Kazerne Dossin - Memoriaal, museum en documentatiecentrum over Holocaust en Mensenrechten

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Tijdens de Tweede Wereldoorlog, in 1942-1944, zette de Duitse bezetter de in Mechelen gelegen Kazerne Dossin in als verzamelkamp voor Belgische Joden en zigeuners. Vanuit dit kamp werden zo'n 25.500 Joden en 354 zigeuners gedeporteerd, de meesten naar Auschwitz-Birkenau. Minder dan vijf procent keerde levend terug. De site is thans uitgebouwd als Memoriaal, Museum en Documentatiecentrum over Holocaust en Mensenrechten.

Voorgeschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

Tussen oktober 1940 en juni 1942 werden een reeks Joodse verordeningen uitgevaardigd. Het werd Joden verboden ’s avonds hun huizen te verlaten, Joodse kinderen werden uitgesloten uit scholen en ze werden verplicht de Jodenster te dragen. Daarnaast mochten Joodse ambtenaren, leraren en magistraten hun ambt niet meer uitvoeren en werden Joodse ondernemingen overgedragen aan niet-Joden.

Op 11 juni 1942 gaf Adolf Eichmann het bevel tot hun deportatie. Eggert Reeder, rechterhand van Von Falkenhausen en bevoegd voor de militaire administratie in België, keurde de vrijstelling van deportatie voor Belgische Joden goed. Dit deed hij vooral om tegenwerking bij de Belgische administratie te vermijden. Het betrof echter een klein deel Joden in België, want 90 procent van hen was geen Belg. Tot aan de opening van Kazerne Dossin als verzamel- en doorgangskamp, einde juli 1942, hield men de Joden in het Fort van Breendonk gevangen.

De Dossinkazerne was ideaal gelegen: centraal tussen Brussel en Antwerpen, de twee steden waar de meeste Joden woonden. Een goederenspoorweg naast de Dossinkazerne leidde de gevangenen ongezien naar de wagons. Het kamp stond onder de leiding van SS-Sturmbannführer Philipp Schmitt, ook verantwoordelijk voor het Fort van Breendonk. In 1943 nam Hans Johannes Gerhard Frank de functie over met een meer gematigde aanpak.

Aanvankelijk werden de Joden in de Dossinkazerne verzameld via een tewerkstellingsbevel. Enkele weken later ging men over op grootscheepse Jodenrazzia's, in Antwerpen, Brussel, Luik en Charleroi. Bij hun aankomst in de Dossinkazerne werden Joden en zigeuners geregistreerd en werden hun namen op de deportatielijsten geschreven. Hun goederen werden geconfisqueerd door het Duitse leger. Tijdens hun verblijf liepen de Joden risico op mishandeling en vernederingen. Anderzijds lag een zwaar repressief regime niet voor de hand, omdat de indruk moest worden hooggehouden dat het verblijf zou uitlopen op verplichte tewerkstelling in het buitenland. Ook moesten opstanden worden vermeden. Onder Hans Johannes Gerhard Frank werd het regime daarom wat versoepeld. De werkdruk werd verlaagd en de slaapruimtes werden verwarmd. Intussen verbleven de gedetineerden ook steeds langer in de kazerne, omdat het alsmaar moeilijker werd om een konvooi met 1000 personen te vullen.

De gedeporteerden werden in 28 transporten naar Auschwitz gebracht. Op 19 april 1943 werd transport XX door het Belgische verzet te Boortmeerbeek tegengehouden. Hierbij konden 232 gevangenen ontsnappen, waarvan er 119 nooit meer opgepakt werden. Dit was tevens het eerste transport waarbij Joden werden vervoerd in goederenwagons. De gevangenen, waaronder vrouwen en kleine kinderen, moesten tijdens de reis een aantal dagen rechtop blijven staan.

Bij de grote transporten uit 1942 werd ongeveer 65% van de gedeporteerden na aankomst onmiddellijk vergast. De anderen werden als dwangarbeiders aangesteld. Door gebrek aan voedsel en hygiëne stierf een groot deel van hen. Vanaf 1944 werden procentueel gezien minder Joden uit België onmiddellijk vergast. Velen van hen kwamen om tijdens de zogenaamde dodenmarsen in 1945. Het laatste transport vertrok op 31 juli 1944. Op 4 september 1944 werden de laatste 520 gevangenen bevrijd, één dag nadat de bewakers Kazerne Dossin waren ontvlucht.

Vijftig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog werd in de kazerne een ruimte vrijgemaakt voor de herdenking aan deze deportaties. Het museum kwam er op vraag van de Vereniging van de Joodse Weggevoerden in België - Dochters en zonen van de deportatie (VJWB) en het Centraal Israëlitisch Consistorie van België (CICB). Het Joods Museum van Deportatie en Verzet werd officieel geopend in 1995 met steun van de stad Mechelen en de provincie Antwerpen. Naast een museum werd een documentatiecentrum uitgebouwd.

Memoriaal, Museum en Documentatiecentrum over Holocaust en Mensenrechten[bewerken | brontekst bewerken]

Het museum[bewerken | brontekst bewerken]

Het geheel werd in 2011 herdoopt tot: Kazerne Dossin. Memoriaal, Museum en Documentatiecentrum over Holocaust en Mensenrechten. Het voorstel kwam er op initiatief van minister-president Patrick Dewael. Het museum formuleert zijn missie zo[1]:

Aanhalingsteken openen

Kazerne Dossin vertrekt vanuit het historische verhaal van Jodenvervolging en de Holocaust in relatie tot de Belgische casus, om te reflecteren over hedendaagse fenomenen van racisme en uitsluiting van bevolkingsgroepen en over discriminatie omwille van afkomst, geloof, overtuiging, huidskleur, geslacht, geaardheid. Aldus opgevat, draagt dit museum fundamenteel bij tot een educatief maatschappelijk project waarin burgerzin, democratische weerbaarheid en verdediging van individuele basisvrijheden centraal staan.

Aanhalingsteken sluiten

De drie verdiepingen vertellen het verhaal van de Holocaust en de Kazerne Dossin, vertrekkende van de Belgische context, het antisemitisme, de Duitse bezetting en de collaboratie. De Jodenvervolging wordt zowel vanuit het perspectief van de slachtoffers als de daders besproken. Ook de hulp aan de slachtoffers krijgt zijn plaats. Het verhaal nodigt de bezoeker uit om na te denken over racisme, uitsluiting en de mechanismen die leidden tot de volkerenmoord. Op de bovenste verdieping is er plaats voor tijdelijke tentoonstellingen, die een ruimere invulling krijgen. Zo zijn er kunst- en fototentoonstellingen in verband met mensenrechten

Verspreid over de verdiepingen is aan de eindwand een muur met duizenden foto's van joden, in zwart-wit en in kleur om de gedeporteerden te herdenken. De foto's in zwart-wit betreffen gestorvenen. Slechts hier en daar zijn er kleurfoto's. Er zijn plaatsen op de muur van mensen waarvan men nauwelijks informatie heeft. Als er via het informatiecentrum familie komt met vragen of informatie, wordt deze muur soms verder aangevuld.

Voor de uitbreiding van het museum werd een nieuwbouw ontworpen door het architectenbureau AWG van Bob Van Reeth rechtover de oude Kazerne Dossin . Het gebouw is opgevat als een monument tegen het vergeten. Geen sculptuur of Holocaustgedenkteken beladen met verwijzingen maar een compact gebouw als "denkmal", ijkpunt van de herinnering. De ramen werden dichtgemetseld met 25 267 bakstenen, symbool voor het aantal gedeporteerden. Bovenaan bevindt zich een terras met zicht op de binnenplaats van de oude kazerne, de verzamelplaats voor de gedeporteerden.

Het memoriaal[bewerken | brontekst bewerken]

Toegangspoort tot Kazerne Dossin

Het memoriaal krijgt vorm in vier ruimtes van de oorspronkelijke kazerne en wil uitgroeien tot een plaats waar de slachtoffers herdacht en herinnerd worden. De eerste zaal, getiteld “Hun Sporen”, is de enige authentieke ruimte en toont een aantal oorspronkelijke objecten uit de Dossinsite. In de zaal ‘Het gemis’ probeert een kunstwerk van Philippe Aguirre de tragiek te vatten. In de ruimte ‘Hun namen’ hangen 29 luidsprekers, waaruit de namen van de gedeporteerden in drie talen klinken. In de laatste zaal ‘Hun gelaat’ zijn, ten slotte, vele duizenden foto’s van gedeporteerden te zien. Op het einde van dit traject wordt een opstelling voorzien waar de bezoekers hun indrukken en gevoelens kunnen neerschrijven. De curator van het memoriaal deed voor de uittekening van het interieur beroep op interieurarchitect Jo Lamberts.

Het documentatiecentrum[bewerken | brontekst bewerken]

Dit documentatiecentrum wil op een consistente wijze de documentatie over de gedeporteerden verzamelen, inventariseren, bewaren en ontsluiten. Het documentatiecentrum beschikt zelf over zo'n drieduizend bundels bestaande uit in beslag genomen documenten van Joodse gedeporteerden. Het betreft brieven, identiteitskaarten en werkvergunningen van 4400 mensen die naar de vernietigingskampen zijn gestuurd via Mechelen. Het documentatiecentrum is toegankelijk voor familie van slachtoffers en onderzoekers. Het documentatiecentrum is erkend door de Vlaamse Gemeenschap als officiële archiefinstelling. De Vlaamse Gemeenschap is de belangrijkste partner in dit project met als voorzitter van de vzw Kazerne Dossin, dhr. Eric Stroobants.

Het geheel werd op 26 november 2012 voor geopend verklaard in aanwezigheid van koning Albert II, verschillende ministers en vertegenwoordigers van de joodse gemeenschap en familieleden van gedeporteerden.

Catalogus Holocaust & Mensenrechten[bewerken | brontekst bewerken]

De catalogus is thematisch uitgewerkt rond massa, angst en dood als centraal idee waarbij massa staat voor het huidige Europa, immigratie en vluchtelingen, angst voor discriminatie door de staat en dood voor het ombrengen van vrouwen en kinderen.[bron?]

Splitsing Hannah Arendt-instituut[bewerken | brontekst bewerken]

De originele missie, zoals opgelegd door de Vlaamse Overheid[2], was zowel een herdenkingsplaats zijn voor de Holocaust, als een documentatiecentrum worden voor de mensenrechten. Beide rollen werden initieel opgenomen door de Kazerne Dossin.

In 2019 kwam dit onder druk te staan, toen eerst de directeur Christophe Busch aan de deur werd gezet, en later een deel van de 'wetenschappelijke raad' (met oa Bruno De Wever en Herman Van Goethem) uit ontevredenheid hiermee ontslag nam. Twistpunt was of de Dossinkazerne enkel over de herdenking van de Holocaust gaat, of ook andere mensenrechtenschendingen zoals de Palestijnse kwestie.

Na een jaar van wrevel ontstond dan het Hannah Arendt-instituut, met als doel het tweede deel van de missie in te vullen[2]. Het instituut komt in het stadhuis van Mechelen, op ongeveer 800 meter van de kazerne.

Externe link[bewerken | brontekst bewerken]

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]