basis hebben in het internationaal gewoonterecht. Het statuut noemt bij naam:

  • het gebruik van (gif)wapens die gemaakt zijn om onnodig lijden te veroorzaken;
  • de vernietiging van dorpen en steden zonder militaire noodzaak;
  • aanval of bombardement op onverdedigde steden, dorpen, nederzettingen of gebouwen;
  • het bezetten van, of schade aanrichten aan gebouwen met een religieuze, wetenschappelijke of culturele functie;
  • plunderen van openbaar of particulier bezit.

Genocide[bewerken]

Genocide is het vernietigen van (een deel van) een religieuze, nationale, raciale of etnische groepering. Het tribunaal kan ook poging tot genocide en het aanzetten tot genocide vervolgen.

Misdaden tegen de menselijkheid[bewerken]

Onder misdaden tegen de menselijkheid verstaat het oprichtingsstatuut: moord, verkrachting, marteling, slavernij, deportatie, uitroeiing, gevangenneming en misbruik. Bovendien moet er een verband zijn tussen deze misdrijven en het gewapende conflict in Joegoslavië.

Uit de jurisprudentie van het Joegoslavië-tribunaal komen vijf verdere vereisten naar voren:

  • (i) Er moet sprake zijn van een aanval;
  • (ii) De handeling van de dader moet deel uit maken van deze aanval;
  • (iii) De aanval moet gericht zijn tegen een burgerdoel;
  • (iv) De aanval moet wijdverbreid of systematisch zijn;
  • (v) De dader moet weten dat zijn handeling deel uit maak van een patroon van wijdverbreide of systematische misdrijven gericht tegen een burgerbevolking en weten dat zijn handeling in zulk een patroon past.[11]

Ook werd in beginsel vereist dat deze misdrijfen werden gepleegd als deel van overheidsbeleid/op staatsgezag. Echter, in de Kunurac-zaak besloot de kamer voor hoger beroep dat het vereiste van overheidsbemoeinis niet meer vereist was: dit zou verdisconteerd zijn in het vereiste dat er sprake moet zijn van een wijdverbreide of systematische aanval.[12] Bassiouni is van mening dat deze uitspraak opmerkelijk is, omdat het Internationaal Strafhof beide eisen kent in zijn omschrijving van misdrijven tegen de menselijkheid. Het Statuut van Rome wordt daarbij gezien als codificatie van de huidige stand van het internationaal gewoonterecht, waardoor de uitspraak van het Joegoslavië-tribunaal geen volkenrechtelijke grondslag zou hebben.[13]

Rechtszaken[bewerken]

Veroordeeld en gedetineerd (o.a.)[bewerken]

  • Generaal Radislav Krstić, de eerste persoon in de geschiedenis van het genocideverdrag die ook in hoger beroep veroordeeld is voor medeplichtigheid aan het plegen van genocide ('Krstić aided and abetted the commission of [genocide]').[14] Hij werd in april 2004 tot 35 jaar gevangenisstraf veroordeeld voor zijn aandeel als generaal aan de moord op de meer dan 7000 mannen in Srebrenica. Krstić was als leider aanwezig en droeg commandoverantwoordelijkheid voor de moorden in Srebrenica.[15]
  • Mladen Markač was Assistent Minister van Binnenlandse Zaken, belast met speciale politiezaken, van Kroatië. Hij werd veroordeeld tot 18 jaar gevangenis, eveneens wegens vervolging, deportatie, plundering, moedwillige vernieling, twee gevallen van moord, onmenselijke handelingen en wrede behandeling.
  • Milan Martić, werd op 12 juni 2007 tot een gevangenisstraf van 35 jaar veroordeeld wegens misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden. Milan Martić, die diverse hoge functies bekleedde in de autonome Servische Republiek Krajina – die Serviërs in delen van Kroatië hadden uitgeroepen–, heeft zich tussen 1991 en 1995 schuldig gemaakt aan etnische zuiveringen, moord, plundering, deportaties, martelingen en het aanrichten van verwoestingen.[16]
  • Milomir Stakić, oorlogsburgemeester van Prijedor, werd veroordeeld tot 40 jaar gevangenis wegens misdaden jegens de burgerbevolking van Prijedor, Kozarac en Ljubija in onder andere 3 detentiekampen, Trnopolje, Keraterm en Omarska.
  • Zdravko Tolimir was hulpcommandant van het Bosnisch-Servische leger tijdens de Bosnische Oorlog. Op 12 december 2012 werd Tolimir door het Joegoslavië-tribunaal veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden gepleegd in 1995 na de val van de enclave Srebrenica en Zepa in Bosnië-Herzegovina.[17] Ook in hoger beroep werd hij tot een levenslange gevangenisstraf veroordeeld.[18]

Veroordeeld en vrijgelaten (o.a.)[bewerken]

  • Biljana Plavšić, voormalig Bosnisch-Servische politica, meldde zich in 2001 vrijwillig bij het Joegoslavië-tribunaal en werd als gevolg van een akkoord met het tribunaal – ze verklaarde zichzelf schuldig aan misdaden tegen de menselijkheid waarna de overige aanklachten vervielen – veroordeeld tot elf jaar gevangenisstraf. In 2009 werd ze vervroegd vrijgelaten.
  • In januari 2009 werd door het tribunaal besloten dat de veroordeelde Pavle Strugar op 20 februari 2009 vervroegd moest worden vrijgelaten wegens zijn verslechterende gezondheidssituatie, nadat twee derde van zijn uiteindelijke gevangenisstraf van zeven en een half jaar was verstreken. Strugar was een generaal van het Joegoslavische Volksleger (JNA) tijdens de belegering van Dubrovnik in 1991 ten tijde van de oorlog in Kroatië. Hij was aanvankelijk veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf wegens het plegen van oorlogsmisdaden, waaronder ongeoorloofde aanvallen op burgers en civiele doelen, bij het bombarderen van deze stad. Dit vonnis was reeds verminderd tot zeven en een half jaar in juli 2008 wegens zijn slechte gezondheid. Rechter Robinson overwoog dat Strugar zich tijdens zijn detentie goed had gedragen en ook dat hij zich in oktober 2001 vrijwillig bij het tribunaal had gemeld. Daaruit zou een zekere mate van rehabilitatie blijken.

Vrijgesproken (o.a.)[bewerken]

  • Ante Gotovina, generaal in het Kroatische leger en commandant van het militaire district Split, werd aanvankelijk veroordeeld tot 24 jaar gevangenis wegens vervolging, deportatie, plundering, moedwillige vernieling, twee gevallen van moord, onmenselijke handelingen en wrede behandeling, onder andere tijdens Operatie Storm (Oluja) door het Kroatische leger. Op 16 november 2012 is Ante Gotovina door het Joegoslavië-tribunaal in Hoger Beroep vrijgesproken van alle aanklachten en werd hij meteen vrijgelaten. Dezelfde dag is Ante Gotovina teruggekeerd naar Kroatië. De rechters van de Kamer van Beroep kwamen tot de conclusie dat er geen plan van hogerhand was om de Serven te verdrijven. Volgens de VN-aanklagers waren Gotovina en Franjo Tuđman daarbij betrokken. De beroepsrechters vonden daar geen bewijs voor en achtten ook de andere aanklachten ongegrond.

Zaak tegen oud-medewerkster[bewerken]

Florence Hartmann, voormalig woordvoerster van de voormalige hoofdaanklager Carla Del Ponte, staat sinds juni 2009 terecht omdat zij in een boek over Joegoslavië de vertrouwelijkheid zou hebben geschonden.

Rechters, hoofdaanklagers en griffiers[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie lijst van leden van het Joegoslavië-tribunaal voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Belangrijkste gebeurtenissen Specifieke artikelen Deelnemers Personen

Oorlogen en conflicten

Achtergrond:

Consequenties:


Buitenlandse sleutelfiguren:

1990

1991

1992

1993

1994

1995

1999

2001

Lokale staten:

Niet erkende staten en entiteiten:

Leger:

Militaire formaties en vrijwilligers:

Externe staten en entiteiten:

Politici:
Slovenië

Kroatië

Bosnië en Herzegovina

Servië

Kosovo

Macedonië

Montenegro

Top militaire commandanten:

Andere belangrijke commandanten: