Joods Nationaal Fonds

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Eshtaol Woud, aangeplant door het JNF

Het Joods Nationaal Fonds (JNF, Hebreeuws: קרן קימת לישראל, Keren Kayemet LeYisrael) is een Israëlische organisatie. Het voorstel tot oprichting van dit fonds, met het doel om in Palestina land op te kopen ten bate van joodse kolonisatie, kwam van de joodse zionistische Russische wiskundige Zvi Hermann Schapira. Het JNF presenteert zichzelf als zionistische organisatie. In september 2004 trad het toe tot de bij de Verenigde Naties geaccrediteerde NGO's (niet-gouvernementele organisatie).

Stichting en doel[bewerken]

Het fonds werd -met steun van Theodor Herzl- in 1901 gesticht tijdens het 5e Zionistencongres in Basel met als doel geld in te zamelen waarmee Joodse pioniers in Palestina -dat toen nog deel uitmaakte van het Ottomaanse Rijk- grond aan konden kopen. Ook had het fonds als doel het vruchtbaar maken van het land[1] en het aanleggen van watervoorzieningen. Later kwamen daar als doelstellingen bij het planten van bomen en onderzoek naar leefbaarheid.

JNF Nederland[bewerken]

JNF Nederland werd opgericht in mei 1902 en daarmee een van de oudste fondsenwervende organisaties in Nederland. Doel van het fonds is het ontwikkelen en leefbaar maken van Israël ten behoeve van al zijn bewoners. Het Joods Nationaal Fonds richt zich op de ontwikkeling van duurzame, ecologische projecten ten behoeve van de leefbaarheid van alle mensen in de Israëlische samenleving. De aandacht van het JNF gaat in het bijzonder uit naar bebossing, land- en tuinbouw, innovatief waterbeheer en research.

Vanaf 1905 plaatste het fonds het "blauwe JNF collectebusje" in Joodse huizen en bij instanties, waarin mensen hun bijdrage konden doen, hoe klein ook. Vanaf 1907 begon het JNF met het uitgeven van boom-certificaten voor de aanplant van in eerste instantie olijfbomen, maar vanaf 1912 ook andere bomen.[1] Het eerste woud was het Theodor Herzl Woud (1908) bij Ben Shemen/Lod. In 1920 organiseerde het JNF zijn eerste loterij, waarbij onder andere kunstvoorwerpen werden verloot van Toorop en Mendes da Costa. Daarnaast organiseert het fonds acties rond joodse feestdagen, zoals de amandelactie ter gelegenheid van Toe Bisjwat, de honing- of bloemenactie bij Rosh Hashana.

Gedurende de Eerste wereldoorlog namen de inkomsten van het JNF gestaag toe, gestimuleerd door de grote oorlogsdreigingen in Europa alsmede door de totstandkoming van de Balfour declaratie. Bij het 25 jarig bestaan van het JNF (1927) werd een grote opbrengst bereikt door het uitbrengen van een speciaal herinneringscertificaat en een beker ontworpen door Copier uit Leerdam. Bij het 30 jarig jubileum kon een heel nieuw Nederlands woud worden gerealiseerd.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog, in oktober 1941, werd het fonds door de Duitse bezetters opgeheven, maar na de oorlog werd het weer opgericht. De eerste actie van het fonds was het aanplanten van het Joop Westerweel Woud in Gal Ed, ter nagedachtenis aan deze omgebrachte verzetsheld en als eerbetoon aan alle andere verzetsmensen.[1]

Ter gelegenheid van het 10-jarig bestaan van Israel is gekomen tot de oprichting van het Nederlandse Woud, dat reeds in 1960 bij Adullam ingewijd kon worden in aanwezigheid van dr. Willem Drees Sr. Begin zeventiger jaren werden de eerste plannen ontwikkeld om bebossing in de uiterst onvruchtbare en droge woestijn van Israel te realiseren (tot op heden 50% van het landoppervlak), wat resulteerde in het ‘onmogelijk’ geachte Yatirwoud in het noorden van de Negev, tussen Beer Sheva en Arad. Bovendien werd een aanvang gemaakt met het realiseren van landbouwprojecten met als hoofddoel de woestijn leefbaar te maken, waaronder Kadesh Barnea in 1977. Dit agrarisch dorp is uitgegroeid tot een volwaardig producerende gemeenschap van groente, fruit- en zoetwatervis! In de omgeving van Paran in het midden van de Arava, het droogste gedeelte van de Negev woestijn, is een zelfstandig producerende moshav van groente, bloemen, fruit en dadels ontstaan. In 1998 is het Holland Park Eilat gerealiseerd.

Het JNF richtte ook het Koningin Wilhelmina Woud op, ter gelegenheid van de 90ste verjaardag van de voormalige vorstin, en het Koningin Juliana Woud ter gelegenheid van haar 65ste verjaardag.[1] In 2011 werd door het fonds een monument voor Anne Frank geplaatst, ontworpen door Piet Cohen. In 2013 ontwikkelde het JNF het Koning Willem-Alexander Waterproject, in de omgeving van Mitspe Ramon, en bedoeld voor irrigatie en ontwikkeling van groen in de omgeving van dit dorp midden in de Negev woestijn.[2]

Activiteiten[bewerken]

Sinds de oprichting koopt het JNF in Palestina grond aan voor Joodse boeren en startte in 1908 ook met de aanleg van parken en bossen. De eerste zionistische pioniers troffen kale, droge vlaktes aan met veel moerassen. Dat zorgde voor ziektes als malaria. De aangeplante bomen moesten en moeten de leefbaarheid vergroten en vooral het water vasthouden. In aanvang werd het geld vooral ingezameld bij Joden in de diaspora. Bebossing was en blijft een belangrijke activiteit van het fonds. De boom wordt geplant op naam van de donateur, de eigenaar van de boom ontvangt een eigendomscertificaat. Het eerste woud waar bomen geplant werden was het Theodor Herzl woud.

Verwerven van grondgebied[bewerken]

Na de Eerste Wereldoorlog in 1918 bezat het JNF ongeveer 5% van het grondgebied van wat toen het Palestina werd; het werd verpacht aan naar Palestina geëmigreerde Joden. Aan de vooravond van 14 mei 1948, de stichtingsdatum van de staat Israël, bezat het fonds 936.000 dunam grond in Palestina, meer dan de helft van alle grond die op dat moment al in joodse handen was.

Tijdens de periode van het Britse mandaat was Yosef Weitz een centrale figuur bij het JNF, hoofd van de afdeling "Nederzettingen". Voor hem was het van wezenlijk belang om alle Palestijnse pachtboeren van hun land af te laten zetten, wanneer dat eenmaal verworven was; én dat iedereen zich aan deze politiek ging houden, niemand mocht hierbij weekhartig zijn.[3]

Nationaal water systeem[bewerken]

In 1950 werd een plan opgesteld om water vanuit het Meer van Tiberias naar de andere delen van Israël te leiden. Dit werd het National Water Carrier, een systeem van kanalen en leidingen, dat via het grondgebied van Israël water transporteert tot in de Negev om de dorre en onherbergzame woestijn om te vormen tot een vruchtbare plek. Hiervoor wordt water van de Jordaan en de Jarmuk onttrokken waarvan de Westelijke Jordaanoever afhankelijk is. De Palestijnse bewoners zijn daardoor aangewezen op het kopen van water, dat eigendom is van de staat Israël en wordt geëxploiteerd door de Israëlische watermaatschappij Mekorot. De afsluiting van de Jarmuk heeft conflicten met Syrië (de Golanhoogten) en Jordanië tot gevolg gehad; een belangrijke factor in de Zesdaagse Oorlog van 1967. Andere activiteiten van het JNF zijn het droogleggen van moerassen, bouwen van Israëlische nederzettingen en het opzetten van landbouwprojecten.

In de jaren '70 van de twintigste eeuw werd begonnen met het bebossen van de Negev woestijn, door het Yatirwoud aan te leggen tussen Beer Sheva en Arad.[1]

National Water Carrier van Israël

Politieke betrokkenheid[bewerken]

Palestina-dossier[bewerken]

Het Joods Nationaal Fonds speelde een belangrijke rol bij het aanleggen van de Palestijnse dorpen-dossiers (in het Engels The Village Files). Alle Palestijnse dorpen werden accuraat in kaart gebracht, ook met behulp van luchtfoto's.[4]: toevoerwegen, kwaliteit van de akkers, waterbronnen, bronnen van inkomsten, religies/geestelijkheid, mogelijke joodse oorsprong van het dorp, relatie met nabuurdorpen, leeftijdsopbouw van de mannelijke bevolking, houding ten opzichte van het zionisme, participatie(graad) aan de opstand van 1936-1939, namen van hen die verdacht werden van moorden op Joden. Om tot zulke accurate dossiers te komen werkte men met een netwerk van informanten/collaborateurs, dat gemanaged werd door "Arabisten" (Oriëntalistiek). In 1943 werd het archief opnieuw geordend, vooral door één man, Ezra Danin die een leidende rol zou spelen in de etnische zuivering van Palestina.[5]

Na de stichting van de staat Israël werd in 1950 de Absenty Property Law, de Wet betreffende de Eigendommen van Afwezigen (de in 1948 gevluchte of verdreven Palestijnse bewoners) aangenomen, waarop de Israëlische regering een begin maakte met het verkopen van deze gronden aan het JNF.

In 1953 werd het JNF gereorganiseerd en kwam het Keren Kajemet LeJisrael (JNF-KKL) tot stand. In 1960 ging alle bezit van niet-beboste grond, waaronder verwoeste Palestijnse dorpen, over naar een nieuw staatsbureau: de Israël Land Administration (ILA). Dit had toen 93% van alle land van Israël in eigendom: 80% staatsgronden en 13% van het JNF-KKL.

Het Canada-park (Een voorbeeld)[bewerken]

Het Canadapark ligt ten noorden van route 1 (Tel Aviv - Jeruzalem), tussen de Latroun-afrit en Sha'ar HaGai. Men vindt er een Hasmonese vesting, een Kruisvaardersfort, andere archeologische resten en de ruïnes van 3 Palestijnse dorpen (o.a.Imwas).[6] Dit gebied werd in de oorlog van 1967 door Israël veroverd en de Palestijnse inwoners werden van hun grond verdreven. Het park dat op de gronden van deze dorpen met steun van JNF-Canada werd aangelegd is sindsdien een populaire bestemming voor toeristen en Israëli: naast genoemde historische trekpleisters zijn er picknickplaatsen, bronnen en plekken met een bijzonder mooi uitzicht. Jaarlijks komen er honderdduizenden bezoekers.

Volgens Ilan Pappé werd het park in eerste aanleg met dennenbomen beplant. Een bosaanleg met deze snel groeiende bomen zou elke poging tot hervestiging door verdreven bewoners al spoedig frustreren. Bovendien werden zo sporen van de verdwenen dorpjes aan het oog onttrokken.

Beschuldigingen tegen het JNF[bewerken]

Het JNF wordt steeds vaker beschuldigd van discriminatie en handelingen ten koste van Palestijnse inwoners. Dit komt mede doordat het JNF land opkoopt en dit alleen aan Joodse inwoners van Israël verkoopt[7]. Ook wordt het JNF ervan beschuldigd Palestijnse inwoners van hun land te verjagen om er bos op te planten. Ironisch genoeg worden hierbij vaak de inheemse olijfbomen, die voor de inwoners deel van hun bestaan zijn, gekapt om plaats te maken voor uitheemse dennen of cipressen.[8]

Voor verzetsheld dominee Bastiaan Erik Ader, die met zijn onderduikorganisatie in de Tweede Wereldoorlog in Nederland 200-300 Joden redde maar in 1944 door de nazi's werd omgebracht, hadden dankbare oud-onderduikers geld gedoneerd aan het JNF voor de aanplant van zo'n 1100 bomen in een bos nabij Jeruzalem ter nagedachtenis aan hem. Toen zijn zoon Erik Ader in 2016 de gedenkplaats bezocht ontdekte hij dat dit bos was aangelegd op het in 1948 verwoeste Palestijnse dorp Bayt Natiff. Ook was er de kibboets Netiv Halamed--Heh gebouwd. Ader sprak daarop een morele aanklacht uit tegen het JNF en verweet de organisatie etnische zuivering en daarbij misbruik van zijn vaders naam. Ook beschuldigde hij de Nederlandse staat die prefereerde onwetend te blijven over het onrecht dat de Palestijnen is aangedaan.[9] Op 20 november 2016 schonk en plantte hij eenzelfde aantal van 1100 olijfbomen in het Palestijnse dorp Far'ata ten westen van Nablus op de Westelijke Jordaanoever[10]

Ilan Pappé - in zijn boek "The ethnic cleansing of Palestine" [11]- besteedt nogal aandacht aan het JNF. B.v. in het hoofdstuk: Het verdelen van de buit (Dividing the spoils).[12]

De Joods-Israëlische historicus Motti Golani [13] kan zich vinden in deze beschuldigingen. Hij maakt onderscheid tussen geschiedenis en collectief geheugen. Het eerste loopt van het verleden naar het heden. Het tweede loopt van het heden naar het verleden. Het wordt opgebouwd via kennisoverdracht (thuis,school,kerk,jeugdbeweging,het leger,de regering, ook wel door media). Bepaalde accenten worden benadrukt, andere zaken worden verzwakt of ontkend waardoor een beeld ontstaat. In het nationale verhaal van Israël werd de Nakba gewist of wordt deze ontkend. Het JNF speelde hierin een belangrijke rol, zegt hij, "hun doelstelling is het land groen maken, wat prima is, maar het betekent ook het land bedekken. Ze willen ook het geheugen bedekken: er was nooit een Palestina hier. Ze willen een geheugen creëren zonder Arabieren. Terwijl denk ik het ons niet zwakker maar juist stérker maakt ons verleden te erkennen."[14]

Protesten[bewerken]

Op 2 januari 2011 schreef rabbijn Arik Ascherman (Rabbis for Human Rights) een Open brief aan het Joods Nationaal Fonds om te stoppen met het verwoesten van het Palestijnse dorpje Al-Araqib/El Arakib en de bijgelegen begraafplaats in de Negev, zolang er nog rechtszaken bij het Hof lopen waarin bedoeïenen trachten te bewijzen dat het land hun eigendom is.[15] Op diezelfde dag vonden er ook demonstraties plaats bij de kantoren van het JNF in Jeruzalem.

In december 2011 trad Seth Morrison, bestuurslid van het JNF, terug uit protest tegen uitzettingsprocedures en de uitzetting van de Palestijnse familie Sumarin uit hun huis in Oost-Jeruzalem (Silwan), een middel waarmee het JNF land kan verwerven. Dit volgde op een rapport in het dagblad Haaretz over betrokkenheid van het JNF hierbij sinds 1991, evenals de organisatie Elad Morrison noemde huisuitzetting een schending van mensenrechten en een onderdeel van systematisch overhevelen van Palestijns eigendom naar Joodse kolonisten wat een duurzame vredesverdrag belemmert.[16]

Zie ook[bewerken]