Johan Hendrik van Dale

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Johan Hendrik van Dale
Canon van Zeeland, venster 39 Johannes Hendrik van Dale
Buste van Johan Hendrik van Dale in Sluis, onthuld in 1924

Johan Hendrik van Dale (Sluis, 15 februari 1828 – aldaar, 19 mei 1872) was een Nederlands onderwijzer, archivaris in Sluis en woordenboekenmaker.

Leven en werk[bewerken]

Zijn ouders waren afkomstig uit het Oost-Vlaamse Eeklo in België, maar omdat er net een pokkenepidemie in het Meetjesland was uitgebroken, vluchtte vader Abram van Dale met zijn zwangere vrouw Pietje du Bois weg naar Sluis. Hendrik van Dale is vooral bekend als naamgever van het Groot woordenboek der Nederlandse taal, beter bekend als de Dikke Van Dale.

Van Dale behaalde op zijn zestiende zijn eerste onderwijsbevoegdheid, onderwijzer van de vierde rang, en vier jaar later de tweede rang. Op 23 mei 1854 werd hij aangesteld als hoofdonderwijzer aan de openbare school in zijn geboorteplaats. Vanaf 1857 was hij er ook onbezoldigd stadsarchivaris. Ook deed hij onderzoek naar de geschiedenis van zijn geboortestreek. Tussendoor schreef hij leerboeken over taalzuiverheid, spraakkunst en zinsontleding, geschiedkundige artikelen en brochures over Sluis en richtte hij de oude rederijkerskamer 'De Oranjebloem' weer op.

In 1866 kreeg hij zijn eerste lexicografische opdracht, de bewerking van het Taalkundig handboekje, of alphabetische lijst van alle Nederlandsche woorden, die wegens spelling of taalkundig gebruik aan eenige bedenking onderhevig zijn. In 1867 kreeg hij het verzoek om de eerste druk van het Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal uit 1864 van Isaac Marcus Calisch en Nathan Salomon Calisch te herzien, omdat het oorspronkelijke woordenboek in de spelling-Siegenbeek was geschreven, terwijl de spelling-De Vries en Te Winkel inmiddels was aanvaard. Hij accepteerde en klaarde de klus in vier jaar tijd. Omdat hij zelf vaak ontstemd was geweest over de vage, te algemene of onduidelijke informatie die hij in bestaande woordenboeken had aangetroffen, stelde hij hoge eisen aan de exacte omschrijving van de begrippen: de onderwijzer van Dale had onveranderlijk de leerling voor ogen, die een duidelijk, precies en volledig antwoord moest vinden op zijn vraag: ‘Wat betekent dat?’. Hij schrijft zelf, in het voorbericht bij de druk van 1872: "Het schrijven van een Woordenboek is een ondankbaar en verdrietig werk. Is er veel dat men heeft opgenomen of verbeterd, er is nog veel meer dat men vergeten heeft, dat de aandacht ontsnapt is en alzoo onverbeterd is gebleven."

De werkzaamheden verkeerden in de laatste fase — de eerste afleveringen waren al verschenen — toen hij in 1872 overleed aan de pokken. Het werk werd voltooid door zijn leerling Jan Manhave. Twee jaar na Van Dale's dood verscheen het eerste complete exemplaar, en dus de tweede druk, van het Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal. Er ontstond echter kritiek op het werk van Van Dale omdat het niet aan de destijds geldende lexicografische normen voldeed. Van Dale was echter inmiddels een begrip geworden; vanaf de vierde druk verscheen zijn achternaam in de titel van het woordenboek, en bij de zevende druk was elk woord in het woordenboek opnieuw herzien. Met het werk van Van Dale had de inhoud sindsdien niets meer te maken, maar zijn naam bleef in titel gehandhaafd.

In 2003 verscheen bij uitgeverij De Walburg Pers te Zutphen een biografie van Van Dale door Lo van Driel, getiteld Een leven in woorden (J.H. van Dale – schoolmeester – archivaris – taalkundige).

In Sluis wordt Van Dale geëerd met onder meer een borstbeeld, vervaardigd door de beeldhouwer Pieter Puijpe, onthuld op 4 september 1924. Verder is er een eenvoudige herdenkingszuil op het kerkhof, een Van Daleschool en een Van Dalestraat.

Externe link[bewerken]